RSS
 

Archive for the ‘Artikelen’ Category

Tussen Wens en Werkelijkheid (auteur: Nina Dany)

26 Jun

 

Oorspronkelijke titel: Hundeerziehung zwischen Wunsch und Wirklichkeit
Het oorspronkelijke Duitse artikel vindt u hier
Nederlandse vertaling: Alfred Ballast

 

Hondenopvoeding tussen wens en werkelijkheid

Het was zondagavond en ik zat samen met een vriendin een glas wijn te drinken. Zij was dat weekend op een seminar geweest over ‘De relatie met je hond’. Terneergeslagen keek ze me aan. “Weet je”, zei ze, “eigenlijk was het een ‘ontliefhebseminar’. Toen ik er naartoe ging vond ik mijn hond geweldig, maar toen ik terugkwam was ik me ervan bewust dat mijn hond eigenlijk nog steeds een project is. Hij piepte de hele tijd en terwijl de andere honden ontspannen waren was hij voortdurend gefocust op de konijntjes op het terrein. Ik kreeg hem van de hazentrekmachine niet teruggeroepen, terwijl dat bij de andere honden na hooguit de tweede ren goed ging. Tijdens de wandeling waren alle andere honden heel sociaal, alleen de mijne zocht voortdurend mot en trok als een gek aan de riem. Allen hadden op enig moment een succeservaring – alleen ik niet. Ik werk al zes jaar aan dit alles maar mijn hond is nog steeds een project. Ik maak alleen maar pas op de plaats, ik kom niet vooruit”.

Ik nipte aan mijn glas en dacht na. Nee, die hond is geen project. Sinds enkele jaren doet ze veel met haar honden, werkt ze aan de problemen, weet ze de tegenslagen op te vangen, denkt ze na over de verzorging en opvoeding en kijkt mij regelmatig op m’n vingers. De vooruitgang die ze boekt is enorm. Van een hond die panisch wegrende wanneer hij andere mensen, auto’s en bussen zag naar een hond die zonder problemen, zij het voorzichtig, andere mensen voorbij kan gaan. Van een hond die in paniek begon te gillen als zij maar naar het toilet ging, naar een hond die volledig ontspannen slaapt wanneer hij alleen is. Van een hond die graag andere honden opvrat tot een hond die zelfs aan de lijn toelaat dat andere honden hun neus onder z’n staart steken.

“Je hond is geen project”, gaf ik haar aan, “je hebt al heel veel bereikt bij deze hond. Hij heeft zijn bijzonderheden. Hij is nu eenmaal een nerveuze viervoeter en zal NOOIT een ontspannen kerel zijn die in opwindende situaties volledig rustig blijft. Hij heeft jachtdrift, maar dat heb je onder controle en daaraan werk je voortdurend. Je hebt een leuke hond. Je hebt nu gezien waar zijn en jouw grenzen liggen en waarin je hem nemen moet zoals hij is. Je hond is niet perfect – maar wie is dat wel? Door dag en tijd kunnen jullie uitstekend met elkaar uit de voeten!”  Het glas was nu leeg. Peinzend namen we afscheid van elkaar.

Hoe kan het gebeuren, dat de eigen waarneming en dat wat anderen zien zover uit elkaar liggen? Hoe komt het dat iemand zijn eigen hond alleen nog als project ziet en dan ondanks trainingen het gevoel heeft niet vooruit te komen?

Geïdealiseerd beeld vs de werkelijkheid

Wanneer ik aan mijn eerste hond denk, valt me op met wat voor foute voorstellingen ik als hondenbezitter begonnen ben. Ik wilde met mijn hond de natuur beleven. Door velden, weilanden en bossen struinen, de vogels horen kwetteren en daarvan intens genieten. Ik wilde nieuwe mensen leren kennen, toekijken hoe de honden spelen en me eenvoudig verheugen over mijn nieuwe partner hond. Wat een romantisch plaatje!
En toen kreeg ik deze hond door omstandigheden plotseling in handen gedrukt. Ze trok als een idioot aan de lijn. Ontspannen wandelingen? Foutje! Zodra je de lijn er af haalde was ze weg en ook als je de lijn er aan hield kon het gebeuren dat ze er gewoon vandoor ging als ze wat zag om op te jagen, waarbij ze het vrouwtje door de modder sleurde. Hoe moest ik toen van de natuur genieten?

Ik deed er het best aan ergens te gaan lopen waar zo min mogelijk natuur was. Leuke nieuwe kennissen maken was er ook niet bij, omdat mijn hond vreselijk angstig voor haar soortgenoten was en op enig moment besloot dat ze die liever aanvloog dan zich gedeisd te houden. Nog afgezien van haar idee om af en toe mensen te grijpen. Mijn volledige beeld van hoe het zou zijn om een hond te hebben boorde ze in de grond.

Ondertussen kan ik daarom lachen. Vroeger was ik echter vaak bijna wanhopig. Zo had ik me dit toch niet voorgesteld!
Zo gaat het met veel hondenbezitters. Iedereen die een hond neemt, heeft een bepaald beeld in z’n hoofd, hoe hij zich het houden van die hond en het dagelijks leven met die hond voorstelt. Dat kan een dromerig, romantisch beeld zijn, zoals bij mij. Het kan de perfecte familiehond zijn, die natuurlijk altijd lief is en zich altijd braaf gedraagt tegen de kinderen. Het kan ook de sporthond zijn, die examens en wedstrijden moet lopen – liefst met de hoogste cijfers. De aangeschafte hond toont dan precies daar problemen waar hij niet voldoet, want overal waar de hond niet aan je ideaalbeeld beantwoordt neem je de afwijkingen waar.

Gelukkig zijn er hondentrainers en passende methoden, om de hond overeenkomstig het eigen ideaal te modelleren. In de theorie klopt dat wonderbaarlijk en je komt ook zeker mensen tegen die beweren dat bij hen ieder probleem zich in lucht heeft opgelost. Zo werkt men aan de problemen. Men voedt op, conditioneert, zoekt naar oplossingen, hoopt dat nu alles klopt en vreest voor een terugslag in de training. Het dagelijks leven verwordt daarmee tot dat laatste: training. En terwijl men de hond traint, onderkent men plotseling de grenzen aan alle geweldige methoden en de begenadigde trainer. De gehoopte verandering blijft uit en men begint te twijfelen – aan zichzelf en aan de hond, totdat men zich uiteindelijk vertwijfeld afvraagt “Waarom heb ik een hond genomen?”

Het internet met alle groepen in de sociale media en alle forums maken het dilemma niet kleiner. Daar vind je de hondenbezitters verzameld, die allemaal een perfect luisterende en perfect opgevoede hond hebben. De hond die zich agressief toont wordt snel een arm, angstig dier waarvan je dat gedrag voor lief nemen moet. Of er wordt gezegd dat je die hond alleen moet tonen wie er de baas is, en alles komt in orde. Je wordt mislukkeling 2.0, wanneer al die tips en goede raad geen vruchten afwerpen en alle anderen perfecte viervoeters hebben.

Waarvandaan komt dan dat ideaalbeeld, waaraan we onze honden afmeten?

Enerzijds is het de samenleving die graag een zo lief mogelijke, nette, perfect luisterende viervoeter wil zien. In de omgang moet de hond liefst aardig zijn – maar wat betekent het dan, wanneer een hond zich agressief en ongemanierd gedraagt? En wat moeten de mensen denken, wanneer je dan ook nog eens corrigerend ingrijpt?
Anderzijds ben je het ook gewoon zelf. Verwachtingen die je aan de hond stelt en ook aan jezelf, compliceren het nog verder.

Vaak is het raadzaam om het hoofd vrij te maken van al die beelden en de hond te zien zoals die is. Het is voor een hond niet vanzelfsprekend en al helemaal niet soorttypisch om met iedere hond goed overweg te kunnen. Het is niet natuurlijk, wanneer hij niet jaagt. En het is ook niet echt normaal als hij iedereen aardig vindt. Hier zijn er de raskenmerken die grenzen stellen. Vrijwel geen jachthond zal ongeïnteresseerd een konijntje voorbij lopen. Vrijwel geen kuddebewaker zal volledig probleemloos zijn bij onbekende mensen. Daar bovenop komt het karakter van de hond. Er zijn honden die ertoe neigen resources te verdedigen. Er zijn honden die andere mensen fantastisch vinden maar hun soortgenoten kunnen missen als kiespijn. Er zijn honden die met een opwindende omgeving niet uit de voeten kunnen. Er zijn honden die zeer snel nerveus en opgewonden worden en er zijn honden die nergens door van slag raken.

De ethische vraag

In plaats van achter een ideaal aan te hollen, is het raadzamer de hond te nemen zoals die is. Weinig honden laten zich omvormen. Een hond zo omvormen dat hij geen eigen persoonlijkheid meer heeft en alleen nog maar aan het menselijke ideaal beantwoordt, is ethisch discutabel. Iedereen windt zich op wanneer honden zo gefokt worden dat er daardoor allerlei afwijkingen ontstaan. Maar is het oké als we honden benaderen vanuit een filosofie waarmee we volledig natuurlijke en volledig normale gedragingen als onnatuurlijk en abnormaal aanmerken?

Problemen zijn kansen

De erkenning dat je misschien een volledig fout ideaalplaatje had en met dingen moet leren leven die je eigenlijk idioot vindt, kan best pijnlijk zijn. Maar juist die erkenning biedt je de kans om je verder te ontwikkelen en een nieuwe, gezonde attitude te krijgen tegenover het levende wezen waarmee je je leven deelt.

Natuurlijk moet je ook aan de problemen werken. Ze volledig wegtrainen is echter niet altijd mogelijk. Ze hanteerbaar maken moet eerder de insteek zijn. Een hond die andere honden niet mag, moet bij het in zicht komen van een andere hond terug te roepen en aan de lijn controleerbaar zijn. Een hond met een issue naar mensen hoeft zich niet door iedereen te laten aanraken, maar hij moet evenmin uit zichzelf naar mensen uitvallen wanneer er niemand is die iets van hem wil. Dit maakt het ook mogelijk om prioriteiten te stellen. Je kunt de persoonlijkheid van de hond niet veranderen maar je kunt wel de omgang met de hond zodanig vormgeven dat er geen wrijvingen ontstaan.
Natuurlijk moet je daarbij in de gaten houden dat een hond met een ernstige gedragsstoornis een leven met beperkingen heeft. Ook mag de hond niet een gevaar voor de omgeving worden. Hieraan moet fundamenteel gewerkt worden, met inachtneming van de persoonlijkheid van de hond.

Maar ook probleemgedrag kan positieve effecten hebben. Nadat ik geaccepteerd had dat mijn teef jaagt en dat ook altijd zal blijven doen, kon ik de natuur met andere ogen bezien. Betrouwbaar toonde ze me waar veel wild onderweg is, en wat voor wild er op pad is. Plotseling zag ik dat het op het naastgelegen weiland wemelt van de bodembroeders. Dat wilde zwijnen het liefst in maisvelden verblijven heeft ze me ook duidelijk gemaakt. Van nu af aan ging ik met open ogen door de natuur en zag het wild vaak nog voor mijn hond. Mijn hond toonde me de natuur op een heel nieuwe manier. Had ik geen jagende hond, dan zou ik dit nooit zo hebben ervaren.

Mijn hond dwong me zich in haar en haar wezen te verdiepen. En iedere hond die er nieuw bij komt brengt me aan nieuwe grenzen. Die te erkennen, uit te peilen, uit te proberen en uiteindelijk samen met de hond te groeien is altijd een geweldige ervaring. Mijn eigen honden zijn altijd nog mijn beste leermeesters.
Vermeend probleemgedrag leert iemand niet alleen veel over honden, het biedt ook de mogelijkheid tot karakterontwikkeling. Een opgewonden hond wordt bij een nerveuze eigenaar nog meer opgewonden, en de eigenaar nerveuzer – een vicieuze cirkel is voorgeprogrammeerd. En zo leer je door de hond zelf in moeilijke situaties rustig te blijven. Onzekere eigenaren leren zekerheid te geven, omdat de hond dat nodig heeft. Ingetogen mensen leren ook eens ‘nee’ te zeggen: ‘Nee, die wil niet aangeraakt worden’. Om een ‘Doet-niets’ die je hond nadert te verdrijven heb je zelfverzekerdheid en doorzettingsvermogen nodig. Dingen waar je ook in je alledaagse omgang met andere mensen veel aan hebt.

Grenzen van de opvoeding

Het is daarbij altijd belangrijk om je eigen grenzen te erkennen. Het is GEEN brevet van onvermogen wanneer je een slechte dag hebt en dan bepaalde situaties uit de weg gaat. Het is geen brevet van onvermogen, wanneer de hond zich eens misdraagt. Het is een hond en geen robot – net zo min als wij.

Dienovereenkomstig moet je jezelf de vraag stellen: “Wat is haalbaar voor mij, voor mijn hond, voor mijn hondenhuishouden en wat is voor mij heel belangrijk?” Overal worden grenzen gesteld. De omgeving stelt grenzen en prioriteiten. Iemand die buitenaf woont heeft andere eisen dan iemand die in de stad woont. Ook de hond stelt iemand grenzen. Je kunt een jachthond niet overal los laten lopen en waar dat wel kan, moet je steeds 100% op je hond gefocust zijn. Maar ook zelf heb je je eigen grenzen. Als je zelf een temperamentvol mens bent, kun je niet altijd het rustgevende anker voor je hond zijn. Ook dat is volledig in orde.

Bij al die vermeend negatieve aspecten moet je het positieve niet vergeten. Dan houdt een hond nu eenmaal niet van andere honden – maar hij is super terug te roepen en hij jaagt niet. Dan houdt een hond nu eenmaal niet van andere mensen – maar hij is dol op andere honden en zo kun je toch samen met andere hondenbezitters gaan wandelen. Dan is een hond snel opgewonden – maar hij is dan ook direct van de partij als je iets met hem wilt gaan doen en hij leert snel. Er zijn zoveel positieve momenten die we veel te vaak als vanzelfsprekendheid aannemen, maar die dat niet zijn. Wanneer je dat onderkent, zie je wat voor leuke hond je hebt.

Persoonlijkheid als kans

Uiteindelijk gaat het er om tot een ontspannen omgang met de hond te komen, foute voorstellingen los te laten en afstand te nemen van perfectionisme. De charme van het hebben van honden ligt niet in het naast elkaar leven en vrolijk door de natuur te slenteren. De charme van het houden van een hond ligt daarin dat je een kleine hondenpersoonlijkheid opneemt en in je leven integreert. De hond is geen onbeschreven blad dat men naar believen beschrijven kan. Het is een zelfstandige persoonlijkheid! Dat waar te nemen biedt iemand ook de mogelijkheid om zichzelf te ontdekken. Zijn eigen zwakheden te zien en te accepteren.

Hoeken en punten vormen onze persoonlijkheid. Hoe saai zou het zijn wanneer iedereen gelijk was. Die hoeken en punten vinden we ook bij onze honden en dat bepaalt in samenspel uiteindelijk de betrekking tot onze viervoeters. DAT is individualiteit en uniekheid. Om dat in de betrekking tot je hond te ontdekken is een spannende aangelegenheid.
We moeten allemaal dankbaar zijn voor de diversiteit aan honden en de belangrijke lessen die we van hen ontvangen.

Auteur: Nina Dany

Website Planet Hund: http://www.planethund.com/

 

 

NinaDany

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Waarom zo’n haast?

14 May

 

Dit artikel is te vinden op de website van Doggo.nl!

 

http://www.doggo.nl/artikelen/opvoeding-van-een-hond/waarom-zo-n-haast.php

 

LotAbby13

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Zo baas, zo hond? Wie lijkt er nu op wie.

14 May

 

Zoals er overal ter wereld en in elke laag van de bevolking als vanzelf verschillende sociale groepen ontstaan, lijkt ook de hondenwereld onderverdeeld te zijn in herder-mensen, jachthond-mensen, stafford-mensen, windhond-mensen, chihuahua-mensen en poolhond-mensen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Dit is misschien een beetje scherp gesteld en het is daarom geen indeling waar u al te veel waarde aan moet hechten. Waar het om gaat is dat mensen vaak wel een voorkeur voor een bepaald soort hond lijken te hebben. Deze mensen voldoen zelf dikwijls ook weer aan bepaalde kenmerken of eigenschappen waardoor de onderlinge verschillen tussen groepen hondeneigenaren en hun honden alleen maar groter lijken.

Onbewust aangetrokken

Op internet zijn er allemaal testjes te vinden die bepalen wat de keuze voor een bepaald hondenras zegt over jou als persoon. Zelfs wetenschappers houden zich hier sinds kort mee bezig. Een recent onderzoek op dit gebied werd uitgevoerd door Jo Fearon and Lance Workman van de Bath Spa University. Zij waren van mening dat bepaalde persoonlijkheidstypes zich onbewust aangetrokken voelen tot bepaalde rassen. Zij vroegen duizend hondeneigenaren een vragenlijst in te vullen. Uit de analyse van de antwoorden op deze vragen moest blijken hoe zij scoorden op vijf verschillende persoonlijkheidseigenschappen; extraversie, mildheid, ordelijkheid, emotionele stabiliteit en autonomie (deze dimensies worden ook wel aanduid als de ‘Big Five’).  Aan de hand van de rasindeling die gehanteerd wordt door de Engelse Kennel Club werden de rassen verdeeld in zeven groepen: honden voor en na het schot (Gundogs), meute en zichtjagers (Hound dogs), herders en veedrijvers (Pastoral breeds), terriers, gezelschapshonden (Toy), werkende honden en als laatste de groep die ik onder de noemer overige rassen zal scharen, daar de benaming die de Engelse Kennel Club hanteert – namelijk de Utility Group – niet echt eenduidig is.

Uit de resultaten bleek onder andere dat de mensen met rassen uit de overige groep en uit de categorie herders en veedrijvers meestal hoog scoorden op extraversie. De eigenaren van gezelschapshonden en honden voor en na het schot deden het goed op de dimensies van mildheid en ordelijkheid. Mensen met gezelschapshonden stonden daarnaast het meest open voor nieuwe ervaringen. Verder bleken de mensen met meute en zichtjagers prima te scoren op de schaal van emotionele stabiliteit. Volgens de wetenschappers kunnen we uit de resultaten concluderen dat het wel degelijk mogelijk is om op basis van de raskeuze voorspellingen te doen omtrent het persoonlijkheidstype van de eigenaar. Tevens zouden de bevindingen van pas kunnen komen voor mensen die voor het eerst een hond gaan uitzoeken. Men zou de vragenlijst bijvoorbeeld zo kunnen aanpassen dat deze niet alleen persoonlijkheidseigenschappen meet maar dat er ook rekening gehouden wordt met praktische zaken als wel of geen kinderen en de woon- en leefomstandigheden van de toekomstige eigenaar. Op deze manier kunnen mensen via een wetenschappelijk onderbouwde methode een geschikt ras uitzoeken. Dit zou er volgens de onderzoekers toe kunnen leiden dat er uiteindelijk minder honden in het asiel terecht komen.

Niet zo universeel

Er is wel het een en ander aan te merken op de manier waarop dit onderzoek is uitgevoerd. Zo zou je vraagtekens kunnen zetten bij het gebruik van de Big Five en de rasindeling van de Engelse Kennel Club. De persoonlijkheidseigenschappen die in de Big Five zijn opgenomen, blijken namelijk helemaal niet zo universeel als in eerste instantie werd gedacht. En wat zou er gebeuren met de resultaten als men de rasindeling van de FCI zou hanteren? Het is goed mogelijk dat er, indien er gebruik gemaakt wordt van andere indelingen, hele andere uitkomsten naar voren zullen komen. Tevens is het belangrijk om op te merken dat veel mensen in het bezit zijn van een kruising; het is jammer dat deze niet op de een of andere manier zijn opgenomen in het onderzoek.

Overigens herken ik mezelf ook niet helemaal in de resultaten. Ik heb zelf het meest met honden uit de categorie herders en veedrijvers; ik deel mijn leven met meerdere honden uit deze groep en voel me niet snel aangetrokken tot rassen uit één van de andere groepen. Als ik dit onderzoek mag geloven, zou ik een vrij extravert persoon moeten zijn. En dat ben ik nu juist helemaal niet. Dit is natuurlijk wel mijn eigen inschatting maar ik geloof ook niet dat mensen die mij kennen mij als een extravert persoon zouden bestempelen.

Verandering

Misschien is het wel zo dat ik me aangetrokken voel tot dit soort honden omdat ze me juist wat extraverter maken dan ik daadwerkelijk ben. In dat geval zou de hond dus zorgen voor een verandering in de persoonlijkheid van de eigenaar. Wellicht speelt een onbewust verwachtingspatroon rond deze dynamiek wel mee bij de keuze voor een bepaald type hond; mensen zoeken misschien wel naar een soort aanvulling op bepaalde persoonlijkheidseigenschappen. De hond zou hierin dan een versterkende – of juist verzwakkende – rol kunnen spelen.

Ondanks de kritische noten is dit onderzoek toch interessant. Het zet namelijk wel aan tot nadenken over de redenen waarom een bepaald type mens voorkeur heeft voor een bepaald type hond. Met behulp van verdere onderzoeken is het ongetwijfeld mogelijk meer voorspellende factoren of persoonlijkheidseigenschappen in kaart te brengen. Dit zou niet alleen meer inzicht geven in individuele voorkeuren maar ook in culturele voorkeuren en stereotypes.

De hondse persoonlijkheid

Maar hoe zit het nu met de persoonlijkheid van de hond zelf? Is deze niet net zo belangrijk als die van de eigenaar? Natuurlijk kan men bij een bepaald ras in het algemeen wel iets zeggen over de kenmerkende karaktereigenschappen maar elke individuele hond is anders. Daarom moet er bij de keuze voor een hond rekening worden gehouden met de karakters en de behoeftes van zowel hond als eigenaar! Op die manier maakt men de kans op een zogenaamde mismatch zo klein mogelijk. Een liefdevolle en stabiele band kan zich immers alleen ontwikkelen als hond en baas goed bij elkaar passen.

Het gebeurt helaas nog maar al te vaak dat een hond in het asiel terecht komt omdat zijn karaktereigenschappen en/of levensbehoeftes (zoals de hoeveelheid lichaamsbeweging) niet goed genoeg aansloten op die van zijn eigenaar. Mensen verkijken zich jammer genoeg nog wel eens op bepaalde eigenschappen of denken dat het allemaal wel los zal lopen. Daarnaast is de kans op een mismatch natuurlijk al helemaal groot als men de keuze voor een hond alleen baseert op het uiterlijk of de reputatie van een ras.

Zelfreflectie

In het kader van dit alles is het niet verkeerd te beschikken over een gezonde dosis zelfkennis en zelfreflectie. Hoe beter we onszelf kennen, hoe beter we kunnen bepalen wat voor soort hond bij ons zou passen. Ben jij iemand die graag binnen zit en liever niet te actief bezig is? Dan is een Border Collie sowieso niet de juiste keuze voor jou, ook al ziet hij er nog zo leuk uit. En nog een stapje verder: ben jij iemand die goed kan aangeven waar de grenzen liggen of vind je het juist moeilijk om op je strepen te gaan staan als dat een keer nodig is? Dat zijn allemaal dingen waar je over na zou kunnen – of eigenlijk móeten – denken.

Wees bereid jezelf goed onder een vergrootglas te leggen voor je overgaat tot de aanschaf van een hond. Als je dit voor jezelf op een rijtje hebt, kan je je aandacht richten op de individuele eigenschappen van de hond zelf en nadenken over de vraag of de betreffende hond zou passen bij jou als persoon.

Spiegel

Voor de mensen die al in het bezit zijn van een hond is het wellicht aardig om eens na te denken over wat die hond zegt over henzelf. Er wordt dikwijls beweerd dat een hond de spiegel van de ziel is; hij zou als het ware ons gedrag spiegelen en onze persoonlijkheid reflecteren. Vertoont je hond gedrag dat je niet kan plaatsen of lijkt hij zich niets aan te trekken van wat je hem vertelt? Bekijk jezelf dan eens door zijn ogen. Jouw uitstraling, lichaamstaal en manier van communiceren hebben namelijk altijd effect op je hond. Misschien ben je zelf wel vreselijk chaotisch of onduidelijk in je doen en laten, waardoor hij simpelweg geen idee heeft wat je van hem wil. Honden kunnen ons dus daadwerkelijk iets over onszelf leren door ons bewust te laten worden van onbewust gedrag. Wat dat betreft houden zij ons inderdaad maar al te vaak een spiegel voor, we moeten alleen bereid zijn om erin te kijken.

Noot: De beroemde Oostenrijkse etholoog Konrad Lorenz (1903-1989) sprak in zijn boek “Mens en Hond” over zogenaamde resonantie honden. Hiermee bedoelde hij honden waarin wij veel van onszelf herkennen. Met dit soort honden zouden wij volgens hem een hechte, harmonische eenheid kunnen vormen.

LotMick2

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

De Wondere Wereld van de Puppycursus

22 Sep

 

Het is zover, er komt een puppy in huis! De opvoeding kan beginnen. Het is tegenwoordig heel normaal om een gehoorzaamheidscursus met je pup te gaan volgen als aanvulling op de opvoeding thuis. Eigenlijk word je gewoon raar aangekeken als je níet op cursus zit met de kleine. Vol goede goede moed op zoek naar een leuke hondenschool dus. Maar…. hoe kies je nu de beste of de leukste uit, uit het grote aanbod dat er is?

De meeste hondenscholen hebben wel een website waar je alvast een kijkje kan nemen en een indruk kan krijgen van hoe het er daar aan toe gaat; welke methodes worden er bijvoorbeeld gebruikt en welke visie hangt men aan? Daarnaast kan je er meestal alle belangrijke praktische zaken vinden, zoals kosten, tijden en locaties. Op deze manier kan je van tevoren al aardig wat informatie verzamelen. Het komt echter nog wel eens voor dat de informatie op de website niet helemaal overeen komt met hoe het er in de praktijk op een hondenschool aan toegaat. Dus alleen afgaan op een website is misschien niet zo verstandig. Het zou allemaal wel eens veel leuker kunnen klinken dan dat het in werkelijkheid is. Laat ik dit eerst eens illustreren aan de hand van een persoonlijk voorbeeld. Nu is mijn geval misschien een tikje anders omdat ik al jaren meerdere honden heb. Om die reden heb ik al eerder (puppy)cursussen gevolgd. Daarnaast heb ik in de loop der jaren veel kennis opgedaan over hondengedrag en – training, al ben ik natuurlijk geen professional. Het zorgt er echter wel voor dat ik niet meer met een beginnersbril naar dit soort cursussen kijk en dat stelt me denk ik juist in staat om er een beter, meer afgewogen, oordeel over te vellen.

Een bijkomend probleem in mijn huidige woonplaats is het gebrek aan aanbod; echt veel scholen zijn er eigenlijk niet in de buurt. Je bent eigenlijk al snel aangewezen op de plaatselijke Kynologenclub. Hier ben ik dan met enige regelmaat te vinden. Nu hebben we sinds kort twee pups erbij en daarmee wilde ik – apart van elkaar – op puppycursus. Zeker voor de socialisatie vind ik dit erg belangrijk. Ik wilde wel eens ergens anders gaan kijken dan op de KC en via via kwam ik terecht bij een dame die ook les geeft hier in de buurt. De website zag er aardig uit en de tekst die erop stond, sprak me wel aan. Zo zou zij trainen in kleine groepjes van maximaal zes of zeven honden, zodat iedereen genoeg persoonlijke aandacht zou krijgen. Verder stond er te lezen dat er meer aandacht geschonken zou worden aan samenwerking en communicatie dan aan het halen van examens. Kijk, dat wilde ik horen! Vol goede moed begonnen mijn pup Purdy en ik aan de eerste les. Je voelt het misschien al aankomen: het werd een teleurstelling.

Er bleken pups van allerlei leeftijden, rassen en groottes rond te lopen. Op zich geen probleem, ware het niet dat het allemaal stuiterballen eerste klas waren. Als ik in het kringetje ging staan dat we moesten vormen om de instructrice, werd Purdy binnen de kortste keren van alle kanten belaagd. Het ergste vond ik nog wel dat hier niks aan werd gedaan. Gelukkig weet ik met dit soort situaties wel raad; ik ben gewoon een beetje meer naar achter gaan staan en wist Purdy’s aandacht goed op mij gericht te houden. Immers, een goede training valt of staat met aandacht. Zonder aandacht ben je nergens! Het leek echter wel of de instructrice hier heel anders over dacht, aangezien er totaal niks gezegd werd van het stuiterballengedrag van de andere pups.

Het programma zou toch gericht zijn op samenwerking en communicatie? Ik merkte er niets van. Het werd nog erger: aan het eind van les bleek het de bedoeling dat alle pups van de lijn mochten en het maar moesten uitzoeken met elkaar. Zowel de zeer jonge en kleine pups zoals Purdy én de oudere, lompere pups. En dan gaat groepsdruk dus een rol spelen. Hoewel het tegen mijn gevoel indruiste, liet ik Purdy los. En ja hoor, er doken gelijk een paar van de grotere – echt behoorlijk forse – pups op haar af en terwijl zij duidelijk aangaf hier niet van gediend te zijn, gingen die gewoon door. Het allergrootste probleem was wederom het gebrek aan begeleiding (persoonlijke aandacht, was het toch?). De instructrice en haar assistente gingen rustig koffie staan drinken en besteedden geen aandacht meer aan wat er op het veld gebeurde. Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat dit soort toestanden voor een pup op een traumatische ervaring kunnen uitlopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand die voor het eerst een pup heeft geen idee heeft hoe hij of zij met een dergelijke situatie overweg moet. Ik zal je besparen hoe de cursus verder is verlopen, hoewel ik niet kan nalaten om te vertellen dat de groep inmiddels uit meer dan zeven cursisten bestaat.

Waar het hier om gaat, is dat het heel lastig kan zijn om een hondenschool uit te zoeken die bij je past en aansluit bij je wensen. Zeker voor beginnende hondenbezitters. Gelukkig bleek mijn angst dat mensen een bepaalde aanpak of lesmethode om deze reden maar voor lief nemen onterecht. Men kijkt wel degelijk met een kritisch oog naar de manieren waarop er les wordt gegeven. Hierbij is het tevens van belang dat een cursus goed ‘voelt’ voor zowel de cursist als de hond en deze twee samen als een team.

Dit bleek onder meer uit een gesprek dat ik onlangs had met Liesbeth Hogendoorn van Kynologisch Gedragscentrum Delphi te Almere. Ik was benieuwd naar de redenen die men had om te stoppen bij een hondenschool en over te stappen naar een andere (of om er helemaal mee te stoppen). Zij legde deze vraag voor aan de cursisten in haar puppyklas en daar kwamen een aantal verrassende antwoorden uit naar voren. Ik zal er hieronder een paar op een rijtje zetten.

– Lang wachten tussen de oefeningen, waarbij de pup vervelend wordt omdat hij zich verveelt. Er worden geen goede aanwijzingen gegeven hoe men dit moet aan pakken.

– Dikwijls (te) weinig persoonlijke aandacht door de grote groepen van soms wel tien tot twaalf cursisten, en maar één instructeur.

– Weinig tijd om vragen te stellen.

– Chagrijnige instructeurs die het programma snel afraffelen.

– Voorkeursbehandelingen van de instructeur voor bepaalde cursisten.

De hond was angstig en de eigenaar moest maar gewoon meedoen, er werd geen rekening gehouden met persoonlijke zone van de hond.

De hond deed het prima op het veld, maar was thuis onhandelbaar.

– De cursist moest de hond corrigeren, maar wilde dat eigenlijk niet.

– Andere gezinsleden waren niet welkom op de cursus.

– De cursus is druk en onrustig, waardoor hond en baas allebei niet optimaal kunnen presteren.

– Er werd nauwelijks rekening gehouden met het individuele karakter van een hond; elke hond is anders maar toch moet iedereen hetzelfde doen.

– Het ras waarmee men op cursus wilde, werd geweigerd. Het ging hierbij niet alleen om een Stafford, maar ook om een Beagle. Die laatste zou je immers toch niks kunnen leren…..

Ook vertelde één van de cursisten dat haar hond tijdens een puppycursus op een andere hondenschool tot drie keer toe was gegrepen door een andere hond. Dit gebeurde op het moment dat de pups los moesten (!). Deze hond vindt andere honden nu helemaal niet leuk meer en de betreffende persoon voelt zich genoodzaakt elke dag een stuk met de auto te rijden om een plek te vinden waar zij ongestoord met de hond kan lopen.

Zij was haar vertrouwen in hondenscholen en -cursussen hierdoor volledig kwijt. Toch is zij uiteindelijk – weliswaar na enig aandringen – met haar volgende hond bij Liesbeth Hogendoorn terecht gekomen. Hier heeft zij het inmiddels erg naar haar zin en zij heeft het vertrouwen gelukkig weer hervonden.

Je zal je na het lezen van dit stuk wel afvragen waar je nu op kan letten om te zorgen dat je goed terecht komt met je pup. Zet ten eerste voor jezelf goed op een rijtje wat je belangrijk vindt. Waar moeten voor jou de accenten liggen? Waaraan wil je dat er aandacht besteed wordt? Hoe belangrijk vind je de gehanteerde methodiek? Vervolgens, en dit kan ik niet vaak genoeg benadrukken, blijf bij je gevoel! Laat je niet gek maken door de meningen en adviezen van anderen, hoe goedbedoeld ook. Zodra je een oefening moet uitvoeren die echt tegen je gevoel ingaat, maak dan even pas op de plaats en denk goed na voor je verder gaat. Als de andere cursisten je dan gek aankijken; jammer dan. Het is jouw hond, jouw keuze. Probeer niet te bezwijken onder de groepsdruk die bij sommige cursussen zo sterk aanwezig kan zijn.

Nog enkele dingen waar je op kan letten zijn:

– Staan er ervaren instructeurs voor de groep? De puppytijd is de belangrijkste periode en het komt helaas maar al te vaak voor dat er signalen van de hond over het hoofd worden gezien door onervaren begeleiders. Hierdoor kunnen gedragsproblemen ontstaan.

– Hoe groot zijn de groepen? Krijgt men voldoende persoonlijke aandacht?

– Veel mensen hebben vragen over hun pup. Zeker als het de eerste hond is, zijn mensen vaak nog onervaren. Zorg dat de hondenschool die je uitzoekt genoeg tijd uittrekt voor het beantwoorden van deze vragen.

– Wordt er genoeg tijd besteed aan de socialisatie? Sommige hondenscholen laten de honden bijvoorbeeld kennis maken met vreemde of gekke voorwerpen; een goede zaak! Daarnaast is het ook belangrijk dat er geoefend wordt op verschillende locaties.

– Als de pups los mogen of met elkaar mogen spelen, zorg dan dat dit onder goede begeleiding gebeurt.

– In principe zou er de mogelijkheid moeten zijn om een proefles te volgen.

– Wordt er voldoende rekening gehouden met de individuele karakters en het niveauverschil van de honden?

Met dit lijstje kun je hopelijk een beetje uit de voeten bij het uitzoeken van een hondenschool voor jou en je pup. Het is misschien even lastig maar uiteindelijk zal je blij zijn dat je er een beetje moeite voor hebt moeten doen. Je moet het maar zien als werken aan de toekomst! Rest mij alleen nog jullie samen heel veel trainingsplezier te wensen.

 

P1210936

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

De Nieuwe Rassen? – Rasloze honden en kruisingen

22 Sep

Het lijkt wel of hippe en bijzondere hondenkruisingen (met bijbehorende hippe naam) steeds populairder worden. In eigen land is de bekendste hiervan wel de Labradoodle, ontstaan uit kruisingen tussen een poedels en labradors. Overigens is er wel verschil tussen de standaard Labradoodle en de Australische Labradoole, waarbij ook andere rassen zijn ingekruist. Sinds het ontstaan van deze leuke, intelligente krullenbollen lijkt er een ware rage te zijn ontstaan in het onderling kruisen van verschillende rassen. Voor de goede orde; de kruisingen waar ik het in dit artikel over heb, zijn niet hetzelfde als de zogenaamde ‘vuilnisbakkenrassen’ waarbij de oorspronkelijke afstamming op zijn minst erg vaag is. Bij de ‘designer’ hond is er juist sprake van een kruising tussen twee raszuivere honden. Ze worden ook wel ‘hybride’ honden genoemd, hoewel deze term wetenschappelijk onjuist is aangezien het hierbij om een kruising tussen twee verschillende soorten gaat, zoals bij een wolf-hond kruising.

In Nederland ziet men steeds meer van dit soort ‘nieuwe’ kruisingen; een kwartiertje surfen op het internet en je hebt er zo een paar gevonden. Het verschijnsel is ongetwijfeld overgewaaid uit Amerika, waar het hele gebeuren inmiddels behoorlijk de spuigaten is uitgelopen. Ik kwam op een bepaalde website zo ontzettend veel kruisingen tegen dat het onmogelijk is ze hier allemaal te vermelden. Toch zal ik er een paar als voorbeeld noemen. Zoals u zult zien, zijn de meeste namen die aan deze kruisingen gegeven worden samenvoegingen of combinaties van de twee rasnamen van de ouderhonden. De nieuwe naam die hierdoor ontstaat, wordt ook wel een portmanteau genoemd.

Alusky (Alaskan Malamute x Siberische Husky)

Aussiedor (Australian Shepherd x Labrador)

Borador (Border Collie x Labrador)

Cockapoo (Cocker Spaniel x Poedel)

Jug (Jack Russel Terrier x Mopshond*)

Chiweenie (Chihuahua x Teckel)

Maltipoo (Maltezer x Poedel)

Puggle (Mopshond x Beagle)

Yorkinese (Yorkshire Terrier x Pekingees)

En zo kan ik dus nog wel een tijdje doorgaan. U vraagt zich nu misschien (terecht) af waarom het nodig is deze kruisingen te creëren terwijl er al zoveel honden op de aarde rondlopen. De (Australische) Labradoodle is nog met een bepaald werkdoel gefokt, namelijk het creëren van een geschikte hulphond voor mensen met een allergie. Met welk doel de modernere designer hondjes worden gefokt, is wat onduidelijker. Het is echter niet moeilijk te bedenken dat het in veel gevallen om een zo hoog mogelijk schattigheids-gehalte gaat. Daarnaast vinden veel mensen het eenvoudigweg buitengewoon interessant om met zo’n nieuw soort hond rond te lopen en te pronken; het is immers toch wel iets aparts. Het duurde niet lang, of ook de broodfokkers kregen dit in de gaten en speelden hier direct op in. De prijzen die tegenwoordig voor dit soort pups worden gevraagd zijn buitensporig hoog. Vaak kost een pup nog meer dan de prijs die er doorgaans voor een hond van het ras van de ouderdieren wordt neergeteld. Dit draagt alleen maar bij aan het idee dat er iets heel bijzonders wordt aangeschaft. Deze ‘fokkers’ hebben de mooiste verkooptrucs; zo wordt er wel gesproken over ‘raszuivere kruisingen’. Als u even wat beter leest en nadenkt over deze zin, zult u inzien dat er niet zoiets bestaat als een raszuivere kruising. Verder wijzen ze er graag op dat de pups de ‘beste/leukste eigenschappen van beide ouders’ in zich dragen, zoals de speelsheid van een Labrador en de intelligentie van de Poedel. Dit is ook complete onzin. Erfelijkheid werkt op een willekeurige manier dus het is net zo goed mogelijk dat de pups de slechtste eigenschappen van beide ouders overnemen!

Heterosis

De wat serieuzere fokkers die twee rashonden kruisen om een eerste generatie ‘hybride’ nakomelingen te krijgen, geloven dikwijls in het heterosiseffect of hybride groeikracht (in het Engels: hybrid vigor). Dit is vrij ingewikkelde genetische materie maar kort gezegd heeft het betrekking op het effect dat de nakomeling het gemiddelde van een of meer eigenschappen van de beide ouders overtreft. Dit effect kan zowel bij planten als dieren voorkomen. In het geval van de hond betekent het dat men ervan uitgaat dat dat de nakomelingen van twee onderling gekruiste rashonden sterker en gezonder zullen zijn dan (het ras van) hun ouders. Naarmate er meer generaties volgen, zal de hybride groeikracht afnemen en de gezondheidsproblemen toenemen. De eerste generatie zou dus dikwijls het ‘gezondst’ zijn. Het idee dat kruisingen sterker zijn dan rashonden is natuurlijk niet nieuw en het bevat absoluut een kern van waarheid. Genetische variatie is in principe goed voor alle soorten. Het verkleint immers de kans op erfelijke aandoeningen en ziektes.

Een recent Amerikaans onderzoek werpt een iets ander licht op de zaak. Hieruit blijkt namelijk dat rashonden niet per se een hogere kans hoeven te hebben op genetische afwijkingen. In dit onderzoek, uitgevoerd aan de Universiteit van Californië van 1995 tot 2010, werden 90.000 honden onderzocht. Van 27.254 honden werd uiteindelijk vastgesteld dat zij een erfelijke aandoening hadden. Om precies te zijn, hadden zij elk één of meer van vierentwintig genetische aandoeningen. Hiervan kwamen er ongeveer dertien (waaronder kanker, heupdysplasie en patella luxatie) even vaak voor bij de rashonden als bij de kruisingen. Tien aandoeningen kwamen vaker voor bij de rashonden en één vaker bij de kruisingen. Volgens de onderzoekers laat deze studie zien dat de mate waarin een bepaalde afwijking zich voordoet vooral afhankelijk is van de specifieke aandoening zelf en niet zozeer van het wel of niet raszuiver zijn van de hond. Bedenk daarnaast dat een algemeen voorkomende aandoening als, bijvoorbeeld, heupdysplasie net zo goed kan worden doorgegeven aan de nakomelingen van twee rassen die daar vatbaar voor zijn als aan de nakomelingen van één van die rassen.

Er zijn ook mensen die vinden dat je bij het kruisen van honden juist een grotere kans op erfelijke aandoeningen hebt omdat fokkers vaak veel minder ervaren zijn en omdat er niet zoveel getest wordt op afwijkingen als bij rashonden. Tevens is het veel lastiger voorspellingen te doen over het uiterlijk of het karakter van de nakomelingen. Natuurlijk kan je wel kijken naar de eigenschappen van de ouderdieren en daar bepaalde dingen uit afleiden, maar de genetica zit helaas niet zo simpel in elkaar dat we kunnen zeggen dat een nakomeling precies 50% van alle kenmerken van iedere ouder zal overnemen en – belangrijker nog – zal uiten. Desalniettemin is het toch heel belangrijk dat men zich verdiept in de raskenmerken van de ouders. Als zij bijvoorbeeld allebei behoren tot de rasgroep van de herdershonden, zullen de nakomelingen natuurlijk wel herderachtige eigenschappen vertonen. Het individuele karakter van de beide ouders kan eventueel ook nog een indicatie zijn, al blijft het doen van concrete voorspellingen veel moeilijker dan bij ‘gewone’ rashonden. Geen enkele kruising is hetzelfde en de nakomelingen kunnen zelfs onderling enorm van elkaar verschillen. Het bij elkaar zetten van een paar rassen is dan ook geen zaak waar men al te licht over moet denken. Dit dient altijd uitermate zorgvuldig te gebeuren. Voorstanders van designer honden wijzen er graag op dat alle bestaande hondenrassen oorspronkelijk ontstaan zijn uit kruisingen en dat deze praktijken daarom volstrekt normaal zijn. Maar het creëren van een nieuw ras bestaat wel uit heel wat meer dan simpelweg het kruisen van twee hondenrassen. Of een nieuw type hond uiteindelijk als een ras erkend zal worden hangt van vele factoren af.

Of u nu kiest voor een rashond of voor zo’n hippe kruising; ga op zoek naar een betrouwbare fokker en zorg dat u uw pup nooit bij een broodfokker aanschaft!

 

* Een Mopshond wordt ook wel Pug genoemd

 

P1240591

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Van Groot naar Klein; is een Chihuahua niet klein genoeg?

24 Mar

Het lijkt een tendens te worden om bestaande rassen van normaal formaat op dusdanige wijze te fokken dat zij steeds kleiner worden; de toy’s en de mini’s worden steeds populairder. Er zijn nu zelfs zogenaamde ‘Teacup’ hondjes te koop, al blijkt daar wel heel veel mis mee te zijn. Tevens wordt het fokken van deze teacups in direct verband gebracht met een hele nare vorm van broodfok. Hoe zit het dan eigenlijk met de gezondheid van de toy en de mini? En wat is nu precies het verschil tussen deze verschillende ras-verkleiningen?

Tijdens mijn zoektocht naar meer informatie over dit onderwerp kwam ik veel tegenstrijdige zaken tegen; de één beweert zus, de ander zo. Ik heb getracht in dit artikel een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld te schetsen. Zeker in het kader van de gezondheid van deze kleine dieren is het belangrijk om erachter te komen in hoeverre het kleiner fokken negatieve gevolgen heeft.

Om te beginnen zal ik wat misverstanden omtrent het begrip ‘Toy’ uit de weg proberen te nemen. Deze term heeft betrekking op verschillende types honden maar er wordt altijd een (zeer) kleine hond mee bedoelt. De American Kennel Club (AKC) heeft de bestaande rassen – net als andere kynologische organisaties – ingedeeld in verschillende rasgroepen, waarvan de ‘toy group’ er één is. Deze groep komt voor een groot deel overeen met de rasgroep ‘gezelschapshonden’ van de Raad van Beheer. In deze groepen zitten dus rashonden die van nature (hoewel dit natuurlijk ook een rekbaar begrip is) erg klein zijn. Op de website van de Raad van Beheer staat over deze honden onder andere het volgende: “….ze willen de mens plezieren als aangenaam gezelschap. De meeste mensen willen gewoon een leuke kameraad. Gezelschapshonden zijn specialisten op dat gebied. Ze zijn allemaal van bescheiden afmetingen. Hun karakter daarentegen is vaak groots.” Enkele voorbeelden van honden die in deze groep voorkomen zijn de Bolognezer, de Boston Terrier, de Chihuahua, de Mopshond, de Pekingees, de Shih Tzu, de Lhasa Apso, het Markiesje en de Toypoedel. In het laatste geval is ‘toy’ dus niets meer dan een benaming voor een klein formaat poedel; deze hondjes wegen ongeveer 3 tot 6 kilogram en worden gemiddeld 25 centimeter hoog.

Kleine honden zijn altijd al populair geweest; in vroeger tijden werden zij alleen gehouden door de allerrijksten en werden zij aldus gezien als statussymbool(tjes). Oorspronkelijk zijn zij dan ook ontwikkeld door de aristocratie. De kans is groot dat u op oude schilderijen of tekeningen wel eens een belangrijke vorst of vorstin afgebeeld heeft zien staan met een klein hondje op schoot. Het behoeft geen uitleg dat deze kleine diertjes vaak schandalig werden verwend.

Tot op de dag van vandaag lijkt men een zwak te hebben voor honden van bescheiden formaat. Hoe kleiner, hoe fijner. Vanzelfsprekend speelt de markt hier handig op in; er zijn allerlei speciale tasjes, jasjes, buggy’s, kledingstukken en sieraden verkrijgbaar voor de allerkleinste (mode)hond. Het is alsof sommige hondjes worden gezien als kind dat voor eeuwig in de babytijd is blijven hangen. Men lijkt haast wel op zoek te zijn naar een vervanging voor de poppen, Barbies en My Little Ponies waar we vroeger zo dikwijls mee speelden. Sommige mensen zien deze dieren geeneens meer als de gewone honden die zij toch echt nog zijn; er zijn bijvoorbeeld genoeg die hun Chihuahua voor het gemak leren hun behoefte op de kattenbak te doen zodat zij niet met deze hondjes naar buiten hoeven voor een wandeling.

Mini Aussie
Dit verschijnsel is ook binnen de fokkerswereld niet onopgemerkt gebleven, al zijn er ook rassen die op min of meer natuurlijke wijze een kleiner familielid erbij hebben gekregen. Zo is er bijvoorbeeld de Mini Australian Shepherd, ook wel Mini Aussie of Noord Amerikaanse Shepherd genoemd. De Mini Aussie is dus geen nieuw ras maar een variëteit van de al bestaande Australian Shepherd. Hij behoort hetzelfde bloed en hetzelfde DNA als zijn grotere broer te hebben; het is dezelfde hond in een kleinere verpakking. Hij wordt overigens niet erkend als een op zichzelf staand ras, al worden er in Amerika wel pogingen ondernomen om dit wel voor elkaar te krijgen. De Mini Aussie is eigenlijk bij toeval ontstaan; in de nesten van de standaard Aussie kwamen zo nu en dan kleinere pups voor. De eigenaren hadden hier geen problemen mee, aangezien zij de honden voor het werk hadden en dus meer selecteerden op de werkeigenschappen dan op formaat of uiterlijk. Later ging men zich uit praktische overwegingen wat meer toeleggen op het fokken met de kleinere exemplaren. Deze honden werden uiteindelijk gemakshalve Mini Aussie genoemd.
De Mini Aussie kan wat gezondheid betreft dezelfde problemen kan hebben als zijn grote broer. Het ‘ras’ is dus niet zieker of ongezonder geworden!

De Designer Dog
Het alsmaar kleiner fokken lijkt gelijk te lopen met de opkomst van de ‘designer dog’. Deze hond is een kruising tussen twee zuivere hondenrassen; een trend die is komen overwaaien vanuit de Verenigde Staten. Zo bent u waarschijnlijk al wel bekend met de Labradoodle, een kruising tussen een Labrador en een Poedel. Er zijn echter nog vele, vele andere kruisingen bekend. Om maar een paar namen te noemen: Yorkipoo, Pomapoo, Cocker-A-Tzu, Rottador, Puggle, Shorkie, Schnoodle en Borderjack. Zelf had ik laatst het genoegen kennis te maken met een kruising tussen een Labrador en een Berner Sennen (Labernese of Boulab genoemd). Volgens de eigenaar had de fokker verteld dat deze kruisingen heel normaal waren en zeer dikwijls voorkwamen.
Overigens zijn deze ‘hybriden’ niet bepaald goedkoop. De meeste fokkers zijn zich heel goed bewust van de populariteit van deze trendy dieren en drijven de prijs het liefs zoveel mogelijk op. De honden worden veelal aangeprezen als de ideale gezinshond die het beste van beide ouders in zich verenigt, terwijl er in feite nog maar heel weinig bekend is over hoe de karakters zich daadwerkelijk ontwikkelen. Zij verenigen immers niet alleen de beste eigenschappen van hun ouders, maar ook de slechtste. Al zal men daar niet zo snel mee adverteren.
Natuurlijk zijn er ook verantwoordelijke fokkers die ervoor zorgen dat hun kruising zo min mogelijk gezondheidsproblemen kent en inderdaad een goed en betrouwbaar karakter ontwikkelt. Zij zoeken de ouderdieren zorgvuldig uit en testen deze op bepaalde afwijkingen. Er zijn echter teveel mensen die een slaatje willen slaan uit dit modeverschijnsel, met alle gevolgen van dien.

Teacup en consorten
Zoals gezegd loopt de opkomst van de designer dog min of meer gelijk met de trend om van een bestaand ras steeds kleinere exemplaren te fokken. Zolang er vraag is naar een bepaalde hond, zullen mensen proberen daaraan te voldoen. En ja, er is nu eenmaal vraag naar mini’s, toy’s en teacups. U leest het goed: teacups. Alsof het allemaal al nog niet klein genoeg was, schijnen er nu zelfs hondjes gefokt te worden die zo klein zijn dat ze in een theekopje passen. Helaas zijn deze diertjes vaak het slachtoffer van een ernstige vorm van broodfok; ze zijn prematuur geboren en hebben allerlei gezondheidsproblemen zoals waterhoofdjes, open fontanelletjes, uitpuilende darmen, problemen met de bloedsuikerspiegel, dunne en zwakke botjes, enzovoort. Er wordt zelfs beweerd dat zij voor de verkoop wat suikerwater krijgen toegediend om ze wat energieker te doen lijken. Eenmaal thuis aangekomen, beginnen dan de echte problemen. De levensverwachting van deze diertjes bedraagt slechts drie tot vier jaar. De kans dat de moederhond de bevalling niet overleeft als zij minder weegt dan twee kilo is overigens ook nog eens zeer groot.

De echte teacup komt gelukkig (nog?) niet zo veel voor. Soms is het gewoon een marketing truc van de betreffende fokker; het label ‘teacup’ trekt immers toch een hoop mensen aan. Op sommige websites wordt het bestaan van de teacup zelfs helemaal ontkend maar na het doorspitten van alle informatie ontkom ik niet aan de indruk dat er echt mensen zijn die honden op deze manier fokken. Dit gebeurt dan dikwijls in de zogenaamde puppyfabrieken of in een schuurtje achteraf. Te schandalig voor woorden. Aan de mensen die de aanschaf van een dergelijk hondje serieus overwegen, zou ik graag eens willen vragen: “Is een Chihuahua nu echt nog niet klein genoeg?”

Ik kan helaas niet anders dan concluderen dat ook de zogenaamde toy’s en mini’s eigenlijk niets meer zijn dan onnatuurlijke verkleiningen – en in het geval van de teacup verdwergingen – van een bestaand ras. Ik heb het hier dus niet over de officieel erkende rassen zoals de Toypoedel maar echt over de honden die deze termen lukraak voor hun normale rasnaam geplakt krijgen. De honden die op natuurlijke wijze verkleind zijn, zoals de hierboven beschreven Mini Aussie, vormen hierop in principe een uitzondering. Ik gebruik hier heel bewust de woorden ‘in principe’ omdat er ook bij dit ‘ras’ fokkers zijn die het allemaal niet zo nauw nemen. De meeste websites zien er ontzettend betrouwbaar uit en de verhalen die erop staan, spreken vaak enorm tot de verbeelding. Achter de schermen kan het er echter heel anders aan toe gaan; om een lekkere kleine Aussie te krijgen, wordt er simpelweg Papillon (vlinderhondje) of Chihuahua ingekruist.
Over het algemeen geldt hetzelfde voor de vele andere verkleiningen die er op de markt zijn, of dat nu een toy of een mini is (een toy is meestal weer iets kleiner dan een mini). Al zijn er, nogmaals, heus wel goede en betrouwbare fokkers. Het is daarom heel belangrijk dat u zich goed oriënteert voor u besluit een dergelijke hond aan te schaffen. Daarbij moet u zich misschien bedenken of u niet beter voor een zuiver ras kunt kiezen dat van nature klein van stuk is.

Gezondheid
De gezondheid van deze kleine dieren laat door slechte fokkerspraktijken nog al eens te wensen over. Door het inkruisen van verschillende rassen en het fokken met de allerkleinsten – en vaak zwaksten – ontstaan er allerlei problemen waarvan ik er hierboven al enkele beschreven heb. Denk echter ook aan te bolle ogen, te kleine hoofden in verhouding tot de hersenen, geboorteproblemen, patella luxatie (loszittende knieschijf), hypoglycemie (glucose tekort), hartruis, gebitsproblemen, vergroeiingen, Portosystemische Shunt (PSS), dichtgeklapte luchtpijp en andere luchtwegaandoeningen. Deze problemen komen in meer of mindere mate ook voor bij de normale toy rassen; de rassen in de groep ‘gezelschapshonden’. Naarmate men de honden kleiner fokt, zullen de problemen zich echter ophopen en verergeren.
Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, zijn deze kleine diertjes ook nog eens erg fragiel en breekbaar. Ik denk dat u zich wel kan bedenken wat er gebeurt als zo’n hondje van de bank valt, of als er een kind bovenop duikt.

Wees wijs en denk goed na voor u verliefd wordt op zo’n schattig klein hondje. En als het dan toch moet, kies de fokker dan met zeer veel zorg uit.

“Hoe kleiner hoe fijner?” Lang niet altijd.

Mini Aussie

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Sijke de Vries

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Hondentuig of Halsband?

17 Jan

Er zijn tegenwoordig zoveel verschillende halsbanden en tuigen voor de hond dat je soms door de bomen het bos niet meer ziet. Het is natuurlijk wél heel leuk, al die kleurtjes, materialen en decoraties; er is werkelijk voor ieder wat wils (al is het de vraag of de honden daar hetzelfde over denken). Qua populariteit lijkt het hondentuig een voorsprong te nemen; steeds meer mensen kiezen voor een borsttuig in plaats van een halsband. Is hier nu sprake van een modetrend en is uiterlijk belangrijker geworden dan functionaliteit, of speelt er misschien meer mee? Zou het sowieso beter zijn een tuig te gebruiken dan een halsband?

De halsband geniet al heel lang grote populariteit en wordt het meest gebruikt tijdens het trainen of uitlaten van de hond. Hierbij is het trekken aan de lijn echter een vervelend en veelvoorkomend probleem. Het is niet alleen belastend voor de eigenaar maar ook voor de hond zelf, denk bijvoorbeeld alleen al aan de druk op de luchtpijp die hierdoor ontstaat. Het is dan ook niet echt verwonderlijk dat een tuig ook op het gebied van de gezondheid en de lichamelijke gesteldheid toch een behoorlijke voorkeur lijkt te genieten. Een goed zittend (!) borsttuig ontlast de halswervelkolom enorm en indien het nodig is om druk uit te oefenen wordt deze in ieder geval evenredig verdeeld over de gehele borstkas.

Er wordt dikwijls beweerd dat een tuig het trekken aan de lijn juist in de hand werkt. In de praktijk blijkt dit echter reuze mee te vallen. Of men nu een tuig of een halsband gebruikt; er zal altijd goed getraind moeten worden op het niet trekken aan de lijn! Daarnaast zijn sommigen juist van mening dat een hond met een borsttuig in feite makkelijker in te tomen is vanwege het verlegde zwaartepunt. Tot slot wordt ook wel opgemerkt dat een borsttuig de hond meer het gevoel van vrij lopen geeft en dat hij daardoor beter in staat is met andere honden te “communiceren”. Dit zou het uitvallen aan de lijn tegengaan.

Effect op de oogdruk

In 2006 is er een zeer interessant onderzoek verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift “Journal of the American Animal Hospital Association” getiteld “Effects of the Application of Neck Pressure by a Collar of Harness on Intraocular Pressure”. Hierin werd er gekeken naar de gevolgen die het gebruik van een tuig of halsband hadden op de intra-oculaire druk van de holte achter het oog. Om het lezen te vergemakkelijken, zal ik het vanaf hier over ‘oogdruk’ hebben. In eerste instantie klinkt het misschien een beetje raar dat een halsband of tuig effect kan hebben op de druk in het oog, maar als je er wat langer over nadenkt, is het eigenlijk helemaal zo gek nog niet; als een hond flink trekt, wordt de nek immers flink belast en dit heeft vervolgens weer effect op andere lichaamsdelen, waaronder dus de ogen. De hypothese van de onderzoekers was dat het gebruik van een tuig een kleinere verhoging in de oogdruk tot gevolg zou hebben dan een halsband.

Totaal werden er 26 honden (dus 51 ogen) getest. De samenstelling was als volgt: 12 Alaskan Malamutes, 8 Siberische Husky’s, 4 Amerikaanse Staffordshire Terriers, 1 Amerikaanse Cocker Spaniel en 1 Chinook. Er deden 13 reuen en 13 teven mee, de leeftijden varieerden van 1 tot 8,5 jaar en de gewichten van 13 tot 52 kilo. Elke hond was eerder getraind om op commando aan een touw te trekken als voorbereiding op het trekken van een slee. De halsbanden en tuigen voor iedere hond werden eerst zorgvuldig uitgezocht en gepast. Er werden geen sliphalsbanden of slipkettingen gebruikt. De verdere technische aspecten en details zijn misschien niet zo heel interessant om te vermelden, daarom zal ik direct doorgaan naar de conclusies van het onderzoek. Deze zijn veelzeggend en misschien zelfs opzienbarend: de oogdruk week significant van het basisniveau af wanneer er druk op de nek werd uitgeoefend via een aan de halsband bevestigde lijn. Dit was echter niet het geval wanneer de lijn vast zat aan het tuig! Op basis van deze resultaten raden de onderzoekers aan geen halsband te gebruiken bij honden die zwakke of dunne hoornvliezen hebben, glaucoom (‘groene staar’) hebben, of enige andere aandoening waarbij een verhoogde oogdruk schadelijke gevolgen kan hebben. Dit geldt vooral tijdens actieve en sportieve bezigheden.

Een ander opmerkelijk resultaat heeft te maken met de ontdekking dat enkele van de honden die specifiek waren gefokt om objecten te trekken iets beter bestand leken te zijn tegen een verhoging in de oogdruk. Bij een paar van de Siberische Husky’s bleek de druk zelfs iets af te nemen! Volgens de onderzoekers zou dit te maken kunnen hebben met de houding die dit soort honden aannemen op het moment dat zij iets moeten gaan trekken (of wanneer er aan hen getrokken wordt via een lijn); de Alaskan Malamutes en Husky’s verlagen vaak hun hele lichaam. Daarbij lijken zij zich ook daadwerkelijk schrap te zetten en hun schouders als het ware voor te bereiden op de komende taak.

Dit soort onderzoeksresultaten laten ons zien dat het best belangrijk is dat we goed nadenken over de keuze voor een tuig of een halsband. Enkele andere medische aandoeningen en aspecten waar we in dit kader rekening mee moeten houden zijn: nekhernia, Chiari-lijkende malformatie (aangeboren afwijkende ligging van de hersenen, zoals wel bij de Cavalier King Charles Spaniel voorkomt), ingeklapte luchtpijp, Wobbler Syndroom en hydrocefalus (water op de hersenen of waterhoofd). Maar denk bijvoorbeeld ook aan chondrodystrofe rassen; honden die bewust zijn gefokt op de eigenschap van dwerggroei, zoals de Franse Bulldog. In al deze gevallen kan men beter een tuig te gebruiken.

Indien u besluit voor een borsttuig te kiezen, let er dan op dat deze goed past. Het tuig moet als geheel bij het postuur van de hond passen zonder dat de riemen te breed lijken of dat het een idee van een rolmops oproept. Tijdens het wandelen mag het tuig niet schuren of irriteren; het mag dus niet te strak zitten. Te los is echter ook weer niet goed omdat de poten van de hond er tijdens het lopen in verstrengeld zouden kunnen raken.

Dus bedenk ten alle tijden: het uiterlijk is leuk en belangrijk, maar comfort, veiligheid en gezondheid staan absoluut voorop!

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Imitatie bij Honden. Apen honden ons na?

17 Jan

 

Imitatie is een lastig en controversieel begrip. Voor sommigen is het niets meer dan een simpel trucje waarmee iemand bij het oplossen van een probleem tijd en energie kan besparen door de oplossing af te kijken en te ‘stelen’ van een meer ervaren iemand. Voor anderen is imitatie een van de meest ontwikkelde cognitieve vermogens; een toeschouwer of waarnemer verzamelt informatie over nieuwe technieken terwijl hij op hetzelfde moment allerlei afwegingen moet maken over de effectiviteit van de methodes die hij observeert, de beperkingen die een bepaalde situatie met zich meebrengt én de intenties en het doel van degene die de handelingen uitvoert.

Het maakt het beantwoorden van de vraag of dieren ook beschikken over het vermogen om te imiteren er niet makkelijker op. Daarnaast zijn er vaak alternatieve verklaringen te geven voor gedrag dat in eerste instantie als imitatie benoemd wordt. Hoe het ook precies gedefinieerd wordt, ware imitatie duidt wel degelijk op een goed ontwikkeld cognitief vermogen. Wij denken er vaak niet zoveel over na omdat het voor ons heel natuurlijk is om anderen te imiteren, we doen het eigenlijk automatisch. Toch is het echt niet zo simpel als het lijkt. Het vereist namelijk niet alleen het observeren van andermans gedrag maar ook het vertalen en kopiëren hiervan naar het eigen gedrag, oftewel het omzetten van handelingen van anderen in eigen handelingen. Bijvoorbeeld: bij het observeren van iemand die een potlood oppakt, moet je brein in staat zijn om de connectie te maken tussen zijn arm en jouw arm. Anders gezegd, je moet een idee hebben van het concept ‘arm’. Dit is niet iets dat voor veel dieren vanzelfsprekend is of deel uitmaakt van het al aanwezige, natuurlijke gedragsrepertoire. Gelukkig zijn er op het gebied van het imitatievermogen van de hond verschillende interessante onderzoeken gedaan, waardoor het mogelijk is daar in ieder geval enkele uitspraken over te doen.

In dit artikel gaat het vooral om het vermogen van de hond om mensen te imiteren. Dat honden elkaar imiteren, staat eigenlijk wel vast, al is dit natuurlijk wel weer afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt. Een vorm van het imiteren van soortgenoten is leren door observatie of ‘sociaal leren’. Denk bijvoorbeeld aan een pup die bepaalde dingen leert door het gedrag van een volwassen, meer ervaren hond te observeren en vervolgens te imiteren. Ook tijdens het onderlinge spel van honden kan men allerlei vormen van imitatie waarnemen, zoals het gebruik van de spelboog. Op die manier is imitatie dus eigenlijk een heel nuttig mechanisme; het maakt dat een hond zich succesvol aanpast aan zijn omgeving. In het wild is dit zelfs een belangrijke overlevingsstrategie omdat een dier niet eerst zelf allerlei gedragingen hoeft uit te proberen (‘trial and error’) en zo veel risico loopt gewond te raken of te overlijden. Er is nog niet zo heel veel onderzoek gedaan naar de manieren waarop honden mensen imiteren maar het is in dit kader zeker de moeite waard om iets te vertellen over de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd door, onder anderen, de Hongaarse etholoog Ádám Miklósi. Hierbij werd er zelfs gekeken of een hond in staat is het concept imitatie te begrijpen. Hieronder zal duidelijk worden wat daarmee bedoeld wordt.

Samen met enkele andere wetenschappers werkte Miklósi met de vier jaar oude Tervuerense Herder Philip. Deze hond was vanaf een jonge leeftijd als hulphond opgeleid voor zijn gehandicapte eigenaar. Hij kon deuren open, voorwerpen op commando oppakken, lichten uit of aan doen, enzovoort. De onderzoekers vroegen zich af of hij deze handelingen niet alleen op commando kon uitvoeren maar ook nadat hij iemand anders zelf de handeling had zien uitvoeren. Zo trainde men hem bijvoorbeeld zich om te draaien als reactie op het draaien van de persoon die hij op dat moment observeerde. Op deze manier leerde Philip uiteindelijk negen verschillende handelingen uit te voeren die overeenkwamen met de gedragingen van de persoon waar hij mee aan het werk was. Deze negen acties waren: ‘Buig’, ‘Ga liggen’, ‘Spring erover’, ‘Draai om’, ‘Spring in de lucht’ (hierbij hoefde de hond alleen zijn voorpoten op te tillen), ‘Blaf’, ‘Doe de fles in de doos’, ‘Breng de fles naar eigenaar’ en ‘Beweeg een horizontaal geplaatste stok’. Aan het begin van elke trainingssessie werd de hond gevraagd te gaan zitten en naar de trainer te luisteren (‘Philip, let op’). Vervolgens voerde de trainer een van bovengenoemde handelingen uit, waarna de hond gevraagd werd deze handeling te imiteren door middel van het commando ‘Doe het!’. Na tien wekelijkse trainingssessies was Philip in staan om in 72% van de gevallen de gevraagde actie of handeling op correcte wijze te imiteren. Dit is een veel hoger percentage dan wat men alleen op basis van toeval zou verwachten.

Tevens werd er onderzocht wat de hond zou doen als hij een mens een nieuwe, volledig ongewone en ongetrainde handeling zag uitvoeren, zoals het duwen van een schommel, het gooien van een fles of het verplaatsen van een schoen. Ook hier leek Philip te begrijpen wat de bedoeling was en een idee te hebben van het concept imitatie. Hij wist zelfs zijn lichaam af te stemmen op dat van de mens; bij het weggooien van een fles gebruikte hij zijn mond (de mens had de hand gebruikt) en bij het duwen van de schommel gebruikte hij zijn snuit. Hiermee geeft hij aan de intentie, oftewel het doel van de handeling te begrijpen en bootst hij dus niet klakkeloos iets na. Natuurlijk zitten er wel wat haken en ogen aan dit soort experimenten, alleen al vanwege de problemen bij de definiëring van het begrip imitatie. Critici hebben er dan ook aardig wat kanttekeningen bij geplaatst. De resultaten suggereren echter dat honden ten minste een basisbegrip hebben van het concept imitatie maar toekomstig onderzoek zal hopelijk meer duidelijkheid brengen. Ádám Miklósi zal volgend jaar in ieder geval met nieuwe resultaten naar buiten komen!

Speciale zenuwcellen in ons brein lijken een belangrijke rol te spelen bij het vermogen om te imiteren. Deze ‘spiegelneuronen’ – in 1996 bij toeval ontdekt – zijn niet alleen actief als we een bepaalde handeling uitvoeren maar ook als we een ander dezelfde handeling alleen maar zien uitvoeren! Bij mensen zijn deze neuronen belangrijk bij het begrijpen van de intenties van anderen en bij het voelen van empathie, ze hebben dus een sterke sociale functie. Ook in het apenbrein zijn spiegelneuronen aanwezig. Hoe dit precies bij honden zit, is helaas nog niet bekend al zijn de experts van mening dat zij tenminste over een elementair systeem van spiegelneuronen moeten beschikken. De toekomst zal ons ongetwijfeld leren in hoeverre dit systeem overeenkomt met dat van de mens.

Verder lezen:

Onderzoek Miklósi: J. Topal, R.W. Byrne, A. Miklósi, V. Csányi, ‘Reproducing human actions and action sequences: “Do as I Do!” in a dog’. Animal Cognition, 9, 355-367, 2006

P1210730

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Het Hondenoog; evolutie en constructie

13 Dec

De ogen van de hond roepen dikwijls vertedering op en geven aanleiding tot poëtische overpeinzingen. Zo zouden de ziel en de trouw van de hond weerspiegeld worden in zijn ogen en volgens sommigen is het hondenoog zelfs een spiegel van onze eigen, menselijke ziel. Ook het feit dat een schilderij of tekening van je trouwe kameraad pas echt ‘af’ is als de oogopslag op de juiste manier is weergegeven, is een voorbeeld van het bijzondere karakter van het oog. Daarnaast moet het mogelijk zijn de emotionele gemoedstoestand van de hond af te lezen aan de blik in zijn ogen. Er worden niet voor niets termen als ‘lief’, ‘smekend’, ‘blij’ en ‘droevig’ aan toegeschreven. Voor velen is het moeilijk deze blikken te weerstaan; ikzelf smelt in ieder geval regelmatig weg als ik in de schitterende bruine kijkers van mijn eigen honden staar. Soms lijkt het wel of we via de ogen een glimp op kunnen vangen van de betoverende, geheimzinnige wereld die er achter verborgen ligt.

Door ons op een bepaalde manier aan te kijken of door intens naar een gewild voorwerp te staren, kunnen honden ons bovendien hun bedoelingen duidelijk maken. Het blijft natuurlijk moeilijk te bepalen wat de hond precies denkt als hij ons op deze manier aankijkt. Maar dankzij de nieuwste wetenschappelijk ontwikkelingen is er inmiddels wel heel wat te vertellen over wat hij precies ziet. We weten bijvoorbeeld dat honden minder visueel ingesteld zijn dan de mens. De meeste informatie vergaren zij immers via de neus; de reukzin is dan ook hun belangrijkste zintuig. Toch mogen we de rol die hun gezichtsvermogen speelt zeker niet onderschatten. Honden kunnen namelijk best goed zien! Iedereen die wel eens heeft gezien hoe een hond een bal of ander speeltje uit de lucht vangt, zal dat beamen.

Evolutie van het oog

Uit onderzoek blijkt dat de ogen van de hond tenminste twee belangrijke functies vervullen; zij worden gebruikt om ons te zien en om andere zintuigen aan te vullen. Om wat meer te begrijpen van de evolutionaire ontwikkeling van het oog moeten we terug naar de wilde voorouder van de hond: de wolf. De reden dat wolven een bepaalde anatomische oogstructuur hebben ontwikkeld, is eigenlijk heel eenvoudig. Zij moesten zelf achter hun eten aan en aangezien dit eten de hoogst merkwaardige neiging had er vandoor te gaan, was het wel zo handig als ze tijdens de jacht hun prooi in het oog konden houden.

Het hondenoog zit qua structuur niet zo heel anders in elkaar dan een mensenoog. Er zijn echter ook enkele duidelijke verschillen. Ten eerste is de pupil van het hondenoog een stuk groter dan die van het mensenoog. Hierdoor kan er veel meer licht in het oog worden opgevangen. Dit gaat echter wel ten koste van de scherptediepte. Concreet betekent dit dat de hond in het schemerlicht beter ziet dan de mens (want hij vangt meer licht op via zijn ogen), maar specifieke objecten ziet hij minder scherp.

Kegeltjes en Staafjes

In de ogen van mensen en honden dienen twee onderdelen als lens: de cornea (hoornvlies) en de kristallens. Het grootste gedeelte van het licht wat door de kristallens en de pupil heen valt, wordt opgevangen door het netvlies waar uiteindelijk een beeld gevormd wordt. Op het netvlies vindt men vele miljoenen lichtgevoelige cellen, fotoreceptoren genoemd. Deze receptoren (‘ontvangertjes’) komen voor in twee vormen: de lange, smalle ‘staafjes’ en de dikkere ‘kegeltjes’. In het netvlies van het hondenoog zijn veel meer staafjes aanwezig dan in het menselijk oog. Staafjes functioneren het beste bij een lage lichtintensiteit; zij maken het mogelijk dat er in donkere situaties nog iets te zien is en hebben als het ware minder licht nodig om een signaal aan de hersenen door te geven. Tevens zorgen zij voor de waarneming van grijstinten, in tegenstelling tot de veel minder lichtgevoelige kegeltjes die zorgen voor het waarnemen van kleuren. Daarnaast maken de kegeltjes het mogelijk om scherper te zien en veranderingen in het beeld sneller waar te nemen.

Een Schitterend Tapijt

In het oog van honden, en andere gewervelde dieren die ‘s nachts actief zijn, zit achter het netvlies een speciale reflecterende weefsellaag die het invallende licht terugkaatst en het bestaande licht versterkt: het Tapetum Lucidum (‘schitterend tapijt’ of ‘tapijt van licht’). Bij mensen is deze structuur afwezig en daarmee is het nog eens een extra verklaring voor het feit dat honden in de schemering veel beter kunnen zien dan wij. Het zorgt ervoor dat het oog als het ware een tweede kans krijgt om invallende lichtstralen waar te nemen door deze stralen direct terug te kaatsen via de cellen van het netvlies. Sommige zenuwen worden op die manier dus dubbel gestimuleerd. Het bijkomend effect van de weerkaatsing van het tapetum lucidum is dat de ogen van hond geel- of groenachtig opgloeien als er sterk licht opvalt, zoals het flitslicht van een camera.

Aardig om te vermelden is dat sommige poolhondenrassen, zoals Husky’s, soms geen tapetum lucidum hebben. Het gaat dan voornamelijk om de honden met blauwe ogen. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat de oorspronkelijke omgeving van deze honden het grootste gedeelte van het jaar met sneeuw bedekt is waardoor het aanwezige licht van nature gereflecteerd wordt.

Kleurenblind?

Vroeger werd er gedacht dat honden kleurenblind zijn en alleen zwart en wit kunnen zien. Maar honden zien wel degelijk kleur! Zij zien alleen minder kleuren dan wij en ook is de intensiteit van de kleuren minder. Om kleuren te kunnen zien, moeten er in het oog niet alleen kegeltjes voorkomen, maar ook verschillende soorten kegeltjes. Het menselijke oog beschikt over drie verschillende types: kegeltjes die gevoelig zijn voor oranje, groen en blauw. Als iemand kleurenblind is, is het heel waarschijnlijk dat er bij hem of haar één van deze drie soorten kegeltjes ontbreekt.

Het oog van de hond heeft ‘maar’ twee verschillende soorten kegeltjes; de groene en de blauwe. Het gevolg hiervan is dat honden nagenoeg geen onderscheid kunnen maken tussen kleuren als rood, geel en oranje. Eigenlijk zien ze maar twee kleuren. Vanuit evolutionair perspectief is dit een soort compromis voor het feit dat er verhoudingsgewijs veel meer staafjes voorkomen op hun netvlies. Omdat er op het netvlies maar een beperkte hoeveelheid ruimte beschikbaar is voor zenuwcellen, moest het dier als het ware ´kiezen´ tussen staafjes en kegeltjes. En om als roofdier ´s nachts actief te kunnen zijn, was het noodzakelijk dat er zich meer staafjes dan kegeltjes ontwikkelden.

Bewegende Beelden

Uit het voorgaande hebben we reeds kunnen opmaken dat het voor een hond nagenoeg onmogelijk is een rode bal op het groene gras waar te nemen, aangezien zij geen verschil zien tussen deze kleuren. Rood zien zij vermoedelijk als een soort vale tint groen. Hoe komt het dan dat  kleur niet uit lijkt te maken op het moment dat zij met het grootste gemak een bal uit de lucht vangen? Dit heeft, zoals u wellicht al vermoedt, voornamelijk met beweging te maken. De ogen van honden schijnen zeer gevoelig te zijn voor veranderingen in de omgeving. Dit is evolutionair gezien wederom begrijpelijk; voor een ‘jager’ is het heel belangrijk een kleine beweging in zijn omgeving op te merken en op basis van de vorm en het bewegingspatroon een inschatting te maken over wat dit voorwerp zou kunnen zijn.

Het proces wat hier een rol bij speelt, heet flicker fusion. Dit zou je kunnen omschrijven als het aantal keren per seconde dat het oog een ‘foto’ van de wereld maakt. Bij honden ligt het flicker fusion- tempo hoger dan bij de mens. Anders gezegd: honden kunnen het knipperen van licht beter waarnemen. In de tijd dat een cel het licht vanuit de buitenwereld verwerkt, kan hij namelijk tijdelijk geen ander licht ontvangen. Aangezien het tempo hoger ligt bij de hond, zijn deze cellen in staat meer binnenkomend licht te verwerken. Daarom zijn honden meestal ook niet erg geïnteresseerd in televisie kijken; vermoedelijk zien zij continu een flikkerend beeld.

Ruimtelijk zien 

Een laatste verschil tussen honden- en mensenogen heeft betrekking op het bereik, of liever gezegd de grootte van het gezichtsveld. De ogen van de mens staan naar voren gericht terwijl de ogen van de hond juist meer aan de zijkanten van zijn hoofd geplaatst zijn. Hierdoor bedraagt het gezichtsveld van de mens ongeveer 200 graden en dat van de hond 240 graden. De hond is door de plaatsing van de ogen namelijk in staat dingen die aan de zijkant (en enigszins aan de achterkant) van zijn hoofd gebeuren, waar te nemen.

Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de vorm van het hondenhoofd een aanzienlijke rol speelt; bij honden met een platte snuit staan de ogen bijvoorbeeld meer naar voren gericht zodat het bereik van hun gezichtsveld niet veel groter is dan dat van de mens. Oftewel: hoe korter de neus, hoe kleiner het visuele bereik.

Skye1

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Het Probleemoplossend Vermogen van de Hond

28 Nov

Er wordt algemeen aangenomen dat het vermogen om problemen op te lossen een onderdeel is van de normale intelligentie. En dat honden intelligent zijn, dat weten we natuurlijk allemaal. Toch is het interessant eens te kijken naar dit specifieke component; wat weten we er eigenlijk over en hoe kunnen we precies bepalen in hoeverre een hond beschikt over een, al dan niet goed ontwikkeld, probleemoplossend vermogen? Laat ik in het kader daarvan beginnen met een stukje geschiedenis, waaruit duidelijk zal worden welke valkuilen men kan tegenkomen als men onderzoek wil doen naar zaken als intelligentie of andere cognitieve vaardigheden.

Knappe Hans

Misschien heeft u al wel eens gehoord van het paard dat de geschiedenis is ingegaan als ‘Knappe Hans’ (Kluger Hans). Dit paard leefde aan het begin van de 20e eeuw in Duitsland. Hij werd beroemd omdat hij zou kunnen lezen, spellen en klokkijken én in staat zou zijn om rekensommen op te lossen. Het paard gaf antwoord op vragen van zijn eigenaar, Wilhelm von Osten, door met zijn hoofd te schudden of te knikken of door een aantal keer met zijn hoeven op de grond te stampen. Het hoofd van het Psychologisch Instituut van de Universiteit van Berlijn, professor Stumpf, liet hier onderzoek naar doen door een van zijn studenten, Oskar Pfungst. Pfungst was er al snel van overtuigd dat Knappe Hans niet echt kon lezen of rekenen maar dat hij in plaats daarvan reageerde op signalen uit de omgeving. Het probleem was op welke manier dat aangetoond kon worden. Pfungst stelde voor het paard te onderzoeken onder streng gecontroleerde condities. Tijdens die experimenten bleek dat Knappe Hans alleen het juiste antwoord gaf als zijn eigenaar zelf het juiste antwoord wist; de eigenaar gaf dus – volkomen onbewust – bepaalde signalen af via zijn lichaamstaal. Als het paard bijvoorbeeld tot zeven moest tellen, zag hij aan een subtiele verandering in de houding van zijn eigenaar wanneer hij moest stoppen met het stampen van zijn hoeven. Daarnaast bleken ook de lichaamstaal en gelaatsuitdrukkingen van de toeschouwers van grote invloed op het gedrag van het paard.

Aangezien men het verhaal in eerste instantie geloofd had, was het voor veel psychologen een indicatie dat er iets mis was met de ‘zachte wetenschap’ van die tijd . Edward L. Thorndike (1874-1949) nam hier als een van de eersten afstand van. Hij nam de stap om serieuze, gecontroleerde experimenten met dieren in laboratoria uit te voeren. Volgens Thorndike verliep het leerproces via een trial-and-error mechanisme, gevolgd door toevallig succes. Dit kon worden aangetoond in een ‘puzzel box’ door een hongerig dier, bijvoorbeeld een kat, zelf te laten ontdekken welke handeling uitgevoerd moest worden om voedsel te bemachtigen. In het begin probeerde het dier van alles en trok en beet overal aan. Middels dit gedrag zou het dier bij toeval uiteindelijk wel op de hefboom drukken of aan het touwtje trekken, waardoor er voedsel vrij kwam. Door dit een aantal keer te herhalen, werd het juiste gedrag bekrachtigd. Het gedrag werd verzwakt indien een bepaalde reactie niet leidde tot het gewenste effect. Zo toonde Thorndike aan, net als zijn Russische tijdgenoot Ivan Pavlov, dat het dier leerde een bepaalde respons aan een bepaalde stimulus te koppelen. Deze processen kennen wij nu als ‘conditionering’, waarbij Pavlov de ontdekker was van de klassieke conditionering (uitgelokt of reflexmatig gedrag) en Thorndike van de operante conditionering (willekeurig of voortgebracht gedrag).

Deze experimenten zorgden ervoor dat bewustzijn, emoties en andere cognitieve processen gaandeweg helemaal naar de achtergrond verdwenen. Er was geen ruimte meer voor enige vorm van subjectieve beleving. Datgene wat zich van binnen afspeelde werd verbannen naar de zogenoemde ‘black box’ en alle aandacht ging nu uit naar observeerbaar gedrag; het behaviorisme was geboren. Deze stroming bepaalde lange tijd de manier waarop er wetenschap werd bedreven. De zogeheten ‘cognitieve revolutie’, begonnen in de tweede helft van de vorige eeuw, heeft er echter toe geleid dat er momenteel weer volop onderzoek wordt gedaan naar de cognitieve processen en vermogens van dieren.

U snapt dat dit slechts de geschiedenis is in een notendop. Wat vooral belangrijk is om te onthouden aan dit verhaal is dat wetenschappers tegenwoordig erg op hun hoede moeten zijn voor het ‘Knappe Hans- effect’. Oftewel: men moet enorm uitkijken dat men niet onbewust bepaalde signalen afgeeft die het dier zouden kunnen beïnvloeden. De onderzoeksresultaten zouden hierdoor immers als onbetrouwbaar en ongefundeerd kunnen worden bestempeld.

Rico

Men kan zich voorstellen dat ook onderzoeken naar de probleemoplossende vermogens van honden gevoelig zijn voor dit effect. Juliane Kaminsky, cognitief psychologe bij het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Duitsland, vond een manier om dit op te lossen. Zij deed onder andere onderzoek naar de bijzondere woordenschat van de Border Collie Rico (1994-2008) en publiceerde hierover in 2004 een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

Rico kende de namen van tweehonderd verschillende (speelgoed)voorwerpen. Zijn eigenaresse, Susanne Baus, was begonnen hem deze woorden aan te leren toen Rico tien maanden oud was. Om het Knappe Hans-effect te vermijden, verdeelde Kaminsky alle tweehonderd voorwerpen eerst in twintig groepen van tien waarbij de groepen volstrekt willekeurig werden samengesteld. Vervolgens liet zij de eigenaresse in een kamer wachten terwijl zij een groep voorwerpen in een andere, aangrenzende kamer neerlegde. Door deze opzet kon Baus niets weten van de manier waarop de objecten gerangschikt waren voor zij Rico het commando gaf om een bepaald voorwerp te gaan halen. Zij kon dus geen onbewuste signalen of aanwijzingen afgeven! Eenzelfde methode werd gebruikt bij het testen van Rico’s vermogen tot het leren van nieuwe woorden. Hierbij werd er gekeken of hij in staat was een onbekend woord aan een onbekend voorwerp te koppelen. Dit gebeurde door hem naar een andere kamer te sturen en hem een voorwerp te laten halen waarvan hij de naam nog niet eerder had gehoord. Zijn bazin gaf dan bijvoorbeeld het commando ´haal de sok´. Wanneer hij de kamer binnenkwam, zag hij zeven bekende voorwerpen waarvan hij de naam wist en één onbekend object, in dit geval de sok. In zeven van de tien gevallen bracht hij terug waar om gevraagd was, een heel knap resultaat en een mooi voorbeeld van de manier waarop hij dit probleem (waarschijnlijk) oploste, namelijk via een proces van eliminatie. De andere voorwerpen en hun namen kende hij al, dus die kon hij niet koppelen aan het nieuwe woord. Zo bleef er voor Rico uiteindelijk maar één voorwerp over dat het juiste kon zijn. Opvallend is overigens dat hij het nieuw geleerde woord in de meeste gevallen na een maand nog kende. Om een nieuw woord te leren, hoefde hij het dus maar één keer te horen! Dit wordt ook wel ´fast mapping´ genoemd; een strategie waarvan altijd gedacht werd dat alleen jonge kinderen die gebruikten om taal te leren.

Honden en Wolven

Zo zijn er nog wel een aantal leuke en interessante onderzoeken te noemen die zich richten op de probleemoplossende vermogens van de hond. De Hongaarse wetenschapper Ádám Miklósi heeft op dit gebied bijvoorbeeld vergelijkend onderzoek gedaan met honden en – door de mens grootgebrachte – wolven. De twee soorten werden getest op hun vermogen een taak te leren; zij moesten drie touwen in een specifieke volgorde uit een hele kluwen touwen trekken. De wolven bleken veel beter in staat dan honden om deze taak correct uit te voeren; zij leerden veel sneller aan wat voor touw dan ook te trekken en bovendien hadden zij sneller in de gaten welke volgorde de juiste was. Tezamen met enkele andere onderzoeksresultaten heeft dit frappante verschil sommigen doen concluderen dat wolven over het algemeen intelligenter zijn dan honden.

Nu er steeds meer wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar de cognitieve vermogens van zowel honden als wolven ontstaat er echter een wat genuanceerder beeld. Zo blijken wolven simpelweg beter in staat om concrete problemen op te lossen. Daarnaast is het voor hen veel normaler en natuurlijker om aan dingen te trekken en te plukken, zoals wanneer zij een prooi gevangen hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij beter scoorden op de touwentest. Honden geven het bij dit soort testen veel sneller op en kijken vervolgens naar hun eigenaar, alsof zij om hulp vragen. Dit verschil in kijkgedrag tussen honden en wolven blijkt echter van doorslaggevend belang bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten! Terwijl wolven oogcontact juist proberen te vermijden, kijken honden doelbewust naar ons om informatie te vergaren. In haar boek “De wereld van de hond” vertelt Alexandra Horowitz dat honden vaak gehinderd worden door hun eigen sociale vaardigheden. Als zij met een probleem worden geconfronteerd, kijken zij meestal als eerste naar hun eigenaar in plaats van te proberen het probleem zelf op te lossen. Dit gedrag is een goede verklaring voor hun slechtere prestaties bij de touwentest. Horowitz geeft nog een verduidelijkend voorbeeld: “Bij een test om bijvoorbeeld wat eten uit een goed afgesloten doos te halen, zullen wolven blijven proberen de taak uit te voeren en bij een eerlijke test zullen ze daar uiteindelijk na talrijke pogingen in slagen. Honden zullen in het algemeen hun best doen de doos te openen, totdat ze erachter komen dat dit een hele klus is. Dan richten ze zich op een persoon in de kamer en proberen op allerlei manieren diens aandacht te krijgen en hem te verleiden, totdat deze toegeeft en hen helpt de doos open te krijgen”.

De hond ziet ons dus als probleemoplosser en weet ons dikwijls zo te bespelen dat wij er nog intrappen ook. Dit houdt echter niet in dat de hond niet slim is, integendeel! Het getuigt juist van een grote intelligentie dat hij ons weet in te zetten als een soort ‘werktuig’ en zich bewust is van het feit dat wij in staat zijn hem te helpen bij het oplossen van bepaalde problemen.

Zelf aan de slag met intelligentietests

Bent u nieuwsgierig naar het probleemoplossend vermogen van uw eigen hond? Dan zou u bijvoorbeeld eens een IQ test kunnen doen met hem. Daarin zijn enkele onderdelen opgenomen die deze specifieke capaciteit testen. De Amerikaanse psycholoog Stanley Coren heeft in zijn boek “De Intelligentie van honden” een zeer uitgebreide IQ test opgenomen. Enkele voorbeelden van de testonderdelen die het probleemoplossend vermogen toetsen zijn: ‘Hoe lang duurt het eer de hond er in slaagt om langs een barricade te komen om een lekker hapje te pakken?’ en ‘Hoe lang duurt het eer de hond zich uit een groot badlaken, dat over zijn kop en schouders is gegooid, heeft bevrijd?’. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat lang niet iedereen het eens is met Coren’s interpretaties; deze kunt u daarom beter met een korreltje zout nemen. Ook in het Engelstalige boekje “Caninestein; unleashing the genius in your dog” van Betty Fischer en Suzanne Delzio kunt u een paar aardige en vooral grappige tests vinden. Hou hierbij wel in gedachten dat uw hond heel goed op u let en dat het Knappe Hans effect altijd op de loer ligt!

Een hond kan alleen laten zien hoe hij bepaalde problemen oplost als hij heeft geleerd dat hij initiatieven mag ontplooien. Het komt helaas nog steeds voor dat mensen hun hond straffen als hij initiatief toont omdat dit dikwijls wordt gezien als ongehoorzaam gedrag. Op deze manier wordt hij beperkt in zijn keuzevrijheid en zal hij niet meer zo snel laten zien wat hij allemaal in zijn mars heeft. Een hond die vrijer – maar natuurlijk wel met inachtneming van bepaalde grenzen – en zonder straf is opgevoed, zal veel beter in staat zijn zijn probleemoplossende vermogens in de praktijk te brengen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen