RSS
 

Archive for the ‘Artikelen’ Category

Hooikoorts bij honden

25 Apr

Veel mensen zijn er helaas bekend mee; benauwdheid, jeuk, niesbuien, tranende ogen, loopneuzen en zo nog wat irritante verschijnselen van hooikoorts (pollinosis). Het zijn allergische reacties op het stuifmeel (pollenkorrels) van sommige bloeiende planten, bomen en grassen. Dit stuifmeel zweeft in de lucht en wordt vervolgens ingeademd. Als de pollen op het neusslijmvlies, de oogbollen of in de luchtwegen terecht komen, reageert je afweersysteem en kun je last van hooikoortsklachten krijgen. Op warme en winderige dagen is de pollenconcentratie het hoogst en de klachten zijn dan vaak het hevigst. De meeste kans op hooikoortsverschijnselen heb je in de maanden tussen februari en september omdat de meeste bomen, grassen en planten dan hun bloeiperiode doormaken. In mei en juni groeien de grassen en in deze maanden ligt de piek van het hooikoortsseizoen. Graspollen veroorzaken dikwijls de meeste klachten.

Hooikoorts bij de hond

Hooikoorts is een atopische aandoening die ook bij honden voor kan komen. Een atopie is een allergie voor bepaalde stoffen in de omgeving zoals mijten, huidschilfers, pollen en grassen. In het geval van een atopie reageert de hond op stoffen die via inademing in contact komen met het lichaam, ook wel een inhalatieallergie genoemd. Deze allergievorm bij honden kan worden vergeleken met hooikoorts bij mensen. Bij honden uit zich dit echter vooral in huidklachten en niet zozeer in problemen met neus of ogen (al is dit niet uitgesloten).

De meest voorkomende klachten zijn:

Jeuk, met name aan poten, kop, oksels en liezen (likken, bijten, krabben)

Bacteriële en/of gistinfectie van de huid (bultjes of puistjes)

Korstjes

Kale plekken

Verdikking en donker verkleuren van de huid

Roodbruine verkleuring van de vacht door het vele likken

Bindvliesontsteking van de ogen (conjunctivitis)

Oorontsteking (Otitis externa). De uitwendige gehoorgang is gewoon een voortzetting van de huid, alleen is het milieu in het oor nog gunstiger voor bacteriën en gisten (warmer, vochtiger, meer huidvetten).

Atopie is dikwijls een erfelijke ziekte en kan dus vaker in de bloedlijn voorkomen. Hoewel een atopie zich ook op latere leeftijd kan manifesteren, beginnen de klachten bij 75% van de atopische honden al op jonge leeftijd (jonger dan drie jaar). Deze honden hebben steeds last van periodes met jeuk en huidontstekingen. Bepaalde rassen zijn er extra gevoelig voor, zoals de West Highland White Terrier, Cairn Terrier, Jack Russel Terrier, Poedel, Malthezer Leeuwtje, Duitse herder, Boxer, Golden retriever en de Labrador retriever.

Als de klachten telkens rond dezelfde tijd van het jaar terugkeren, is er waarschijnlijk sprake van een pollenallergie (hooikoorts) al kunnen de symptomen zelfs bij seizoensgebonden allergenen het hele jaar aanwezig zijn. Stoffen als huismijt, meelmijt en veren zijn niet seizoensgebonden en kunnen dus ook het hele jaar klachten geven.

Diagnose

De dierenarts kan onderzoeken voor welke stoffen de hond precies overgevoelig is. Een juiste diagnose begint bij een goede anamnese (het in kaart brengen van de voorgeschiedenis) en een uitgebreid lichamelijk onderzoek. Zo is het erg belangrijk dat er van tevoren wordt bekeken of er eventueel sprak kan zijn van een vlooien- of voedselallergie.

Vlooienallergie is een van de meest voorkomende allergieën en deze is goed te behandelen. Wanneer de hond vlovrij is, wordt er getest of de hond niet misschien allergisch is voer eiwitten in het voer. Hierbij wordt de hond minimaal zes weken op een zeer strikt hypoallergeen dieet gezet. Als dit niet zorgt voor een vermindering van de jeukklachten, kan een voedselallergie in principe uitgesloten worden (uitzonderingen daargelaten) en wordt de hond verder onderzocht.

Met behulp van de diagnostische criteria opgesteld door Dr. Favrot is het eenvoudiger geworden om atopische dermatitis (een huidontsteking ten gevolge van een atopie) te identificeren. Dr. Favrot is een gecertificeerd dermatoloog aan de universiteit van Zurich en heeft een buitengewone interesse in atopische dermatitis. Enkele jaren geleden heeft hij een studie met 1500 honden met jeuk geleid om factoren te identificeren die mogelijk kunnen helpen bij de diagnose van atopische dermatitis.

Indien vijf van de zeven volgende criteria positief worden beantwoord, is er ongeveer 80% kans dat men te maken heeft met atopische dermatitis.

1. Was de hond jonger dan 3 jaar oud toen het begon?

2. Wordt de hond meestal binnen gehouden?

3. Was er sprake van jeuk voordat de lesies zichtbaar werden?

4. Zijn er lesies op de voorpoten?

5. Zijn er lesies op de oorschelp (pinnae)?

6. Zijn er geen lesies aan de oorrand?

7. Zijn er geen lesies t.h.v. het dorso-lumbaal (het onderste deel van de rug) gebied?

Als men na het beantwoorden van deze vragen tot de conclusie komt dat de hond waarschijnlijk atopisch is, kan men een omgevingsallergie test laten doen. Dit kan op twee manieren, namelijk met een huidtest en met een bloedtest (serumtest). In beide gevallen kunnen dezelfde allergenen worden aangetoond.

Bloedtest

Bij een bloedonderzoek neemt de dierenarts een paar milliliter bloed af en stuurt dit op naar het laboratorium. Daar onderzoeken ze het bloed op mogelijk verhoogde antilichamen tegen vierentwintig verschillende allergenen. Er wordt eerst gescreend op bepaalde groepen allergenen:

1. Vlooien/mijten/schimmelsporen

2. Bomen

3. Grassen en kruiden.

Indien de hond op één van deze groepen positief reageert (dus allergisch is), bijvoorbeeld op de bomengroep, dan kan met hetzelfde bloed onderzoek gedaan worden om de bomengroep uit te splitsen. Vaak worden dan één of meerdere boomsoorten positief bevonden.

Voorheen ging men ervan uit dat de huidtest betrouwbaarder was maar tegenwoordig zijn beide testen ongeveer even betrouwbaar. Voordeel van de bloedtest is ook dat het veel minder belastend is voor de hond zelf.

Huidtest

Bij de intradermale huidtest worden er meerdere stoffen in de huid geïnjecteerd en vervolgens wordt er gekeken of er een allergische reactie (zwelling) van de huid optreedt.

Hierbij worden 24 onderhuidse injecties op de flank van de hond gezet onder een licht roesje.

Vervolgens worden de allergenen met een dun naaldje één voor één in de huid geïnjecteerd. Na vijftien tot twintig minuten wordt gekeken of er reactie optreedt waarbij als dat het geval is een soort “muggenbult” ontstaat. Het is echter mogelijk dat sommige allergenen pas na zes tot vierentwintig uur een reactie geven.

De uitslagen van de serumtest en de huidtest overlappen elkaar vaak grotendeels, maar het komt ook regelmatig voor dat er bij de huidtest of bij de bloedtest een extra positieve uitslag (dus een groot bultje in de huid of veel afweerstofjes in het bloed) voor een allergeen zit. Al deze uitslagen worden verzameld en elk allergeen waarop gereageerd is of via het bloed of via de huid wordt meegenomen in de behandeling.

Niet alle dierenartsen voeren de huidtest uit, aangezien de daarvoor benodigde allergenen aan bederf onderhevig zijn en de bloedtest nu eenmaal veel minder belastend is voor de hond. Er zijn ook dierenartsen die liever doorverwijzen naar een specialist; een dermatoloog is zeer bekwaam op het gebied van huidtesten. Eventueel kan deze er een bloedtest naast doen.

Behandeling

Het is helaas (nog) niet mogelijk om volledig te genezen van een allergie. Het enige wat je kan doen is zo goed mogelijk de overgevoelige reacties van het lichaam bestrijden. Dat maakt de klachten voor de hond een stuk draaglijker. Er zijn een aantal opties mogelijk als de uitslag van de allergietest positief is.

Vermijden van contact

Hoewel dit een van de meest effectieve behandelvormen is, blijkt het vermijden van contact met de betreffende allergenen in de praktijk vaak erg lastig. In de meeste gevallen zijn er namelijk meerdere allergenen in het spel en vaak zijn dit allergenen die nauwelijks te ontlopen zijn. Het is uiteraard wel in het belang van je hond te proberen er zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Hyposensibilisatie/ Desensibilisatie

Een belangrijk onderdeel van de behandeling is de zogenaamde immunotherapie of hyposensibilisatie. Hierbij wordt er geprobeerd het afweersysteem van de hond minder gevoelig te maken voor de stoffen waarop het gevoelig reageert (de allergenen).

De positieve allergenen uit de testen worden verzameld en als verdund mengsel in een injectiepotje gestopt. De hond wordt hiermee volgens een bepaald schema geïnjecteerd. Eerst één keer per twee weken en later één keer per maand. In het begin krijgt de hond een hele kleine dosis, later wordt dit opgebouwd om zo de hond als het ware minder gevoelig te maken voor deze allergenen. De behandeling duurt doorgaans zes tot zeven maanden en pas na die tijd kan men goed beoordelen of het is aangeslagen. Vaak wordt er tijdens de behandeling ter ondersteuning een medicijn zoals Atopica gegeven om te voorkomen dat de hond zijn huid open krabt. De jeuk is namelijk echt niet in een keer weg en het is niet de bedoeling dat hij er nog een secundaire infectie bovenop krijgt.

Bij ongeveer 75 % van de honden heeft de behandeling effect. Hoewel de jeuk- en huidklachten niet in alle gevallen volledig zullen verdwijnen, zijn zij nu wel onder controle en daardoor draaglijk. Over het algemeen zullen deze honden de rest van hun leven ongeveer één keer maand een injectie moeten krijgen om de rest van hun leven zo aangenaam mogelijk en zoveel mogelijk jeukvrij te laten verlopen.

Medicatie

Bij 25% van de honden slaat de behandeling dus niet aan binnen de gestelde tijd en in die gevallen kan je stellen dat dat dan ook niet meer gaat gebeuren. Meestal wordt er dan gekozen voor levenslange medicatie. Corticosteroïden zoals Prednison houden de jeuk op een effectieve manier onder controle. Deze kunnen op de lange duur en in hoge doseringen echter wel vervelende bijwerkingen geven zoals veel plassen en drinken, een dunnere huid en suikerziekte. Hierbij zou men zich de vraag moeten stellen wat erger is: de eeuwige jeuk of de bijwerkingen van de medicijnen. Geen gemakkelijke opgave voor de hondeneigenaar.

Met het middel Atopica worden echter ook hele goede resultaten behaald en vaak wordt er als eerste voor dit medicijn gekozen. Het is een zeer selectieve remmer van het immuunsysteem en geeft nauwelijks tot geen bijwerkingen.

Omdat Atopica nog niet zo heel lang op de markt is, is het wel nog een vrij kostbaar medicijn, zeker voor de grotere rassen. Gelukkig wordt het in de meeste gevallen wel vergoed door de verzekering, indien uw hond verzekerd is natuurlijk.

Ondersteunende middelen

Tot slot kan er geprobeerd worden wat verlichting te brengen in de klachten door het aanpassen van de voeding of het gebruiken van speciale shampoos. Dit kunnen desinfecterende shampoos zijn (om de bacteriën te bestrijden) maar er zijn ook shampoos die de jeuk verminderen en de huid in een betere conditie brengen. Zo kan een berkenteer shampoo (vochtinbrengend) verlichting geven bij een droge huid en zorgen dat een deel van de inhalatie-allergenen uit de vacht worden gewassen. Dit laatste geldt uiteraard ook voor een gewone milde of hypo-allergene hondenshampoo.

Daarnaast worden er aan de voeding voor honden met huidklachten vaak omega vetzuren toegevoegd. Deze kunnen helpen de conditie van de huid te verbeteren en hebben een ontstekings- en jeukremmende werking.

Zoals gezegd zullen bovengenoemde maatregelen het allergieprobleem zeker niet oplossen maar ze kunnen wel bijdragen aan het gevoel van welbevinden van de hond.

Welke middelen het beste zijn om te gebruiken, kunt u het beste bespreken met uw dierenarts.

Bronnen:

http://www.allergie-bij-honden.nl/

http://www.dierendokters.com/honden/ziekten/atopie-bij-de-hond-en-de-kat

http://www.dierenkliniekmaaspoort.nl/info/a/atopische-dermatitis-bij-de-hond/

Met dank aan: Ilona Wegman-Vleeshakker van Dierenkliniek Muggenburg en Dierenkliniek Pasteurstraat

P1250872

 
Comments Off on Hooikoorts bij honden

Posted in Artikelen

 

Hoe ‘Eko’ is jouw hond?

25 Apr

Biologisch, wel zo logisch? Het zal je vast niet ontgaan zijn dat de ‘biologische revolutie’ inmiddels ook is doorgedrongen tot hondenland. Termen als duurzaam, natuurlijk, dier- en milieuvriendelijk worden op steeds meer producten van toepassing. Maar wat houden die termen nu eigenlijk precies in? En is het echt altijd beter om voor een ecologisch verantwoord product te kiezen? Wat is ‘biologisch’ eigenlijk, waar moeten we op letten en wat zijn de valkuilen?

Ten eerste is het misschien wel aardig om wat voorbeelden te geven van enkele biologische en ecovriendelijke producten die er momenteel voor honden te koop zijn. De webwinkel van de online eco dierenwinkel “Eko4Petz” heeft op dit gebied een breed assortiment; zo kan je er niet alleen biologische voeding en snacks kopen maar ook flostouwen van hennep, natuurlijke vlooien- en tekenbestrijding, homeopathische medicijnen, biologisch afbreekbare poepzakjes, hondenmanden van ecovriendelijk materiaal zoals recyclebaar plastic, hondenriemen van duurzame materialen zoals gerecycled scheepstouw en 100% biologisch afbreekbare hondenbakken gemaakt van rijstschillen en bamboe.

Volgens Eko4Petz weten veel mensen niet waar de huisdierproducten die zij gebruiken vandaan komen of hoe zij geproduceerd worden. Door te kiezen voor voeding en materialen waarvan de herkomst bekend is, die vrij zijn van synthetische of chemische grondstoffen en waaraan tijdens het productieproces geen dierenleed te pas is gekomen, kies je dus niet alleen voor een beter milieu maar ook voor een gezondere hond.

Ook via hun bedrijfsvoering proberen zij zo min mogelijk druk te leggen op ons ecosysteem. Op de website staat te lezen: “We hebben een groene en bewuste bedrijfsvoering. Wij houden onze hele keten zo groen mogelijk door producten in te kopen bij bedrijven die ook een groene bedrijfsvoering hebben. We gebruiken zo min mogelijk papier en dat wat we gebruiken is gerecycled. We maken gebruik van een groene drukker, groene hosting én groene energie. We compenseren onze CO2 uitstoot door donaties aan het Trees for all programma. Uw bestelling wordt verpakt in een gerecyclede doos en gesloten met papiertape.”

De Ecologische Voetafdruk

Veel bedrijven spreken in dit kader ook wel over het verkleinen van de ‘ecologische voetafdruk’. Maar wat houdt dit in? Simpel gezegd is dit de ruimte die we per persoon – maar bijvoorbeeld ook per bedrijf – innemen op aarde. Zo nemen eten en drinken ruimte in beslag, omdat het verbouwd en vervoerd moet worden. Daarnaast kosten papiergebruik (denk aan het kappen van bomen) en energieverbruik (CO2 uitstoot) veel ruimte.

Op de website van het Wereld Natuurfonds staat goed uitgelegd waarom het zo belangrijk is om deze voetafdruk zo klein mogelijk te maken: “Je kunt meten hoeveel ruimte nodig is voor de productie van wat we gebruiken en de opname van de CO2 die we uitstoten. Deze ruimte kan omgerekend worden naar de hoeveelheid productief land, in gha (mondiale hectare) gemeten. Dit heet de Ecologische Voetafdruk. Bij een eerlijke verdeling is per persoon wereldwijd 1,7 gha beschikbaar. Wereldwijd gebruiken we nu gemiddeld 2,6 gha per persoon. We vragen dus meer dan dat er is, omdat we hulpbronnen sneller verbruiken dan de aarde kan aanvullen en interen op haar reserves. Dit is een van de redenen dat er steeds minder ruimte overblijft voor de natuur.”

Wanneer is een product echt biologisch?

Als consument kunnen we dus meehelpen aan het verkleinen van die voetafdruk door te kiezen voor ecovriendelijke en/of biologische producten. Biologische producten kunnen we herkennen aan twee belangrijke keurmerken; het EKO-keurmerk en het Europees Biologisch Keurmerk. Beide keurmerken zijn betrouwbaar, want ze worden streng gecontroleerd door Skal, de enige onafhankelijke organisatie voor biologische producten in Nederland. De term biologisch heeft betrekking op de landbouwmethode, oftewel de manier waarop ons voedsel tot stand gekomen is. Een landbouwproduct of voedingsmiddel mag alleen biologisch heten als het productieproces aan wettelijke voorschriften voldoet. Ook als op een product het woord bio, eko, eco of organic staat, moet het voldoen aan de eisen voor biologisch. Er zijn echter genoeg fabrikanten die dit handig weten te omzeilen en helemaal geen keurmerk hebben, terwijl de namen en termen die zij gebruiken anders doen vermoeden. Daarom is het belangrijk er goed op te letten of er daadwerkelijk een keurmerk op de verpakking staat want opdrukken zoals ‘natuurlijk’, ‘all natural’, ‘puur natuur’ en ‘100% natuurlijk’ zeggen helemaal niks over de samenstelling van een product.

EKO-Keurmerk

Het EKO-keurmerk geeft aan dat een product gecontroleerd biologisch is en bovendien afkomstig is van een bedrijf dat extra aandacht besteedt aan duurzaamheid. Het product moet voldoen aan de Europese wettelijk gestelde normen voor ecologische producten en productiemethoden. Zo moet het onder andere garanderen dat er geen kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt. Bovendien mogen er geen kunstmatige geur-, kleur- en smaakstoffen worden toegevoegd. Ook is het mengen van antibiotica en groeihormonen door veevoer niet toegestaan. De term biologisch is wettelijk beschermd, en mag dus alleen gebruikt worden als een product het EKO-keurmerk mag gebruiken! Het is hierbij wel belangrijk om te vermelden dat de term alleen beschermd is met betrekking tot levensmiddelen. Bij non-food artikelen wordt het gebruik ervan niet gecontroleerd of beschermd.

Europees Biologisch Keurmerk

Het Europees biologisch keurmerk maakt duidelijk dat het product voldoet aan de EU-regels voor biologische landbouw. Het logo staat verplicht op alle biologische producten die in de Europese Unie (EU) zijn geproduceerd. Op producten van buiten de EU mag het keurmerk gebruikt worden, hoewel dat niet verplicht is.

Naast het Europese biologische keurmerk mogen nationale of regionale logo’s worden gebruikt. Het EKO-keurmerk kan dus op het etiket voorkomen naast dit Europese keurmerk, net als het Duitse Bio-Siegel of Naturland keurmerk, het Belgische Biogarantie of het Britse Soil Association keurmerk.

Kort samengevat: levensmiddelen die niet voorzien zijn van beide, of één van beide, keurmerken zijn niet werkelijk biologisch en mogen dus ook niet zo genoemd worden.

Hondenvoer & Hondensnacks

Aangezien de term ‘biologisch’ alleen gecontroleerd wordt en beschermd is met betrekking tot voeding, zal het vanaf hier voornamelijk over biologisch hondenvoer (zowel brokken, versvleesvoeding als snacks) gaan, al is het aanschaffen van andere ecologisch verantwoorde hondenproducten ook zeker een kritische overweging waard.

Zoals hierboven al staat aangegeven, wordt er bij de productie van biologisch voedsel zoveel mogelijk rekening gehouden met milieu, dier en mens. Op de website van Eko4Petz staat bij de betreffende producten te lezen: “Biologisch hondenvoer is voeding voor de hond voorzien van het EKO keurmerk. Met bio hondenvoeding bent u verzekerd dat de dieren waar het vlees van afkomstig is een goed leven hebben gehad, geen toegevoegde chemische middelen en géén genetisch gemanipuleerde ingrediënten” en “alle ingrediënten van deze eco snacks voor de hond moeten afkomstig zijn van biologische dieren en het eindproduct is ook vrij van synthetische conserveermiddelen en geur- kleur- en smaakstoffen en chemische toevoegingen.”

Biologische hondenvoeding wordt dus hoofdzakelijk bereid met natuurlijke grondstoffen. Het bevat geen chemische kleur-, geur- en smaakstoffen, geen chemische conserveringsmiddelen, er is geen gebruik gemaakt van dierproeven, er zijn geen antibiotica of groeihormonen toegevoegd en de dieren waarvan het vlees gemaakt is, hebben tijdens hun leven meer ruimte gehad dan op een normale veehouderij het geval zou zijn. Hun voeding, zoals granen, mais en gras, moeten op biologische wijze geteeld zijn. Daarnaast werken de boeren uitsluitend met natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Door je hond biologische voeding te geven, ben je er in feite van verzekerd dat hij zo min mogelijk ‘troep’ binnenkrijgt én dat het voer op een manier milieu- en diervriendelijke manier geproduceerd is.

Eat the Dog?

Dat de manier waarop het voedsel geproduceerd wordt een zware belasting op het milieu kan hebben, blijkt onder andere uit een onderzoek van twee Nieuw Zeelandse professoren aan de Victoria University in Wellington. Brenda en Robert Vale beweren in hun boek “Time to eat the dog: The real guide to sustainable living” (2009) dat de bronnen en grondstoffen die nodig zijn om een hond te voeden – inclusief de hoeveelheid land die gebruikt wordt om de dieren te voeden die uiteindelijk in het hondenvoer terecht komen – een twee keer zo grote ecologische voetafdruk achterlaten dan de gemiddelde SUV (grote, energieverslindende auto’s).

Hoewel de berekeningen niet helemaal lijken te kloppen – zo hebben zij bijvoorbeeld alleen gekeken naar het gebruik van een SUV en niet naar de productie ervan – zetten dit soort onderzoeken wel aan tot nadenken. Het is een feit dat er veel CO2 vrijkomt bij de productie van dierlijk voedsel en de keuze voor biologisch voer zou alleen al daarom helemaal zo gek niet zijn. Maar denk ook eens aan de hoeveelheid ontlasting die een hond produceert; als een hond commerciële brokken eet, poept hij over het algemeen meer en vaker dan bij biologische voeding.

Kritische geluiden

In 2013 is er aan het LEI Wageningen UR (University & Research Centre), een onafhankelijk, sociaal-economisch onderzoeksinstituut, een onderzoek uitgevoerd naar de mening van honden- en katteneigenaren over biologische diervoeders. Enkele uitkomsten van dit onderzoek zijn:

De markt van petfood groeit en verandert. Het aantal honden en katten neemt nog altijd toe in Nederland en de vraag naar specialistischer voer voor huisdieren neemt ook toe, met name bij honden.

Consumenten zijn meer merkentrouw wat betreft hondenvoer dan voor kattenvoer.

De verwachting is dat biologisch diervoer kwalitatief goed is en hogere voedingswaarden heeft; biologisch diervoer wordt qua voedingswaarden meer geassocieerd met de duurdere specialistische voeding dan het gangbare diervoer.

Biologisch petfood is nog een stap te ver voor de meeste consumenten; een huisdier blijft toch een dier en nadenken over dierenwelzijn van consumptiedieren bij diervoeding gaat voor velen een stap te ver. Ook de verwachte hogere prijs weerhoudt veel mensen.

Vooral die laatste uitkomst zegt veel over de houding van het merendeel van de mensen tegenover biologisch hondenvoer. De markt – en de kennis omtrent biologisch producten – is echter nog altijd aan het veranderen en de tijd zal leren of er nog verschuivingen zullen plaatsvinden in deze zienswijzen. Bij een discussie die plaatsvond tijdens het onderzoek bleek ook dat een aantal mensen niet overtuigd was dat biologisch hondenvoer een (gezondheids-)voordeel heeft tegenover regulier voer.

Deze mensen hebben een punt. Er zijn in de media meerdere artikelen verschenen die een kritisch geluid laten horen tegenover de hele ‘biologische revolutie’. Hoewel deze artikelen geschreven zijn met het oog op biologisch voedsel voor menselijke consumptie, zijn de argumenten net zo goed van toepassing op biologisch hondenvoer. Biologisch is nu eenmaal biologisch.

In het in Vrij Nederland verschenen artikel “Groene sprookjes: 5 mythen over biologisch eten” schrijft Evert Nieuwenhuis – zoals de titel al aangeeft – over enkele hardnekkige mythes met betrekking tot biologisch voedsel. Zo wordt er vaak gedacht dat biologisch eten onbespoten is, maar volgens Nieuwenhuis is biologisch eten wel degelijk bespoten, al worden er natuurlijke bestrijdingsmiddelen gebruikt en geen chemische. Natuurlijke middelen kunnen echter ook vervelende bijwerkingen hebben of ecologische schade aanrichten. Zijn conclusie luidt dat er op of in ons reguliere voedsel misschien wel meer restanten zitten van chemische bestrijdingsmiddelen maar dat dit geen gezondheidsproblemen kan opleveren omdat de percentages ver beneden wettelijke eisen liggen. “De wetenschappelijke consensus is dat biologisch voedsel niet veiliger of onveiliger is dan regulier voedsel.”

Niet per definitie gezonder

Een andere belangrijke observatie in het artikel is dat biologisch voedsel niet per definitie gezonder is: “Biologisch voedsel is genetisch niet anders dan regulier voedsel (in Europa is genetisch gemodificeerd voedsel verboden). Een biologische sinaasappel bevat evenveel vitamine C als een reguliere en in een antroposofisch geteelde tomaat zit niet meer of minder kalium dan in een waterbom uit een gasgestookte kas. Volgens hoogleraar voedingsleer Martijn Katan kunnen er kleine verschillen zijn, maar deze zijn niet relevant. In zijn boek Wat is gezond? schrijft hij: ‘Het gaat er voor je voorziening van voedingsstoffen meer om wat je eet dan hoe het verbouwd is. Wat die keuze van voedingsmiddelen betreft kunnen we wél wat leren van de biologische landbouw, want bonen en volkorenbrood zijn gezonder dan hamburgers en roomijs. Dat geldt echter ongeacht of die bonen met kunstmest en bestrijdingsmiddelen of met koeienmest en zonder bestrijdingsmiddelen zijn verbouwd.”

Tot slot stelt hij dat biologisch vlees tot meer klimaatverandering leidt dan gewoon vlees: “Biologisch vee mag gelukkiger zijn, het produceert wel meer klimaatgassen. Per liter geproduceerde melk stoten biologische koeien minder CO2 uit dan hun zusters in de reguliere veehouderij, maar ze produceren weer veel meer methaan en lachgas, die veel schadelijker zijn (de oorzaak is een verschil in dieet). In totaal levert dit meer klimaatverandering op. Ander onderzoek vergeleek de CO2-uitstoot per liter melk in de Verenigde Staten in 1944 (toen er biologischer werd geboerd) met die van 2007. Tegenwoordig is de CO2-uitstoot per liter melk 37 procent van wat die zestig jaar geleden was.”

Het bespreken van dit soort zaken dient zeker niet om biologische producten in een negatief daglicht te plaatsen maar ik vind het wel belangrijk dat men kritisch blijft nadenken over de voor- en nadelen van biologische voeding. Veel mensen zullen waarschijnlijk eerder de keuze voor zichzelf maken om biologisch(er) te gaan eten dan voor hun hond, maar mocht je inmiddels bij die laatste keuze zijn aanbeland, dan is het verstandig om een en ander nog eens goed op een rijtje te zetten en te kijken of het voer dat jij wilt geven daadwerkelijk beter is voor je hond en het milieu. En niet te vergeten: of het ook echt biologisch is!

Bronnen:

www.skal.com

http://www.ciwf.nl/

http://www.bionext.nl/biologisch

http://www.eko4petz.nl/

Lei Rapport Isabelle van den Berg & Jantine Voordouw:Biologische diervoeding; Hoe denken de baasjes over biologisch honden- en kattenvoer?” http://www.wageningenur.nl/upload_mm/f/0/9/d4729dd3-a1da-4365-baa2-8b8078a44227_2013-021%20vdBerg_LEI%20definitieve%20web%20versie.pdf

Artikel Vrij Nederland: http://www.vn.nl/Archief/Samenleving/Artikel-Samenleving/Groene-sprookjes-5-mythen-over-biologisch-eten.htm#

 

P1250564

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off on Hoe ‘Eko’ is jouw hond?

Posted in Artikelen

 

Hond(en)smaak. Wat weten we eigenlijk over het smaakorgaan van de hond?

25 Apr

Naar de smaakzin van de hond is tot nu toe maar weinig onderzoek gedaan. De meeste aandacht gaat eigenlijk altijd uit naar het bijzondere reukvermogen van de hondenneus. En dat terwijl het toch best interessant is om te weten te komen wat onze honden nu wel of juist niet lekker vinden; wij bepalen immers iedere dag wat er voor ze op het menu staat. In dit artikel wordt onder andere besproken voor welke smaken honden gevoelig zijn en hoe bepaalde voedselvoorkeuren kunnen ontstaan.

Evolutionair gezien is het smaakzintuig erg oud. In zijn boek How Dogs Think beschrijft Stanley Coren dat het is ontstaan uit rechtstreekse interacties van de eerste levende wezens met de gigantische kom chemische soep waarin ze waren ondergedompeld. De substanties in het water waren essentieel voor het voortbestaan van deze primitieve organismen. Sommige stoffen vormden een bron van voedsel, andere gaven een waarschuwing af en weer andere konden ernstige schade veroorzaken of zelfs de dood tot gevolg hebben. Naarmate dieren evolueerden, werd het smaaksysteem steeds meer gespecialiseerd en verfijnd.

Het ervaren van genot of walging bij het proeven van iets speelt een belangrijke rol bij het overleven van een soort. Als algemene vuistregel geldt – in ieder geval voor natuurlijke stoffen – dat een bittere, vieze smaak een signaal is dat het dier iets heeft gevonden dat schadelijk, giftig onverteerbaar is, terwijl lekkere smaken duiden op nuttige, gezonde of verteerbare substanties die veilig zijn om te eten.

Omdat de smaakzin belangrijk is voor het overleven, is het een van de eerste zintuigen die bij honden begint te functioneren. Bij pasgeboren pups lijken alleen de smaak-, tast- en reukzin actief te zijn. Het smaakzintuig heeft dan echter wel nog een paar weken de tijd nodig om zich volledig te ontwikkelen.

Fysiologie van de tong

De hondentong is onderdeel van het spijsverteringsstelsel en wordt gebruikt om de smaak van voedsel te testen en om de speeksel, maag- en alvleesklier die nodig zijn bij het verteren te stimuleren. De tong is verbonden met meerdere zenuwen die verantwoordelijk zijn voor het doorgeven van informatie aan de hersenen.

Net als bij mensen is de smaakzin bij honden afhankelijk van receptoren die in kleine groepjes op het oppervlak van de tong liggen; de smaakpapillen. Deze bevinden zich tevens op het zachte gedeelte van het gehemelte en achter in de mond waar de keelholte begint (op de epiglottis, het strotklepje, en bij de pharynx, het slokdarmhoofd).

De smaakgevoeligheid van een dier hangt af van de hoeveelheid en het type smaakpapillen, net zoals de gevoeligheid voor geuren afhangt van het aantal geurreceptoren. Honden hebben ongeveer 1700 smaakpapillen, terwijl de mens er wel 9000 heeft. Op hun beurt hebben honden er echter weer veel meer dan katten, die er maar 470 hebben. Smaakpapillen functioneren slechts enkele dagen en worden, net als de huidcellen waaruit ze ontstaan, voortdurend vervangen.

Er blijven specifieke smaakpapillen voor specifieke groepen chemische stoffen te bestaan. Bij de mens worden er doorgaans vier basissmaken onderscheiden: zout, zuur, zoet en bitter. Uit neurofysiologisch onderzoek naar de gezichtszenuw van honden is gebleken dat de smaakreceptoren van honden op dezelfde soort chemicaliën reageren als die van mensen.

De eerste van de vier groepen smaakpapillen (Groep A) heeft de meeste receptoren en reageert op suikers, kunstmatige zoetstoffen, fructose, sucrose en de meeste zoet smakende aminozuren.

De receptoren in de tweede groep (Groep B) staan bekend als de “zure eenheden”. Deze groep heeft een lage ontvangstsnelheid en reageert op chemicaliën zoals gedistilleerd water, anorganische zuren en sommige aminozuren.

Groep C is voornamelijk te vinden bij carnivoren en bestaat uit nucleotiden die te vinden zijn in verschillende vleessoorten, vetten en met vlees geassocieerde chemische stoffen. Hoewel honden niet uitsluitend carnivoor zijn – zij eten ook plantaardig voedsel – bestaat hun voedsel in het wild voor ongeveer 80% uit vlees. Daarom zijn bij hen de speciale ‘vleesreceptoren’ ontwikkeld die in deze groep te vinden zijn. Dit verklaart ook waarom honden een duidelijke voorkeur hebben voor voedingsmiddelen die uit vlees bestaan of naar vlees smaken.

In de laatste groep (Groep D) worden de receptoren aangeduid als “furaneol receptoren”. Deze stof komt in veel vruchten voor en kan worden beschreven als ‘zoet-fruitig’. Veel honden zijn gek op deze smaak. Vermoedelijk is de voorkeur voor zoet geëvolueerd omdat honden in de natuur hun dieet vaak aanvullen met vruchten die toevallig beschikbaar zijn.

Een waarschuwing is hierbij op zijn plaats; een van de meeste voorkomende oorzaken van vergiftiging bij honden is die door koelvloeistof of antivries. Daarin zit namelijk de stof ethyleenglycol die de smaakpapillen voor zoetigheid activeert. De hond zal het dus graag oplikken! Vijftig gram van deze zoetmakende stof is genoeg om een middelgrote hond te doden. Hou hem daarom altijd ver uit de buurt van dit soort producten.

Verspreiding van de smaakpapillen

De smaakpapillen voor de verschillende basissmaken zijn niet gelijkmatig over de tong verdeeld. De verdeling bij honden komt grotendeels overeen met die bij mensen, al zijn er wel een paar kleine verschillen. Bij mensen worden zoete smaken het best geproefd aan de voorkant van de tong maar bij honden liggen de smaakreceptoren voor zoet iets meer naar de zijkant. De smaakpapillen voor zuur en zout liggen bij honden ook aan de zijkant van de tong maar dan iets verder naar achteren. Daarnaast is het gebied dat op zout reageert veel kleiner dan bij de mens. Honden blijken namelijk veel minder gevoelig te zijn voor zout en ook vinden zij het lang niet zo lekker als wij.

Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat honden hoofdzakelijk carnivoren zijn. In het wild bestaat het grootste gedeelte van hun voedsel uit vlees en dit heeft van zichzelf al een hoog natriumgehalte. Het gevolg hiervan was dat honden veel minder zoutspecifieke receptoren ontwikkelden. In het verleden werd er zelfs nog wel eens gedacht dat honden helemaal geen zoutreceptoren hadden.

Het achterste gedeelte van de tong is het meest gevoelig voor bittere smaken en de receptoren voor vleesachtige smaken liggen verspreid over het oppervlakte van de tong, al bevindt het grootste gedeelte hiervan zich in het voorste tweederde deel.

Hoewel bepaalde gebieden dus extra gevoelig zijn voor specifieke smaken, kunnen alle gebieden van de tong reageren op alle binnenkomende smaakprikkels, zolang deze maar sterk genoeg zijn.

Belangrijk om te vermelden is dat honden – maar ook katten en andere carnivoren – speciale receptoren hebben voor water. Deze watergevoeligheid bevindt zich op de punt van de tong, op het gedeelte dat omkrult bij het water drinken. Dit gebied reageert altijd op water, maar als de hond iets zouts of iets zoets heeft gegeten wordt de gevoeligheid nog sterker. Dit vermogen heeft zich waarschijnlijk ontwikkeld om de waterhuishouding van het lichaam in balans te houden wanneer het dier iets heeft gegeten waardoor het meer urine produceert of wanneer het iets heeft gegeten dat meer water nodig heeft voor een optimale vertering. Voor carnivoren is dit zintuig enorm nuttig omdat hun voornaamste voedingsbron (vlees) een hoog natriumgehalte heeft (zie ook hierboven). Honden zullen extra veel willen drinken zodra deze speciale smaakreceptoren actief worden.

Voedselvoorkeur

Volgens de Amerikaanse hondengedragsdeskundige Stephen R. Lindsay zijn bepaalde smaakvoorkeuren afhankelijk van een combinatie van geur- en smaakfactoren. Vroegere ervaringen en leerprocessen spelen echter ook een rol.

Uit onderzoek is gebleken dat het vrij makkelijk is een heftige en langdurige smaakaversie ten opzichte van een nieuw voedingsmiddel te laten ontstaan door na de inname misselijkheid op te wekken. Dit blijkt zelfs nog effectief bij vertragingen van meer dan een uur.

De genetische aanleg voor het herkennen van acceptabel voedsel, eerder opgedane ervaringen, smaak en de nieuwheid van een bepaald voedingsmiddel kunnen de voedselvoorkeur behoorlijk beïnvloeden. Zo hebben onderzoekers groepen pups laten opgroeien met verschillende soorten voer; elke groep kreeg een ander soort voer. Dit bleek grote invloed te hebben op hun latere voedselvoorkeuren en hieruit werd geconcludeerd dat honden die als pup geen kennis hadden gemaakt met verschillende voedselsoorten duidelijke voorkeuren ontwikkelden voor het voedsel waar ze bekend mee waren.

Andere studies spreken deze resultaten echter tegen omdat hierbij juist een voorkeur voor nieuw voedsel werd gevonden. Een belangrijk verschil tussen de verschillende onderzoeken is het moment dat de pups werden weggehaald bij de moeder; bij het eerstgenoemde onderzoek werden de pups direct bij de geboorte weggehaald en bij het tweede werden ze weggehaald op het moment dat ze niet meer afhankelijk waren van hun moeder. De voedselvoorkeuren van deze laatste groep honden bleken dus een stuk flexibeler dan die van de eerste groep.

Waar deze onderzoeken echter geen rekening mee hielden, is het feit dat vroege smaakervaringen in de baarmoeder ook een rol kunnen spelen bij de voorkeur voor een bepaald soort voedsel. Het dieet van de moeder heeft immers invloed op de samenstelling van het vruchtwater.

Uit bovenstaand verhaal blijkt al dat verschillende factoren de voedselvoorkeur kunnen beïnvloeden, waardoor het niet altijd even makkelijk is om te bepalen waar de voorkeur van een hond naar uit gaat. Toch bestaat er op het moment een algemene consensus over de voorkeur voor nieuw, zeer smakelijk voedsel.

Dit betekent niet dat het slecht voor de hond is om hem elke dag hetzelfde voer te geven; het houdt alleen in dat hij een voorkeur zou kunnen hebben voor nieuwe, aangename smaken. Het kan daarom geen kwaad ze af en toe eens te verwennen met wat anders.

Eigenaren van hele kieskeurige honden – over het algemeen slechte eters – moeten echter wel oppassen dat zij niet te snel allerlei andere soorten voer gaan proberen. Vaak wordt hierbij namelijk gegrepen naar oplossingen die juist niet goed zijn voor de hond en schadelijk kunnen zijn voor zijn lichamelijke gezondheid (denk hierbij aan de goedkope blikken vlees die je overal kan kopen). Op den duur kunnen hierdoor zelfs gedragsproblemen ontstaan.
Het zal steeds moeilijker worden om honden die elke dag iets nieuws krijgen voorgeschoteld tevreden te stellen omdat zij hier alleen nog maar kieskeuriger van worden. Volgens Lindsay trekken kieskeurige uiteindelijk echt wel bij en zullen zij na een dag of twee honger lijden, eten wat de pot schaft.

Door een beetje voer in hun mond te stoppen, kunnen honden die de interesse in hun voer hebben verloren door bijvoorbeeld verstopping of andere neusproblemen worden aangemoedigd weer te gaan eten. Zo worden de smaakpapillen direct gestimuleerd en zal de hond waarschijnlijk weer trek krijgen in zijn eten. Blijven de problemen echter voortduren, dan doet men er natuurlijk goed aan even langs de dierenarts te gaan.

Geraadpleegde bronnen:

Stanley Coren – How Dogs Think: Understanding the Canine Mind

Steven R. Lindsay – Handbook of Applied Dog Behavior and Training, Vol. 1

James Serpell – The Domestic Dog. Its Evolution, Behaviour and Interactions with People (Hoofdstuk 7, Chris Thorne: Feeding behaviour of domestic dogs and the role of experience)

Pippa1

 
Comments Off on Hond(en)smaak. Wat weten we eigenlijk over het smaakorgaan van de hond?

Posted in Artikelen

 

Hoe is het om een hond te zijn? Zullen we het ooit weten?

25 Apr

Erg veel weten we helaas nog niet over hoe het brein van de hond precies in elkaar zit en hoe het werkt. Zelfs over onze eigen menselijke hersenen valt er nog heel wat te leren, al groeit de kennis daarover met de dag door voortdurend in ontwikkeling zijnde technieken. Nu er recentelijk een begin is gemaakt met het trainen van honden om bewegingloos in een MRI (Magnetic Resonance Imaging) scanner te liggen, krijgen we heel langzamerhand wat meer inzicht in dit meest mysterieuze orgaan van het hondenlichaam. Hoewel deze methode echt nog in de kinderschoenen staat, zijn de eerste resultaten veelbelovend. De vraag is nu in hoeverre we conclusies kunnen trekken over de overeenkomsten tussen de hersenprocessen – en de uiting daarvan in bijvoorbeeld het gedrag – van honden en mensen. Onze eigen hersenen zijn immers het enige referentiekader dat we hebben.

De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel schreef in de jaren zeventig een artikel genaamd “What’s it like to be a bat?” (Hoe is het om een vleermuis te zijn?). In dit beroemde gedachte-experiment bracht hij de stelling naar voren dat we nooit daadwerkelijk kunnen weten wat een vleermuis ervaart, hoeveel kennis we ook hebben over zijn hersenstructuren en de werking van zijn zenuwstelsel. Volgens Nagel kunnen bewustzijnsfenomenen nooit volledig verklaard worden aan de hand van de onderliggende fysieke systemen.

Nagel gebruikte bij zijn gedachte-experiment een vleermuis als voorbeeld maar we kunnen de redenering natuurlijk ook doortrekken naar de hond. De gedachtegang van Nagel volgend zal het welhaast onmogelijk zijn om ooit precies te weten te komen wat onze honden denken en voelen, hoeveel kennis we ook over hun hersenen vergaren. Hoewel er zeker overeenkomsten zijn tussen de anatomie, de functies en de ligging van de hersenstructuren van mensen en honden en er veel gelijkenissen zijn aangetoond tussen de zenuwstelsels van beide soorten lijdt het geen twijfel dat zij de wereld heel anders waarnemen. Dit blijkt al uit het feit dat er grote verschillen bestaan tussen de zintuiglijke ervaringen; honden hebben bijvoorbeeld een scherpere neus, een slechter gezichtsvermogen, en kunnen veel hogere tonen horen dan mensen. En dan hebben we het nu niet eens over gedachtes en emoties. We zullen we dus wel nooit te weten komen “hoe het is om een hond te zijn”.

Jammer? Niet helemaal. We moeten namelijk niet vergeten dat het bovenstaande in principe ook geldt voor de ervaringen van andere mensen. Hoewel we ons hier waarschijnlijk wel wat meer bij kunnen voorstellen, zullen we toch nooit echt precies weten hoe een ander de wereld om zich heen ervaart. Het is nu eenmaal onmogelijk in iemands hoofd te kruipen en ons volledig te verplaatsen in iemands unieke perspectief.

De Amerikaanse neurowetenschapper Gregory Berns benadert de vraag hoe het is om een hond te zijn vanuit twee verschillende perspectieven. De eerste, harde benadering stelt de vraag: “Hoe is het voor een hond om een hond te zijn?” Als we dat zouden weten, zouden we geen moeite meer hoeven te hebben om vragen over het hoe en waarom van het gedrag van de hond te beantwoorden.

Het probleem hiermee is dat we als hond zijnde geen taal zouden hebben om te beschrijven wat we voelen. Volgens Berns is de enige vraag die hier dicht genoeg bij in de buurt komt: “Hoe zou het voor ons zijn om een hond te zijn?”.

Door ons voor te stellen hoe het is om in de huid van een ander dier te kruipen, kunnen we vragen omtrent gedrag ontwikkelen in een soort menselijke variant. Als je je verbaast over het geblaf van je hond naar die ene buurman wordt de vraag dus: “Als ik mijn hond was, waarom zou ik dan blaffen naar die persoon?”. Op die manier kunnen we ons allerlei voorstellingen maken bij het gedrag van onze honden.

Hersenscans

Honden kunnen niet praten en we kunnen helaas ook niet als een klein poppetje in het hondenbrein rondlopen om meer te weten te komen over hun subjectieve ervaringen. Waar ik een hond vrolijk op en neer zie springen, ziet iemand anders misschien wel een hond die niet kan wachten om aan te vallen. Op welke manier zou het dan toch mogelijk zijn om meer inzicht te krijgen in het brein van de hond? Deze vraag hield Berns al heel lang bezig tot hij zich besefte dat het antwoord al die tijd vlak voor zijn neus lag; hersenscans. Als neurowetenschapper bestuurde hij namelijk al een aantal decennia het mensenbrein via functionele MRI scans (in tegenstelling tot de ‘gewone’ MRI kan een functionele MRI de activiteit in de hersenen meten).

Omdat alle hersenen van zoogdieren voor een groot deel uit dezelfde structuren bestaan (dit geldt met name voor de oudere, dieper gelegen hersengebieden), zou de plattegrond van de hersenactiviteit van de hond geduid kunnen worden aan de hand van die van het menselijke brein.

Als er bijvoorbeeld activiteit te zien is in het beloningscentrum van de hond, zouden die resultaten geïnterpreteerd kunnen worden met behulp van resultaten verkregen uit menselijke experimenten waarbij er sprake is van soortgelijke activatiepatronen. Vaak hebben de onderzoekers bij mensen namelijk wel een aardig idee waardoor een bepaald patroon van hersenactiviteit ontstaan is.

Het in kaart brengen van de hersenen van verschillende soorten door deze met elkaar te vergelijken wordt functionele homologie genoemd. Dit betekent dat een subjectieve ervaring zoals bijvoorbeeld plezier ingedeeld kan worden op zowel het mensen- als het hondenbrein. Door het vergelijken van de activatiepatronen in de beide breinen zou dan duidelijk moeten worden hoe je het ene type brein als het ware kan omvormen tot het andere.

Berns geeft zelf al aan dat de meeste filosofen denken dat de vraag hoe het is om een hond te zijn niet te beantwoorden is. Functionele homologieën tussen hondenhersenen en menselijke hersenen zouden volgens Berns echter wel eens de ontbrekende schakel kunnen zijn. Hoewel hersenscans ons niet kunnen vertellen hoe het voor een hond is om een hond te zijn, kunnen ze wel een interessante hersenplattegrond opleveren die ons wat meer kennis kan verschaffen over hoe het voor een mens is om een hond te zijn, zonder de vooroordelen die menselijke interpretaties zo vaak met zich meebrengen (denk hierbij bijvoorbeeld aan antropomorfisme; het projecteren van menselijke gedachtes en emoties op dieren). Als dat zou werken, zouden hersenscans uiteindelijk kunnen gaan dienen als een soort neurale vertaalmachines die de interpretaties van de hersenprocessen van de hond helpen om te zetten naar een neutrale en verstaanbare menselijke taal.

Hoop voor de toekomst

Honden in MRI scanners… wie had dat ooit gedacht. Toch lijkt dit echt mogelijkheid te worden nu wetenschappers zoals Gregory Berns in staat zijn gebleken honden te trainen om bewegingloos in de scanner te liggen. Voorheen werd altijd gedacht dat het alleen mogelijk was een MRI scan van de hond te maken door hem vast te binden of te verdoven. Het probleem daarbij is dat je dan geen beeld krijgt van het brein in zijn normale toestand en op basis van zo’n scan kan je dus ook geen conclusies trekken over de hersenprocessen die op een bepaald moment actief zijn in het brein van de hond.

Nu er een manier is gevonden om toch MRI scans te maken van de hersenen van de hond zal er een wereld voor ons open gaan. Misschien niet direct maar ik vermoed dat er in de loop van de komende jaren wel een aantal zeer interessante resultaten naar buiten zullen komen. Bij een MRI onderzoek dat door de etholoog Attila Andics werd uitgevoerd aan de Eötvös Loránd Universiteit in Hongarije is onlangs bijvoorbeeld nog ontdekt dat er grote overeenkomsten bestaan tussen de manieren waarop mensen en honden – en vermoedelijk ook andere zoogdieren – stemmen en emoties verwerken.

Kan een hond autistisch zijn?

Met al deze opwindende mogelijkheden zal het gedrag van de hond hopelijk steeds minder ongrijpbaar worden. Waar we nu vaak nog moeten gissen naar de redenen waarom een hond zich op een bepaalde manier gedraagt, kunnen de resultaten uit hersenonderzoeken ons straks misschien wel eindelijk eens wat echte duidelijkheid verschaffen. Niet alleen de normale processen in een gezond hondenbrein zijn hierbij van belang maar juist ook de eventuele beschadigingen en afwijkende patronen. Net als bij mensen kunnen die afwijkingen immers duiden op bepaalde ziektebeelden of aandoeningen. Denk bijvoorbeeld aan een aangeboren ontwikkelingsstoornis als autisme; er zijn veel mensen die vermoeden dat hun hond autistisch is omdat hij tekenen vertoont als – onder andere – teruggetrokken gedrag, niet aangeraakt willen worden, problemen met bepaalde interacties en het vermijden van oogcontact.

Bovenstaand verhaal toont aan dat het zeker niet ondenkbaar is dat deze mensen in de nabije toekomst gelijk gaan krijgen.

Verder lezen:

Gregory Berns – How Dogs Love Us

Ginger1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off on Hoe is het om een hond te zijn? Zullen we het ooit weten?

Posted in Artikelen

 

Geboren in een fokfabriek; de gevolgen.

25 Apr

Als mensen eenmaal hebben besloten dat zij klaar zijn voor een pup in hun leven, willen zij hem dikwijls liever nog vandaag dan morgen in huis hebben. Ergens is dat ook wel logisch; als zo’n belangrijk besluit eenmaal genomen is, kan je natuurlijk niet wachten tot je je nieuwe maatje eindelijk in je armen mag sluiten! De meesten zullen gelukkig niet gelijk aan dit verlangen toegeven en eerst eens rustig op zoek gaan naar een geschikte fokker of ander betrouwbaar adres.
Er zijn echter ook mensen die er helemaal niet over hebben nagedacht en die gewoon op een dag besluiten dat er een hond in huis moet komen, omdat hun pet daar toevallig naar staat; deze mensen worden ‘impulskopers’ genoemd. Waarom is dit nu een probleem?

Het probleem is dat deze mensen geneigd zijn om op websites als Marktplaats op zoek te gaan naar een leuke pup omdat zij op die manier vaak heel snel resultaat kunnen boeken.
Handelaren en broodfokkers zijn maar wat graag bereid om tegemoet te komen aan deze vraag naar pups en bieden om de haverklap hondjes aan. De beschrijvingen en de foto’s die bij de pups staan, spreken op het eerste gezicht erg aan; ze zijn altijd volledig ingeënt, ontwormd en gechipt, ze zijn in het bezit van een gezondheidsverklaring, ze zijn met liefde gefokt, opgegroeid in een huiselijk omgeving, gewend aan kinderen en al een heel eind op weg om zindelijk te worden. Kortom, de perfecte pup! Helaas, schijn bedriegt. Papieren kunnen vervalst worden, foto’s van lieve schattige pupjes kunnen overal van internet geplukt worden en verhalen kunnen worden verzonnen.
Dat er iets niet helemaal in de haak is, kan je eigenlijk al opmaken uit het feit dat veel van dit soort aanbieders nogal wat verschillende rassen aanbieden. Dit is niet altijd makkelijk te zien omdat zij meestal onder verschillende namen adverteren. Bij één aanbieder kwam ik echter toch al zo’n veertig rassen tegen, waaronder Australian Cattle Dogs, Engelse Bulldogs, Labrador Retrievers, Rottweilers, Teckels, Bloedhonden, Koningspoedels, Whippets, Cairn Terriers, enzovoort. In dit soort gevallen kan je met 100% zekerheid zeggen dat je te maken hebt met een malafide fokker. Eigenlijk kan je geeneens van een ‘fokker’ spreken; de meeste pups worden met dozenvol, onder afschuwelijke vervoersomstandigheden, uit het Oostblok geïmporteerd. Deze hondjes zijn vaak al doodziek en vele zullen er onderweg sterven. De pups die het ‘geluk’ hebben de reis te overleven en die vervolgens in de krant of op internet – en helaas nog steeds in sommige dierenwinkels – worden aangeboden, lijken heel rustig en lief op het moment dat ze geadopteerd worden, maar de kans is groot dat ze van tevoren gedrogeerd zijn. Het is ook mogelijk dat ze gewoonweg zo ziek zijn dat er nagenoeg geen leven meer in zit. Veel mensen krijgen op zo’n moment medelijden met de pup en hoewel ze ergens misschien wel het gevoel hebben dat er iets niet klopt, nemen ze hem toch maar mee naar huis om hem daar liefdevol te kunnen verzorgen. Zeker de mensen die nog niet veel ervaring hebben en die voor het eerst een hond kopen, lopen het risico op deze manier opgelicht te worden en in de mooie praatjes van de verkoper te trappen.
Eenmaal thuis komen alle gebreken vaak al snel aan het licht. Verhalen over pups met oog- en oorontsteking, leverinfectie, diarree, wormen, vernauwde luchtwegen en longontsteking zijn bepaald niet ongewoon. Sommige pups worden zelfs zo ziek dat zij uiteindelijk geëuthanaseerd moeten worden.

Naast deze medische problematiek kunnen er problemen ontstaan die in eerste instantie niet duidelijk zichtbaar zijn; de mentale littekens zitten dikwijls heel diep en soms duurt het een poosje voor de hond symptomen begint te vertonen die duiden op psychische aandoeningen. Om te begrijpen hoe ernstig deze problemen kunnen zijn, is het belangrijk meer inzicht te krijgen in de omstandigheden waarin deze pups zijn geboren.

Je hebt misschien wel eens gehoord van ‘puppy mills’. Andere woorden hiervoor zijn: hondenlegbatterij, puppiefabriek, fokschuur, massafokkerij of fokfabriek. De grootte van deze fokbedrijven – die ook gewoon in Nederland en België voorkomen – varieert; maar de omstandigheden waarin de honden verkeren zijn eigenlijk altijd hetzelfde. Zij zitten in krappe, benauwde ruimtes op elkaar gepropt en hebben nauwelijks bewegingsvrijheid, voedsel of water. Van enige hygiëne is totaal geen sprake. Soms worden de draadkooien waarin veel van deze honden hun leven moeten verslijten simpelweg op elkaar gestapeld, waardoor de ontlasting en de urine van de ene kooi in de andere druppelt. Het komt regelmatig voor dat de honden hun poten verminken of verliezen doordat zij klem komen te zitten in de onderkant van de kooi. Daarnaast zijn er door de piepkleine ruimte waarin zij zitten nog allerlei andere verminkingen en vergroeiingen mogelijk, maar medische zorg zullen ze nooit krijgen.
De teefjes die de pups moeten produceren, worden schaamteloos uitgebuit door ze elke loopsheid te laten dekken. Met erfelijke ziektes en andere afwijkingen wordt uiteraard geen rekening gehouden. De reu die het teefje moet dekken hoeft verder ook niet aan bepaalde eisen te voldoen; elke beschikbare en bereidwillige reu voldoet. Het maakt daarbij niet uit of hij familie is van het teefje, waardoor inteelt welig tiert in de massafokkerij. De fokdieren worden overigens in de meeste gevallen opgekocht door handelaren of gestolen van particulieren.
Als de teefjes helemaal ‘uitgefokt’ zijn en niets meer opleveren, worden zij als oud vuil afgedankt. Zij zullen na dit afschuwelijke leven, waarbij zij voornamelijk de binnenkant van hun kennel of kooi hebben gezien, geen zachte dood vinden.

Dit zijn dus, in het kort, de omstandigheden waaronder de pups geboren worden. Wat kunnen zij hier nu precies aan over houden, behalve de hierboven genoemde fysieke problemen? Ten eerste is het natuurlijk niet moeilijk te bedenken dat de pups in de eerste, zo ontzettend belangrijke socialisatiefase niet aan de juiste prikkels worden blootgesteld; zij doen geen (positieve) ervaringen op met mensen, kinderen, andere honden, enzovoort. In deze fase wordt de basis voor de rest van hun leven gelegd en het kan daarom behoorlijk ernstige gevolgen hebben als zij nu te weinig – of zelfs helemaal geen – van dit soort indrukken opdoen.
Daarnaast worden zij veel te vroeg (gewoonlijk ergens in leeftijd van vier tot zes weken) van hun moeders en nestgenootjes gescheiden waardoor zij bijvoorbeeld geen goede bijtrem krijgen aangeleerd. De bijtrem bepaalt hoe diep en hoe hard een hond zal bijten. Honden worden niet geboren met een zogenaamde ‘zachte bek’ maar door te spelen met zijn broertjes en zusjes leert de pup zijn bijten te doseren. Zij oefenen de bijtspelletjes steeds opnieuw met elkaar en zodra er een pup te hard bijt, wordt het spel stil gelegd. Het bijtertje leert dan dat te hard bijten negatieve consequenties heeft en zal minder geneigd zijn dit gedrag te herhalen. De moeder speelt hierbij natuurlijk ook een grote rol en zij zal de betreffende pup direct corrigeren als deze zijn bek te hard gebruikt. De gevolgen voor pups die zonder moeder of zonder nestgenootjes opgroeien kunnen dus groot zijn; zij leren niet hoe zij hun bek op de juiste manier moeten gebruiken en lopen kans een slechte bijtrem te ontwikkelen.
Pups uit hetzelfde nest leren echter nog veel meer van elkaar en van hun moeder, zoals lichaamstaal en spelgedrag. Een hond die verstoken is gebleven van dit contact zal dus een behoorlijke achterstand oplopen in zijn sociale ontwikkeling en het is maar zeer de vraag of deze achterstand ooit nog kan worden ingehaald. Met de juiste opvoeding, training en begeleiding zal hij misschien nog een eind kunnen komen maar er is tot nu toe geen bewijs dat deze het belang van de eerste socialisatiefase kunnen evenaren.
Enkele veelvoorkomende gedragsproblemen bij dit soort pups zijn:
– Zindelijkheidsproblemen; de pups hebben geen andere keuze dan te poepen en te plassen in de ruimte waarin ze gehouden worden terwijl zij dit normaal gesproken het liefst een eindje bij hun nest vandaan doen. Hierdoor wordt de zindelijkheidstraining uiteindelijk een stuk lastiger.
– Agressie; de pups vertonen meer agressie naar mensen en andere honden dan pups die niet in dergelijke omstandigheden geboren worden.
– Angst om aangeraakt te worden; de pups hebben nooit fijne, positieve ervaringen met (aanrakingen door) mensenhanden op kunnen doen.

En verder nog: extreme verlegenheid/onzekerheid, overmatig blaffen, baknijd, overgevoeligheid voor prikkels van buitenaf, onvermogen tot ontspanning en niet in staat zijn grenzen te accepteren (hierover kunt u meer lezen in het boek “Bewust van hondengedrag” van Connie Berendsen). Bedenk daarbij ook dat problemen als baknijd en agressie in combinatie met de hierboven beschreven slecht aangeleerde bijtrem erg gevaarlijk kunnen zijn voor kinderen én volwassenen!

Natuurlijk zijn er nog meer problemen te noemen maar het ligt buiten het bereik van dit artikel om hier verder heel uitgebreid op in te gaan. De algemene strekking mag duidelijk zijn; pups geboren in puppiefabrieken hebben niet alleen een hele grote kans op lichamelijke aandoeningen, maar ook op mentale. Deze kunnen zo ernstig zijn dat zij het leven van de hond en de eigenaar behoorlijk kunnen ontwrichten.

Dit zijn zaken waar je echt rekening mee moet houden als je op zoek bent naar een pup. Vooral als je de pup zo snel mogelijk in huis wil hebben en je op internet gaat zoeken naar een leuk nestje, kom je al snel bij advertenties van malafide fokkers terecht. Wees kritisch en verricht wat speurwerk voor je besluit te reageren op zo’n advertentie. Trap niet in de mooie praatjes van de adverteerders, ze weten precies wat ze moeten zeggen om je over te halen! Bedenk dat je beter iets langer kunt wachten zodat je je ervan kan verzekeren dat je een gezonde pup van een betrouwbare fokker koopt. Deze korte wachtperiode staat namelijk qua tijd niet in verhouding tot een heel hondenleven vol problemen.
Tot slot is het heel belangrijk dat je je beseft dat je deze vorm van hondenhandel alleen maar helpt in stand te houden als je toch besluit een pup uit een fokschuur te nemen. De verkopers spelen handig in op je emoties en rekenen erop dat je de pup uit medelijden mee zal nemen. Je helpt hier niemand mee, ook de pup niet. Voor elke pup die er gekocht wordt, wordt er weer een teefje ergens in een schuur gedwongen om een nieuw nestje op de wereld te zetten. Uiteindelijk kan je deze pups alleen maar helpen door te voorkomen dat ze geboren worden.

Aanvulling:  Na 29 december 2014 mogen pups jonger dan 15 weken niet meer worden ingevoerd vanuit het buitenland. Het is vanaf die datum verplicht dat iedere hond die Nederland binnenkomt, gevaccineerd is tegen rabiës (hondsdolheid). De vaccinatie is pas geldig als deze is toegediend op een leeftijd van 12 weken en daarna 3 weken wachttijd in acht zijn genomen.
Ook de regels voor het verspreiden van dierenpaspoorten worden strenger. In een dierenpaspoort zijn de kenmerken (inclusief een chipnummer) en de gegeven vaccinaties geregistreerd. Lege paspoorten mogen straks alleen nog maar aan dierenartsen worden verkocht. Nu kan iedereen nog een dierenpaspoort aanschaffen, waardoor er makkelijk met de gegevens in een paspoort kan worden gesjoemeld. Zo circuleren in andere lidstaten bijvoorbeeld ook lege Nederlandse dierenpaspoorten. (bron: http://www.rijksoverheid.nl). Het is te hopen dat deze maatregelen de illegale handel in pups daadwerkelijk tegen zullen gaan.

 
Comments Off on Geboren in een fokfabriek; de gevolgen.

Posted in Artikelen

 

De psychologie van de drift

25 Apr

Een drift… wat is dat nu eigenlijk? Als je het in het woordenboek opzoekt, stuit je op betekenissen als: opwelling van woede, hartstocht, passie, sterke neiging of wil. Begrijpelijkerwijze zijn deze betekenissen vooral van toepassing op wat we verstaan onder menselijke driften. Maar in hoeverre dekken zij de lading van wat men doorgaans bedoelt als er gesproken wordt over dierlijke driften?

Motivatietheorieën

Wat we ten eerste moeten begrijpen, is dat driften ten grondslag liggen aan – of een onderdeel zijn van – de motivaties van mensen en dieren. In de psychologie zijn er door de eeuwen heen verschillende motivatietheorieën ontwikkeld die trachten te verklaren waarom mensen en dieren zich op een bepaalde manier gedragen; wat drijft ze ertoe om de dingen te doen die ze doen? Motivatie zegt, kortom, iets over het waarom van gedrag. Hoewel motivatietheorieën tegenwoordig eigenlijk niet meer gebruikt worden om gedrag te verklaren (zij zijn vervangen door cognitieve

theorieën), is het toch interessant om er eens naar te kijken. Lange tijd waren zij immers wel degelijk toonaangevend en zij kunnen ons veel leren over de betekenis van driften.

Geschiedenis in een notendop

Voordat men drifttheorieën begon op te stellen, waren het vooral instincttheorieën die een verklaring trachtten te geven voor (menselijke) motivatie. Door het vertroebelen van het onderscheid tussen mensen en de ‘lagere’ diersoorten, zette Charles Darwin in de 19e eeuw de deur open naar het onderzoek naar instincten. Tot die tijd werd aangenomen dat instincten uitsluitend voorbehouden waren aan bepaalde dierlijke ondersoorten. In een evolutionair systeem dat ervan uitgaat dat mensen geëvolueerd zijn uit de lagere diersoorten ligt het echter niet voor de hand om te zeggen dat instincten wel nog voorkomen bij de mensaap, maar niet bij de mens zelf. Ook de bekende psychoanalyticus Sigmund Freud speelde een grote rol in acceptatie van menselijke instincttheorieën door een instinct te zien als een natuurlijke consequentie van de onbewuste driften die hij zo belangrijk achtte.

De opkomst van het behaviorisme – waarbij al het gedrag (respons) de uitkomst was van een bepaalde prikkel (stimulus) in de omgeving– zorgde ervoor dat de invloed van instincttheorieën in de tweede en derde decennium van de vorige eeuw snel af nam. Het behaviorisme was lange tijd zeer populair maar uiteindelijk kwam er toch behoefte aan een concept waarmee men het gat tussen de geobserveerde stimulus en de respons enigszins kon opvullen. Zo werden de eerste drifttheorieën geboren.

Instincten of driften

Voor ik daar wat meer over vertel, wil ik in het kort iets zeggen over het verschil tussen instincten en driften omdat deze twee concepten dikwijls door elkaar worden gehaald.

Instincten worden over het algemeen gezien als soortspecifieke, aangeboren en voorgeprogrammeerde gedragspatronen die essentieel zijn voor het overleven en het voortbestaan van een soort.

De relatie tussen instinct en gedrag is lineair; een bepaalde gedraging of handeling wordt nagenoeg direct veroorzaakt door een instinct, zonder de tussenkomst van psychologische factoren. Bij een instinct komt geen ervaring of leren te pas. Een pup die vlak na de geboorte direct op zoek gaat naar de tepels van de moeder reageert dus instinctief.

Een drift is echter iets anders; driften leiden niet tot gedrag op zo’n duidelijke en directe manier als instincten. Driften worden wel gezien als aangeboren, biologische behoeftes die bepaalde gedragingen kunnen beïnvloeden maar in tegenstelling tot instincten kunnen zij veranderd worden door leren en/of ervaring. Een drift heeft een duidelijke psychologische component en brengt het mens of dier in een bepaalde toestand die het in staat stelt op een bepaalde manier te reageren; het is de brandstof die men nodig heeft voor een bepaalde actie. Driften kunnen door leren worden versterkt of onderdrukt en kunnen worden opgewekt door prikkels in de omgeving.

Drifttheorie

Hoewel er onderling wel wat verschillen zijn, gaan de meeste drifttheorieën ervan uit dat een drift een mens of dier in een toestand van spanning of opwinding brengt, waardoor men wordt aangespoord tot handelen. De resulterende gedraging heeft als doel de ontstane spanning te verminderen. Deze spanningsvermindering werkt vervolgens weer als een bekrachtiger (versterker) en de kans dat het gedrag zich in de toekomst zal herhalen, neemt toe. Dit leerproces wordt ook wel conditionering genoemd en zal de meeste hondenbezitters niet onbekend voorkomen. Op deze manier kunnen prikkels in de omgeving die in eerste instantie neutraal zijn uiteindelijk zelfs bepaalde driften oproepen, als zij maar vaak genoeg – en consequent – geassocieerd worden met de bekrachtiging van een drift.

Drifttheorieën waren al een hele vooruitgang ten opzichte van instincttheorieën omdat zij iets meer rekening hielden met de complexiteit en flexibiliteit van gedrag. Zij gingen echter wel nog uit van een erg mechanistische gedachtegang, waarbij de mens (en het dier) een soort passief wezen was dat als het ware gevangen zat tussen zijn driften en stimuli in de omgeving. Indien alle verbanden tussen driften en prikkels bekend zouden zijn, zou hij net als een machine volledig voorspelbaar gedrag vertonen. Ook het concept van driftvermindering kwam onder vuur te liggen; in experimenten met onder andere ratten en apen werd aangetoond dat dieren niet alleen uit zijn op het verminderen van spanning of opwinding maar soms juist actief op zoek gaan naar stimulatie. Driften en het verlangen naar driftvermindering waren daarmee niet meer de enige verklaring die men kon geven voor het optreden van bepaalde gedragingen of het uitvoeren van handelingen.

De hondse driften

Het is niet verwonderlijk dat cognitieve theorieën de plaats van drifttheorieën al lang hebben ingenomen. De menselijke geest zit erg complex in elkaar en zaken als vrije wil en intentie dienen ook in ogenschouw te worden genomen. Mensen denken, voelen, ervaren emotionele ups en downs, oordelen, maken afwegingen en volharden ergens in meer of mindere mate in. Er is daarom niet één afzonderlijke psychologische theorie of concept die deze complexiteit in zijn geheel kan verklaren. Voor dit artikel is dit echter ook niet relevant.

Waar het om gaat is dat wij ongetwijfeld nog wel enkele driften in ons zullen hebben, al kunnen we er niet meer vanuit gaan dat die een verklaring zijn voor onze acties. Het valt daarnaast niet te ontkennen dat wij onze driften veel beter in goede banen kunnen leiden dan andere diersoorten omdat onze cognitieve vermogens nu eenmaal veel verder en beter ontwikkeld zijn.

Dit geldt misschien ook wel voor de driften zelf. Zoals we aan het begin van dit artikel zagen, worden menselijke driften gevat in termen als ‘passie’, ‘hartstocht’ en ‘opwelling van woede’. Het is goed mogelijk dat de driften van onze honden meer primair van aard zijn. Dit wordt ook bevestigd door wat we weten over de hersenstructuren van de hond.

Niet elke hond zal echter nog evenveel oorspronkelijk driften in zich hebben; dit is geheel afhankelijk van het ras en het type hond. Om deze reden zal de ene hond bijvoorbeeld meer op jagen of waken gericht zijn dan de andere.

Voor de hondenbezitter is het vooral van belang om te weten dat driften aangeboren zijn en dat zij daarom in meerdere of mindere mate in elke hond aanwezig zijn. De kunst is om uit te zoeken in wélke mate en daar dan vervolgens mee aan de slag te gaan. Zoals we hebben kunnen lezen, is een drift ontvankelijk voor leren. Driften kunnen bekrachtigd worden en het is van belang dat de hondeneigenaar ervoor zorgt dat ze op de juiste manier bekrachtigd worden. Denk bijvoorbeeld eens aan het uitvallen aan de lijn als reactie op een andere hond in de omgeving. Dit gedrag is misschien in eerste instantie ingegeven door een drift die nog niet eerder bekrachtigd is. De reactie van de eigenaar – rekening houdend met de aanwezigheid van andere mechanismen die in de hond aan het werk kunnen zijn – kan vervolgens al het verschil maken voor de mate waarin dit gedrag in de toekomst zal optreden.

Driften hebben vooral invloed op de intensiteit van het gedrag, niet op de richting; zonder sturing is het dus mogelijk dat de hond in een soort ongeleid projectiel verandert. Hier is een mooie taak weggelegd voor zijn eigenaar.

10271554_748633645232460_2126659622033905832_n

 
Comments Off on De psychologie van de drift

Posted in Artikelen

 

De zin en onzin van anti-blafmiddelen

25 Apr

De zin en onzin van anti-blafmiddelen.

Overmatig blaffen vormt voor veel mensen een grote bron van irritatie. Vaak probeert men van alles om het blaffen te doorbreken of te voorkomen; het is namelijk niet alleen irritant voor de eigenaar maar de buren of omwonenden worden er meestal ook niet erg vrolijk van. Om problemen te voorkomen wil men nog wel eens grijpen naar zogenaamde antiblafbanden of vergelijkbare artikelen. Dat er een behoorlijke markt is voor dit soort hulpmiddelen blijkt wel uit het feit dat ze zo’n beetje bij elke dieren(web)winkel te koop zijn. Ook wordt er veelvuldig geadverteerd op verkoopsites als Marktplaats; de advertenties waarin deze anti-blafmiddelen aan de man worden gebracht, staan dikwijls helemaal bovenaan.

Er wordt wel eens gedacht dat deze middelen alleen maar een elektrische schok afgeven. Dit is echter niet zo; er wordt bijvoorbeeld ook gewerkt met geur, geluid en trillingen. Daarnaast worden er regelmatig nieuwe apparaten ontwikkeld in de strijd tegen overmatig hondengeblaf. Omdat niet altijd duidelijk is wat nu precies de verschillen zijn tussen alle hulpmiddelen, wat de voor- en nadelen zijn en welke invloed zij hebben op het gedrag van de hond is het misschien handig dit eens op een rijtje te zetten, beginnend bij anti-blafbanden die reageren op het geluid van het blaffen.

Anti-blafbanden met statische correctie

Dit zijn de meest bekende en meest gebruikte blafbanden; zij geven elektrische schokken af als de hond blaft. Deze schokken worden vaak aangeduid als ‘statische correctie’, vermoedelijk omdat dit toch wat mooier en vriendelijker klinkt.

De prijzen van deze artikelen geven een goede indicatie van de kwaliteit. De goedkope versies reageren spijtig genoeg zo’n beetje op alle harde geluiden in de omgeving en geven daarop meestal eerst één of meerdere geluidssignalen af, gevolgd door de daadwerkelijke schok(ken). Ook een plotselinge aanraking of beweging kan deze banden al activeren; de kans is bijvoorbeeld erg groot dat de band een stroomstoot geeft als de hond zich even krabt.

Bij de duurdere banden wordt dikwijls gesproken van een ‘identificatie techniek’ die onterechte correcties en activatie door het geblaf van andere honden zou moeten voorkomen. Deze luxe banden kunnen voorzien van allerlei technische snufjes zoals vibratie- én geluidssensoren –tweevoudige detectie genoemd – waardoor elke blaf onderscheiden zou worden van andere, externe geluiden. Er wordt dan pas een correctie toegediend als er zowel trilling als geluid is waargenomen.

Hoewel sommige banden nauwelijks waarschuwingssignalen afgeven voordat er een correctie wordt toegediend, is het vrij gangbaar dat de hond eerst gewaarschuwd wordt door middel van geluid – al dan niet ultrasoon – en/of vibraties. Het is ook mogelijk dat de band verschillende correctieniveaus heeft; de intensiteit van de stroomschok is in het begin dan nog erg laag. Hoe langer de hond echter blijft blaffen, hoe hoger dit niveau zal worden. Deze manier van prikkels toedienen, wordt veelal aangeduid als ‘progressieve correctie’. Indien de hond even stil is, wordt de band automatisch teruggeschakeld naar het beginpunt.

Er zijn banden met afstandsbedieningen (uit te breiden naar meerdere honden), oplaadbare banden, banden met batterijen, banden met instelbare correctieniveaus, waterdichte banden, banden speciaal voor kleinere hondjes, etc. Je zou wel kunnen zeggen dat ze er werkelijk in alle soorten en maten zijn. Maar uiteindelijk werken ze allemaal hetzelfde: ze dienen elektrische schokken aan uw hond toe als hij blaft.

De meeste verkopers willen u wijs maken dat de schokken de hond niet echt pijn doen en dat hij ze hooguit als zeer onprettig zal ervaren. Mooie zinnen als: “het stopt het blaffen op humane en doeltreffende wijze” klinken natuurlijk erg aantrekkelijk maar dekken vaak niet de (elektrostatische) lading. Ook het idee dat de banden over een soort hoogontwikkelde intelligentie beschikken, kan men beter met een korreltje zout nemen. De bewering dat een band rekening houdt met het karakter van de hond spant misschien nog wel de kroon. Hoewel fabrikanten zaken als identificatietechnieken en ‘temperament leersystemen’ uiteraard wel serieus nemen, is het nagenoeg onmogelijk een band te ontwikkelen die daadwerkelijk alleen zal reageren op het specifieke geblaf van de hond voor wie de band bedoeld is. Er zijn helaas te veel voorbeelden van situaties waarin de band (ook de duurdere varianten) toch reageert op omgevingsgeluiden of het geblaf van een andere hond. Het schijnt daarnaast ook nog wel eens voor te komen dat de band afgaat op het moment dat deze in contact komt met bijvoorbeeld de water- of etensbak. U zult begrijpen dat dit absoluut niet wenselijk is en dat de hond hier vreselijk van in de war zal raken. In feite wordt hij op zo’n moment gecorrigeerd voor drinken of eten. Het is dus van groot belang dat er heel goed gekeken wordt naar de precieze werking van een band alvorens deze om te doen. En natuurlijk mag u de hond de eerste keren dat hij de band draagt niet gelijk alleen laten. Of het überhaupt verstandig is gebruik te maken van dit soort banden komt verderop in dit artikel aan bod. Laten we eerst eens kijken naar enkele anti-blafbanden die als iets minder dieronvriendelijk worden beschouwd en geen statische correctie afgeven.

Anti-blafbanden met sprays

Deze halsbanden werken in principe op dezelfde manier als de anti-blafbanden met statische correctie. Althans, wat het waarnemen van het blaffen betreft. Het verschil is dat de correctie niet in de vorm van een elektrische schok toegediend wordt, maar in de vorm van een wolkje spray dat uit de band richting de bek van de hond gespoten wordt. Dit gebeurt elke keer wanneer de hond blaft. Het idee is dat de hond de spray zal willen vermijden en daarom zal stoppen met blaffen.

De Belgische dierenarts Rob Lückerath, een voorstander van dit soort banden, omschrijft het als volgt: “op het moment dat hij zijn keel openzet, reageert de band met een spraystoot onder de bek van de hond. Deze actie gaat een aantal zintuigen prikkelen: het gehoor (hij hoort plots een sissend geluid), het gevoel (een natte en koude spray) maar ook de reukzin. U kan overigens kiezen tussen verschillende soorten sprays. Zo zijn er op basis van citronella of mosterd en zelfs helemaal geurloze. Ook de prijs kan nogal wat verschillen.”

Het grote nadeel van dit soort banden is de gewenning die kan optreden; als de hond eenmaal niet meer schrikt van de spray of als hij het niet echt vervelend vindt, zal hij gewoon door de spray heen blijven blaffen. Dit geldt vooral bij het gebruik van de geurloze spray. In het geval van de citronella spray (mosterd wordt niet zoveel meer gebruikt) moet u er rekening mee houden dat de geur blijft hangen; als de hond stopt met blaffen, blijft hij de citronella dus ruiken. Dit is natuurlijk niet de bedoeling van een dergelijke correctie.

Er zijn ook honden die zo’n pufje werkelijk doodeng vinden, nog enger dan een stroomstoot. De bewering dat dit soort banden ‘volledig ongevaarlijk en geen secundaire effecten zoals angst of pijn’ hebben, is daarom volledig ongefundeerd. Om dezelfde reden doet u er verstandig aan veelgebruikte termen als ‘diervriendelijk’ ‘onschadelijk’ en ‘zachtaardig’ met het nodige scepticisme te bezien.

Anti-blafmiddelen met geluidscorrectie

Deze apparaten geven een hard, ultrasoon geluid (tot 120 decibel) af als de hond blaft binnen het bereik van de microfoon. Hoewel er ook halsbanden verkrijgbaar zijn die hiermee werken, wordt deze manier van corrigeren meestal toegepast door middel van het plaatsen van een los apparaat binnens- of buitenshuis. Denk hierbij aan de hal of de tuin. De systemen worden vrij snel geactiveerd door andere harde externe geluiden, zoals het dichtslaan van een deur.

Anti-blafmiddelen met vibratie correctie

Zodra de hond blaft, geeft deze band een vibratie af die de hond als onprettig ervaart waardoor hij zijn geblaf zal onderbreken. Hoe langer de hond blijft blaffen, hoe hoger het vibratieniveau zal worden. Indien de hond de vibraties niet eng vindt – lees: er niet angstig van wordt – zal de band geen effect hebben. Deze banden worden veelal gebruikt voor de wat kleinere hondenrassen.

Anti-blafbanden die reageren op trillingen van de stembanden

Deze banden zijn hierboven al min of meer aan bod gekomen; de banden die gebruik maken van tweevoudige detectie reageren namelijk op geluid én op de trillingen van de stembanden. Er zijn echter ook banden die uitsluitend op de trillingen reageren. Daardoor zal niet alleen het blaffen maar ook janken, piepen en huilen gecorrigeerd worden. Volgens de fabrikanten is het voordeel dat de band niet geactiveerd wordt als er een andere hond in de nabije omgeving blaft. De correcties worden net als bij de hierboven besproken middelen gegeven in de vorm van stroomstoten, geluidssignalen, vibraties of sprays.

De Husher

Een ander anti-blafmiddel is de husher. Dit is een elastische muilkorf die de hond ontmoedigt te blijven blaffen door het vermoeien van de kaakspieren. Het openen van de mond wordt gelimiteerd door de druk die de band uitoefent. Wel zou de hond gewoon kunnen eten en drinken maar erg makkelijk zal dat vermoedelijk niet gaan.

Op de Australische website staat onder andere te lezen dat “de druk om de snuit vergelijkbaar is met de beet van een roedelleider die zijn dominantie wil laten zien”. Nu bewezen is dat we ons niet meer op de dominantietheorie moeten baseren bij de opvoeding van onze honden kunnen we dit soort uitspraken nauwelijks nog serieus nemen.

Waarom blaffen honden?

Tot zover de bespreking van de verschillende anti-blafmiddelen die er tegenwoordig verkrijgbaar zijn. Ik heb hier en daar al laten vallen dat zo’n middel behoorlijk wat negatieve en ongewenste effecten tot gevolg kan hebben. Hoewel de teksten bij de advertenties vaak anders doen vermoeden, kunnen deze artikelen behoorlijk wat (emotionele) schade aan uw hond toebrengen.

Zo wordt er nog wel eens vergeten dat blaffen heel natuurlijk gedrag is voor een hond; het is voor een hond een belangrijke manier om zich te uiten. Daarnaast kunnen er heel wat redenen zijn waarom een hond blaft. Heeft hij pijn? Wil hij waarschuwen voor een inbreker? Of misschien is hij gewoon vrolijk? Er zijn heel wat verschillende vormen van blaffen, zoals bijvoorbeeld besproken wordt in het boek ‘Blafgedrag van honden’ van de Noorse hondentrainster Turid Rugaas. Zij vindt het heel belangrijk dat er altijd naar de onderliggende oorzaken (zoals frustratie of stress) gekeken wordt zodat we het eventuele probleem op kunnen lossen. De blaftypes die in het boek besproken worden zijn: vreudeblaffen, waarschuwingsblaffen, verdedigingsblaffen, angstblaffen, frustratieblaffen en aangeleerd blaffen.

Zolang we niets weten over de onderliggende oorzaken van het blaffen, is een anti-blafmiddel eigenlijk niets meer dan symptoombestrijding. De kans dat je de problemen dan alleen maar groter maakt, is zeer groot. Om een voorbeeld te geven: sommige honden blaffen als ze alleen thuis zijn. Dit gebeurt vaak omdat zij angstig zijn of zich vervelen. Een anti-blafband zal de situatie er echt niet leuker op maken en de hond zal het alleen thuis blijven misschien alleen nog maar enger gaan vinden. Er gebeuren immers nare dingen als hij alleen is; hij krijgt een schok of hoort vervelende geluiden. Als zij hun frustratie niet meer via blaffen kwijt kunnen, is het goed mogelijk dat honden zich op andere manieren gaan uiten. Het onderhanden nemen van het interieur staat dan hoog op het lijstje. Het is veel beter om hem te leren dat alleen thuisblijven heus niet zo erg is en dat hij zich op die momenten gewoon kan ontspannen. Dit zal heel langzaam opgebouwd moeten worden en dat kost natuurlijk wel wat meer tijd dan het omdoen van een blafband, maar uiteindelijk is het een stuk diervriendelijker en zal de hond veel minder stress ervaren.

Het is dus erg belangrijk dat er eerst bekeken wordt wat er ten grondslag aan het blaffen ligt. Zo moet bijvoorbeeld ook het ras van de hond in aanmerking worden genomen; sommige rassen blaffen nu eenmaal meer dan andere rassen. Dit geldt al helemaal voor honden die gefokt zijn om te waken en te verdedigen. Dat men echter bepaalde grenzen heeft, is logisch en begrijpelijk. Een hond die excessief blaft, kan enorm op de zenuwen werken of voor overlast zorgen. In die gevallen doet men er verstandig aan eerst te proberen het gedrag te doorbreken en om te buigen via positieve trainingsmethodes, rekening houdend met de redenen van het blaffen. Heeft dat geen resultaat? Schakel dan een gedragstherapeut in.

Het is voorstelbaar dat er situaties zijn waarin men niet ontkomt aan het gebruik van een blafband. Dit zou het geval kunnen zijn indien het blaffen voor zoveel overlast zorgt dat er een huisuitzetting dreigt. Een blafband zou dan als tijdelijke noodoplossing gebruikt kunnen worden. Het is daarbij wel van belang dat er goed gekeken wordt naar de werkzaamheid van de band en de reactie van de hond hierop. Sommige honden kunnen immers heel heftig reageren op de correcties die deze banden afgeven. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een hond denkt dat hij aangevallen wordt door een andere hond in huis, met alle gevolgen van dien. Andere honden worden compleet apathisch en durven geeneens meer te bewegen, een verschijnsel dat in de psychologie wordt aangeduid als learned helplessness. Weer andere honden gaan volledig door het lint.

Begin 2000 is er aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht in opdracht van de Hondenbescherming een onderzoek uitgevoerd naar het effect van de stroomband, of teletac, op het gedrag en het welzijn van honden. Een stroomband is een trainingsband die gebruikt wordt om ongewenst gedrag te corrigeren; door een druk op de knop kan de geleider een schok of een reeks schokken toedienen aan de hond. Hoewel de stroomband gebruikt wordt voor meerdere doeleinden is de werking vergelijkbaar met die van de anti-blafband. En de effecten die deze banden hebben op de hond dus ook. Uit de onderzoeksresultaten is onder andere naar voren gekomen dat de honden die schokken kregen toegediend significant meer signalen van pijn, angst en stress lieten zien.

Dit zijn allemaal zaken die men ernstig in overweging moet nemen bij het aanpakken van een blafprobleem.

De Autotrainer

Er is nu ook een apparaat op de markt dat gebaseerd is op beloning in plaats van straf. De Autotrainer is uitgevonden door dr. Ian Dunbar en dr. John Watson en wordt gebruikt om problemen die door verlatingsangst ontstaan op te lossen. Kort gezegd wordt de hond door middel van dit apparaat beloond voor steeds langere periodes van stilte.

Literatuur:

Training dogs with help of the shock collar: short and long term behavioural effects. MBH Schilder, JAM van der Borg. Applied Animal Behaviour Science, 2004

Blafgedrag van Honden – Turid Rugaas

 

P1250890

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off on De zin en onzin van anti-blafmiddelen

Posted in Artikelen

 

Ieder diertje zijn pleziertje?

06 Nov

 

De plaats die honden innemen binnen onze maatschappij is al jaren aan verandering onderhevig. Waar honden voorheen in huis genomen werden als erfbewakers, beschermers van het gezin, verdelgers van klein ongedierte of als werkers bij het vee hoeven zij tegenwoordig in de meeste gevallen niet meer zo nodig een specifieke taak te vervullen. De meeste mensen nemen een hond omdat ze het gewoonweg leuk vinden. Het gevolg is dat er ook vaak leuke dingen met hem moeten worden gedaan. Een lekkere wandeling is lang niet altijd meer genoeg; liefst volgt men verschillende cursussen of workshops met de hond of wordt er een sport met hem beoefend. Wij vinden dit leuk en hebben er (meestal) lol in. In hoeverre geldt dat echter ook voor de hond zelf? Is het niet net zo belangrijk dat de hond met net zoveel plezier deelneemt aan alle activiteiten waaraan we hem blootstellen?

Hoe zie ik of mijn hond blij is?

Het eerste probleem waar we hierbij tegenaan lopen is natuurlijk de vraag hoe we kunnen bepalen of de hond ergens plezier in heeft. We ontkomen er bijna niet aan blijdschap en de kenmerken daarvan in menselijke termen te beschrijven (antropomorfisme). Dat hoeft op zich niet zo’n probleem te zijn, zolang we maar niet uit het oog verliezen dat honden ongetwijfeld op hun eigen manier plezier hebben, beleven en uiten. Feit is dat honden de emotie van blijdschap wel degelijk ervaren; dit is inmiddels al meerdere malen bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Voor hondenliefhebbers en – eigenaren zal dit niet bepaald als een grote verrassing komen.

We kunnen echter moeilijk elke keer dat we willen bepalen hoe onze hond zich voelt een MRI scan maken van zijn hersenen dus zullen we het moeten doen met wat we kunnen zien aan zijn lichaamshouding en gezichtsuitdrukking. Dit is niet zo simpel als het in eerste instantie lijkt. Veel mensen denken bijvoorbeeld dat een kwispelende staart op blijdschap duidt maar het kan ook een teken zijn van opwinding of spanning. Zo zijn er nog wel meer signalen die op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Het is daarom belangrijk om naar het hele plaatje te kijken. Bij de ene hond zal het misschien ook wat makkelijker te zien zijn dan bij de andere, afhankelijk van het ras. Daarnaast – om het nog even wat ingewikkelder te maken – zijn er natuurlijk nog gradaties van blijdschap; net als mensen kunnen honden ‘een beetje blij’, ‘gewoon blij’, ‘heel blij’ of ‘intens blij’ zijn. Vooral bij die laatste vorm moet je uitkijken dat deze niet verward wordt met opwinding uit frustratie. Op internet zie je bijvoorbeeld regelmatig filmpjes voorbij komen van honden die zich enorm opwinden over iets. Dit wordt dan dikwijls geïnterpreteerd als extreme blijdschap. Soms is dit terecht, maar het kan ook voorkomen dat je eigenlijk naar een zeer gefrustreerde hond zit te kijken. Als je goed kijkt, zal je zien dat er in het gezicht en in het hele lijf van de hond veel meer spanning zit dan bij echte blijdschap.

Mijn eigen honden hebben vaak een bepaalde twinkeling in hun ogen als ze blij zijn. Dan kijken ze me aan met zo’n lieve grijns op hun gezicht en in hun ogen danst een lichtje. Als ik dit zie, weet ik dat het goed zit en dat zij het naar hun zin hebben.  Moet die twinkeling dan altijd aanwezig zijn, op elk moment van de dag? Nee hoor, dat zou echt een beetje onrealistisch zijn. Ik streef er echter wel naar dat mijn honden veel plezier hebben in de dingen die ik met ze onderneem, zoals clickertraining, frisbee, behendigheid, zwemmen en actieve wandelingen. En laten we vooral de vele knuffelmomenten niet vergeten; het hoeft niet altijd iets actiefs te zijn.

Niet elke hond vindt alles even leuk en soms moet je daarom even zoeken naar iets waar hij echt lol in heeft. Gelukkig zijn er tegenwoordig genoeg mogelijkheden om dit te ontdekken, denk maar aan alle activiteiten, cursussen en workshops waaraan je met je hond kan meedoen. Natuurlijk moeten we het ook weer niet overdrijven. Zoals ik net al aangaf; elke hond is anders. Sommige honden worden misschien alleen maar gefrustreerd van al die ‘leuke dingen’ die we met ze willen doen. Dit doet me soms een beetje denken aan die iets te fanatieke ouders die hun kinderen meeslepen naar allerlei sporten of schoonheidswedstrijden (iets dat vooral in Amerika ernstige vormen kan aannemen). Het fanatisme van deze ouders gaat soms zó ver dat het omslaat in agressie en het komt dan ook geregeld voor dat zij als idioten staan te schreeuwen langs de zijlijn of andere ouders – al dan niet verbaal – aanvallen. Je kan je voorstellen wat een druk dit op het kind moet leggen. De meeste ouders zullen beweren dat hun kinderen de betreffende activiteit hartstikke leuk vinden. Ik denk eerder dat zij het zelf hartstikke leuk vinden en dat zij volledig uit het oog verliezen dat hun kinderen er ook nog een beetje plezier aan zouden moeten beleven. Het is alsof zij iets goed willen maken dat zij zelf in hun jeugd of in hun opvoeding hebben gemist; alsof zij hun eigen tekortkomingen projecteren op hun kinderen.

Ik ben van mening dat sommige mensen dit ook met hun honden doen, zeker op het sport- of trainingsveld. Deze mensen lijken het belangrijker te vinden om tegenover anderen te laten zien wat een goede trainers zij zijn en wat hun honden allemaal al wel niet kunnen dan dat de honden daadwerkelijk plezier hebben gehad tijdens de training. Een typisch geval van ‘het doel heiligt de middelen’? Moeten we onze honden überhaupt wel dingen laten doen die zij niet leuk vinden? Dat is de vraag. Denk bijvoorbeeld eens aan hondenshows; daar lopen doorgaans aardig wat gestresste en ongelukkige honden rond. Ik heb het hierbij natuurlijk wel over de minderheid van de honden, er zullen er genoeg zijn die het prachtig vinden. Althans, dat hoop ik. Maar dan nog, waarom zouden we een hond die dit soort evenementen vreselijk vindt hieraan blootstellen? Ik denk dat ieder deze vraag maar voor zichzelf moet beantwoorden.

Wisselwerking

Samen met je hond bezig zijn en samen ontdekken wat jullie leuk vinden kan zo fijn zijn; het versterkt de onderlinge band enorm en het brengt bij allebei positieve gevoelens teweeg. Het hoeft echt niet altijd ingewikkeld te zijn. Een lekkere afwisselende wandeling met tussendoor een zoekspelletje of een klein trucje kan al een wereld van verschil betekenen. Probeer iets te ontdekken waar jullie allebei warm voor lopen. Het is immers (bijna) net zo belangrijk dat jij er zelf ook plezier in hebt! Een hond is niet gek en als jij doet alsof je het naar je zin hebt, zal hij dat zeker voelen. Eigenlijk is dit precies wat het leven met honden zo veelzijdig en interessant maakt; zij zorgen ervoor dat wij bewust worden van onszelf en leren ons soms even stil te staan en te genieten van het moment.

Het is nergens voor nodig om nu opeens van alles te gaan proberen. Neem rustig de tijd om uit te zoeken waar jullie blij van worden. Observeer zijn gedrag in verschillende situaties, kijk hoe hij op dingen reageert en probeer te herkennen hoe hij zijn blijdschap uit. Wees daarbij niet bang hem het initiatief te laten nemen. Op deze manier kan je op den duur een lijstje opstellen van de dingen die hij het allerleukste vindt maar ook van dingen die hij gewoon leuk vindt. Nu kan je dat lijstje er in het vervolg af en toe eens bij pakken maar het zou helemaal mooi zijn als jullie iedere dag iets leuks zouden kunnen doen (zijn we dat eigenlijk niet aan onze honden verplicht?), je zal merken dat je er heel veel voor terugkrijgt. En vergeet vooral niet: een dag niet gelachen, is een dag niet geleefd!

2014-10-27 13.44.45

 
Comments Off on Ieder diertje zijn pleziertje?

Posted in Artikelen

 

Kunnen honden rouwen?

06 Nov

Op internet circuleren vele filmpjes en foto’s van dieren die verdriet lijken te hebben om het verlies van een soortgenoot of van hun baasje. De begeleidende teksten liegen er vaak ook niet om en de conclusie dat we hier daadwerkelijk met een rouwend dier te maken hebben, is vervolgens snel getrokken. Een bekend voorbeeld is de hond Hawkeye, de labrador van de Amerikaanse Navy Seal Jon Tumilson. Jon en Hawkeye hadden een speciale band, ze waren echt maatjes en Hawkeye was de constante factor in Jon’s leven. Deze hechte vriendschap kwam tot een tragisch en abrupt einde toen de helikopter waar Jon in zat in de zomer van 2011 werd neergeschoten door de Taliban. Bij zijn begrafenis was ook Hawkeye aanwezig en tijdens de toespraak van een goede vriend van Jon deed hij iets onverwachts; hij liep achter de vriend aan en ging rustig voor de kist liggen. Gedurende de rest van de dienst is hij niet meer van die plek geweken. Dit bijzondere moment is vastgelegd op een foto die veel mensen waarschijnlijk wel voorbij hebben zien komen op internet.

Volgens de aanwezigen had Hawkeye duidelijk een soort besef van het overlijden van zijn baasje. Sceptici zullen echter beweren dat er alternatieve verklaringen zijn voor het gedrag van de hond; misschien was het toeval dat hij daar ging liggen en vond hij het gewoon een prettig plekje. Het feit dat hij precies naast de kist ging liggen, hoeft er volgens hen niet op te wijzen dat hij ook maar enig begrip had van wat er aan de hand was. Dit soort bezwaren zijn zeker niet ongewoon, integendeel. Bij de meeste voorbeelden, verhalen en anekdotes over honden – en allerlei andere dieren – die gedrag vertonen dat lijkt op rouwen, kunnen er alternatieve interpretaties worden gegeven. Een veel voorkomende verklaring is bijvoorbeeld dat honden simpelweg reageren op de emoties en stemming van hun eigenaar.

Het probleem is vooral dat het (tot nu toe) nagenoeg onmogelijk is om wetenschappelijke bewijzen te vinden voor de aanwezigheid van rouw bij dieren. Dat dieren gevoelens van verdriet en pijn kunnen ervaren, staat inmiddels wel vast maar voor werkelijke rouw is er meer nodig, namelijk een conceptueel begrip van de dood. Om te begrijpen dat iemand dood is, moet er op zijn minst besef zijn van het feit dat iemands afwezigheid niet tijdelijk is, dat het gaat om een definitieve, onomkeerbare situatie. Rouwen om het verlies van een dierbare houdt dus in dat er enige notie vereist is van een abstract concept als “de toekomst”.  Omdat er nog nauwelijks wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar rouwverwerking bij honden zullen we het voorlopig moeten doen met de vele verhalen en beelden die we tegenkomen in de media en zo nu en dan in onze eigen omgeving.  Het is moeilijk om te geloven dat dieren niet kunnen rouwen als we afgaan op al die mooie en indrukwekkende anekdotes. Verhalen over olifanten die wakes lijken te houden voor een overleden matriarch of over chimpansees die dagen niet willen eten en soms zelf sterven na het verlies van een dierbaar maatje of familielid; stuk voor stuk overtuigen deze voorbeelden ons dat deze dieren besef hebben van de betekenis van de dood en dat zij verdriet hebben om het dier dat overleden is. Nu staan chimpansees en olifanten vrij hoog op de ‘cognitieve ladder’ en zij vormen dikwijls een sterke emotionele band met soortgenoten binnen hun sociale groep. Het is dan ook niet zo heel moeilijk om je voor te stellen dat deze dieren bedroefd zijn als er een dierbare wegvalt.

Er zijn echter ook vele voorbeelden van andere diersoorten die tekenen van rouw vertonen. Zo vertelt de Amerikaanse antropologe Barbara King in haar prachtige boek “How Animals Grieve” over rouwverwerking bij onder andere vogels, schildpadden, walvissen, geiten, beren, konijnen, katten, paarden en natuurlijk…. honden. Wellicht ken je de film ‘Hachi: a Dog’s Tale’ met Richard Gere in de hoofdrol. Deze film is gebaseerd op het leven van de Akita Hackiko (of Hachi) die in Japan erg bekend werd nadat hij negen jaar lang wachtte op de terugkeer van zijn baasje, Eisaburo Ueno, bij het treinstation Shibuya in Tokio. Normaal gesproken liep hij elke dag met Uneo mee naar het station waar deze de trein nam naar zijn werk. Aan het einde van de werkdag stond Hachi weer bij het station om zijn baasje op te halen. Toen Ueno op zijn werk stierf aan een hartverlamming kwam er een einde aan dit gezamenlijke dagelijkse patroon, al bleef Hachi tot aan de dag van zijn eigen dood iedere dag trouw naar het station gaan om te wachten op zijn eigenaar. Nu is dit natuurlijk niet direct een voorbeeld van een treurende hond of van een hond die weet dat zijn baas voorgoed verdwenen is maar wel van de unieke trouw en liefde die honden tentoon kunnen spreiden. Ik denk dat het noodzakelijk is dat honden deze gevoelens van liefde ervaren, willen zij uiteindelijk kunnen treuren om het verlies van degene van wie zij gehouden hebben. Zoals een bekend gezegde gaat: rouw is de prijs die we betalen voor liefde.

Dit houdt echter niet automatisch in dat een hond die een hechte band had met zijn eigenaar of met een soortgenoot altijd zal rouwen als deze wegvalt. Er zijn genoeg verhalen over honden die geen enkele verandering in gedrag of emotie laten zien. Ook bij mijn eigen honden heb ik tot op heden nog geen tekenen van verdriet gezien als er een hond uit onze roedel overleed. Zelfs toen zij de kans kregen nog even aan hun overleden maatje te snuffelen, bekommerden zij zich amper om het lichaam en gaven zij ook geen blijk van enige bezorgdheid of onrust; zij gingen gewoon rustig door met waar ze op dat moment mee bezig waren. Net alsof er geen dood lichaam in de kamer lag. Zo zijn er ook verhalen over honden die eigenlijk alleen maar lijken op te knappen en vrolijker worden na het overlijden van een hond waar ze voorheen mee samenleefden.

We moeten er hierbij wel voor waken, zoals Patricia McConnell opmerkt in haar boek “For the love of a dog”, dat we ons niet alleen maar richten op gedrag dat ons eigen rouwbeeld ondersteunt. Met andere woorden: we moeten alle gedragingen in ogenschouw nemen en niet alleen maar die gedragingen die we kunnen spiegelen aan tekenen en uitingen van menselijke rouw. Volgens Barbara King is het ook helemaal niet nodig dat we universaliteit als een criterium hanteren voor het bestaan van een fenomeen als rouwen; we hoeven niet te zien dat iedere hond rouwt om te geloven dat sommige honden rouwen. Of een hond zal rouwen, is vooral afhankelijk van zijn persoonlijkheid en de context. Iedere hond en elke situatie is anders is anders. Daarnaast zijn de meeste deskundigen het er wel over eens dat er sprake moet zijn een bijzondere band tussen de hond en de overledene, waarbij liefde en loyaliteit de belangrijkste karakteristieken lijken te zijn, zoals hierboven al staat aangegeven.

Hoe herkennen we een rouwende hond en wat kunnen we eraan doen?

Honden in de rouw vertonen dikwijls een aantal opvallende symptomen, waaronder verlies van eetlust, lusteloosheid (lethargie), angstig gedrag en stress gerelateerde gedragingen als onrustig heen en weer lopen, overdreven aanhankelijkheid en blaffen of piepen.

Volgens – de inmiddels overleden – Amerikaanse gedragsdeskundige en dierenarts Sophia Yin vertonen rouwende honden dezelfde tekenen als honden die lange periodes gescheiden zijn van degene met wie zij een diepe band hebben. Van die tekenen is depressie de meest voorkomende. Honden slapen dan langer dan normaal, bewegen langzamer, eten minder en spelen over het algemeen veel minder.

Er zijn een aantal dingen die je kunt doen om te zorgen dat je hond zich weer een beetje beter gaat voelen. Het belangrijkste is dat je zijn zinnen probeert te verzetten; neem hem mee op stevige wandelingen, regel speelafspraakjes met andere honden en doe leuke, actieve spelletjes met hem zoals apporteren of zoekspelletjes. Het kan ook zijn dat jouw hond gelukkig wordt van een ritje in de auto of een lekkere borstelbeurt. Schroom dan vooral niet om dat dagelijks met hem te doen. Het gaat erom dat je bepaalde rituelen creëert waar hij iedere dag naar uit kan kijken en waar hij werkelijk plezier aan beleeft. Verwacht hierbij geen wonderen; het kan een paar weken tot een aantal maanden duren voor de herinnering aan en het gemis van de overledene wat vervaagt.

2014-10-31 08.43.45

 
Comments Off on Kunnen honden rouwen?

Posted in Artikelen

 

Tussen Wens en Werkelijkheid (auteur: Nina Dany)

26 Jun

 

Oorspronkelijke titel: Hundeerziehung zwischen Wunsch und Wirklichkeit
Het oorspronkelijke Duitse artikel vindt u hier
Nederlandse vertaling: Alfred Ballast

 

Hondenopvoeding tussen wens en werkelijkheid

Het was zondagavond en ik zat samen met een vriendin een glas wijn te drinken. Zij was dat weekend op een seminar geweest over ‘De relatie met je hond’. Terneergeslagen keek ze me aan. “Weet je”, zei ze, “eigenlijk was het een ‘ontliefhebseminar’. Toen ik er naartoe ging vond ik mijn hond geweldig, maar toen ik terugkwam was ik me ervan bewust dat mijn hond eigenlijk nog steeds een project is. Hij piepte de hele tijd en terwijl de andere honden ontspannen waren was hij voortdurend gefocust op de konijntjes op het terrein. Ik kreeg hem van de hazentrekmachine niet teruggeroepen, terwijl dat bij de andere honden na hooguit de tweede ren goed ging. Tijdens de wandeling waren alle andere honden heel sociaal, alleen de mijne zocht voortdurend mot en trok als een gek aan de riem. Allen hadden op enig moment een succeservaring – alleen ik niet. Ik werk al zes jaar aan dit alles maar mijn hond is nog steeds een project. Ik maak alleen maar pas op de plaats, ik kom niet vooruit”.

Ik nipte aan mijn glas en dacht na. Nee, die hond is geen project. Sinds enkele jaren doet ze veel met haar honden, werkt ze aan de problemen, weet ze de tegenslagen op te vangen, denkt ze na over de verzorging en opvoeding en kijkt mij regelmatig op m’n vingers. De vooruitgang die ze boekt is enorm. Van een hond die panisch wegrende wanneer hij andere mensen, auto’s en bussen zag naar een hond die zonder problemen, zij het voorzichtig, andere mensen voorbij kan gaan. Van een hond die in paniek begon te gillen als zij maar naar het toilet ging, naar een hond die volledig ontspannen slaapt wanneer hij alleen is. Van een hond die graag andere honden opvrat tot een hond die zelfs aan de lijn toelaat dat andere honden hun neus onder z’n staart steken.

“Je hond is geen project”, gaf ik haar aan, “je hebt al heel veel bereikt bij deze hond. Hij heeft zijn bijzonderheden. Hij is nu eenmaal een nerveuze viervoeter en zal NOOIT een ontspannen kerel zijn die in opwindende situaties volledig rustig blijft. Hij heeft jachtdrift, maar dat heb je onder controle en daaraan werk je voortdurend. Je hebt een leuke hond. Je hebt nu gezien waar zijn en jouw grenzen liggen en waarin je hem nemen moet zoals hij is. Je hond is niet perfect – maar wie is dat wel? Door dag en tijd kunnen jullie uitstekend met elkaar uit de voeten!”  Het glas was nu leeg. Peinzend namen we afscheid van elkaar.

Hoe kan het gebeuren, dat de eigen waarneming en dat wat anderen zien zover uit elkaar liggen? Hoe komt het dat iemand zijn eigen hond alleen nog als project ziet en dan ondanks trainingen het gevoel heeft niet vooruit te komen?

Geïdealiseerd beeld vs de werkelijkheid

Wanneer ik aan mijn eerste hond denk, valt me op met wat voor foute voorstellingen ik als hondenbezitter begonnen ben. Ik wilde met mijn hond de natuur beleven. Door velden, weilanden en bossen struinen, de vogels horen kwetteren en daarvan intens genieten. Ik wilde nieuwe mensen leren kennen, toekijken hoe de honden spelen en me eenvoudig verheugen over mijn nieuwe partner hond. Wat een romantisch plaatje!
En toen kreeg ik deze hond door omstandigheden plotseling in handen gedrukt. Ze trok als een idioot aan de lijn. Ontspannen wandelingen? Foutje! Zodra je de lijn er af haalde was ze weg en ook als je de lijn er aan hield kon het gebeuren dat ze er gewoon vandoor ging als ze wat zag om op te jagen, waarbij ze het vrouwtje door de modder sleurde. Hoe moest ik toen van de natuur genieten?

Ik deed er het best aan ergens te gaan lopen waar zo min mogelijk natuur was. Leuke nieuwe kennissen maken was er ook niet bij, omdat mijn hond vreselijk angstig voor haar soortgenoten was en op enig moment besloot dat ze die liever aanvloog dan zich gedeisd te houden. Nog afgezien van haar idee om af en toe mensen te grijpen. Mijn volledige beeld van hoe het zou zijn om een hond te hebben boorde ze in de grond.

Ondertussen kan ik daarom lachen. Vroeger was ik echter vaak bijna wanhopig. Zo had ik me dit toch niet voorgesteld!
Zo gaat het met veel hondenbezitters. Iedereen die een hond neemt, heeft een bepaald beeld in z’n hoofd, hoe hij zich het houden van die hond en het dagelijks leven met die hond voorstelt. Dat kan een dromerig, romantisch beeld zijn, zoals bij mij. Het kan de perfecte familiehond zijn, die natuurlijk altijd lief is en zich altijd braaf gedraagt tegen de kinderen. Het kan ook de sporthond zijn, die examens en wedstrijden moet lopen – liefst met de hoogste cijfers. De aangeschafte hond toont dan precies daar problemen waar hij niet voldoet, want overal waar de hond niet aan je ideaalbeeld beantwoordt neem je de afwijkingen waar.

Gelukkig zijn er hondentrainers en passende methoden, om de hond overeenkomstig het eigen ideaal te modelleren. In de theorie klopt dat wonderbaarlijk en je komt ook zeker mensen tegen die beweren dat bij hen ieder probleem zich in lucht heeft opgelost. Zo werkt men aan de problemen. Men voedt op, conditioneert, zoekt naar oplossingen, hoopt dat nu alles klopt en vreest voor een terugslag in de training. Het dagelijks leven verwordt daarmee tot dat laatste: training. En terwijl men de hond traint, onderkent men plotseling de grenzen aan alle geweldige methoden en de begenadigde trainer. De gehoopte verandering blijft uit en men begint te twijfelen – aan zichzelf en aan de hond, totdat men zich uiteindelijk vertwijfeld afvraagt “Waarom heb ik een hond genomen?”

Het internet met alle groepen in de sociale media en alle forums maken het dilemma niet kleiner. Daar vind je de hondenbezitters verzameld, die allemaal een perfect luisterende en perfect opgevoede hond hebben. De hond die zich agressief toont wordt snel een arm, angstig dier waarvan je dat gedrag voor lief nemen moet. Of er wordt gezegd dat je die hond alleen moet tonen wie er de baas is, en alles komt in orde. Je wordt mislukkeling 2.0, wanneer al die tips en goede raad geen vruchten afwerpen en alle anderen perfecte viervoeters hebben.

Waarvandaan komt dan dat ideaalbeeld, waaraan we onze honden afmeten?

Enerzijds is het de samenleving die graag een zo lief mogelijke, nette, perfect luisterende viervoeter wil zien. In de omgang moet de hond liefst aardig zijn – maar wat betekent het dan, wanneer een hond zich agressief en ongemanierd gedraagt? En wat moeten de mensen denken, wanneer je dan ook nog eens corrigerend ingrijpt?
Anderzijds ben je het ook gewoon zelf. Verwachtingen die je aan de hond stelt en ook aan jezelf, compliceren het nog verder.

Vaak is het raadzaam om het hoofd vrij te maken van al die beelden en de hond te zien zoals die is. Het is voor een hond niet vanzelfsprekend en al helemaal niet soorttypisch om met iedere hond goed overweg te kunnen. Het is niet natuurlijk, wanneer hij niet jaagt. En het is ook niet echt normaal als hij iedereen aardig vindt. Hier zijn er de raskenmerken die grenzen stellen. Vrijwel geen jachthond zal ongeïnteresseerd een konijntje voorbij lopen. Vrijwel geen kuddebewaker zal volledig probleemloos zijn bij onbekende mensen. Daar bovenop komt het karakter van de hond. Er zijn honden die ertoe neigen resources te verdedigen. Er zijn honden die andere mensen fantastisch vinden maar hun soortgenoten kunnen missen als kiespijn. Er zijn honden die met een opwindende omgeving niet uit de voeten kunnen. Er zijn honden die zeer snel nerveus en opgewonden worden en er zijn honden die nergens door van slag raken.

De ethische vraag

In plaats van achter een ideaal aan te hollen, is het raadzamer de hond te nemen zoals die is. Weinig honden laten zich omvormen. Een hond zo omvormen dat hij geen eigen persoonlijkheid meer heeft en alleen nog maar aan het menselijke ideaal beantwoordt, is ethisch discutabel. Iedereen windt zich op wanneer honden zo gefokt worden dat er daardoor allerlei afwijkingen ontstaan. Maar is het oké als we honden benaderen vanuit een filosofie waarmee we volledig natuurlijke en volledig normale gedragingen als onnatuurlijk en abnormaal aanmerken?

Problemen zijn kansen

De erkenning dat je misschien een volledig fout ideaalplaatje had en met dingen moet leren leven die je eigenlijk idioot vindt, kan best pijnlijk zijn. Maar juist die erkenning biedt je de kans om je verder te ontwikkelen en een nieuwe, gezonde attitude te krijgen tegenover het levende wezen waarmee je je leven deelt.

Natuurlijk moet je ook aan de problemen werken. Ze volledig wegtrainen is echter niet altijd mogelijk. Ze hanteerbaar maken moet eerder de insteek zijn. Een hond die andere honden niet mag, moet bij het in zicht komen van een andere hond terug te roepen en aan de lijn controleerbaar zijn. Een hond met een issue naar mensen hoeft zich niet door iedereen te laten aanraken, maar hij moet evenmin uit zichzelf naar mensen uitvallen wanneer er niemand is die iets van hem wil. Dit maakt het ook mogelijk om prioriteiten te stellen. Je kunt de persoonlijkheid van de hond niet veranderen maar je kunt wel de omgang met de hond zodanig vormgeven dat er geen wrijvingen ontstaan.
Natuurlijk moet je daarbij in de gaten houden dat een hond met een ernstige gedragsstoornis een leven met beperkingen heeft. Ook mag de hond niet een gevaar voor de omgeving worden. Hieraan moet fundamenteel gewerkt worden, met inachtneming van de persoonlijkheid van de hond.

Maar ook probleemgedrag kan positieve effecten hebben. Nadat ik geaccepteerd had dat mijn teef jaagt en dat ook altijd zal blijven doen, kon ik de natuur met andere ogen bezien. Betrouwbaar toonde ze me waar veel wild onderweg is, en wat voor wild er op pad is. Plotseling zag ik dat het op het naastgelegen weiland wemelt van de bodembroeders. Dat wilde zwijnen het liefst in maisvelden verblijven heeft ze me ook duidelijk gemaakt. Van nu af aan ging ik met open ogen door de natuur en zag het wild vaak nog voor mijn hond. Mijn hond toonde me de natuur op een heel nieuwe manier. Had ik geen jagende hond, dan zou ik dit nooit zo hebben ervaren.

Mijn hond dwong me zich in haar en haar wezen te verdiepen. En iedere hond die er nieuw bij komt brengt me aan nieuwe grenzen. Die te erkennen, uit te peilen, uit te proberen en uiteindelijk samen met de hond te groeien is altijd een geweldige ervaring. Mijn eigen honden zijn altijd nog mijn beste leermeesters.
Vermeend probleemgedrag leert iemand niet alleen veel over honden, het biedt ook de mogelijkheid tot karakterontwikkeling. Een opgewonden hond wordt bij een nerveuze eigenaar nog meer opgewonden, en de eigenaar nerveuzer – een vicieuze cirkel is voorgeprogrammeerd. En zo leer je door de hond zelf in moeilijke situaties rustig te blijven. Onzekere eigenaren leren zekerheid te geven, omdat de hond dat nodig heeft. Ingetogen mensen leren ook eens ‘nee’ te zeggen: ‘Nee, die wil niet aangeraakt worden’. Om een ‘Doet-niets’ die je hond nadert te verdrijven heb je zelfverzekerdheid en doorzettingsvermogen nodig. Dingen waar je ook in je alledaagse omgang met andere mensen veel aan hebt.

Grenzen van de opvoeding

Het is daarbij altijd belangrijk om je eigen grenzen te erkennen. Het is GEEN brevet van onvermogen wanneer je een slechte dag hebt en dan bepaalde situaties uit de weg gaat. Het is geen brevet van onvermogen, wanneer de hond zich eens misdraagt. Het is een hond en geen robot – net zo min als wij.

Dienovereenkomstig moet je jezelf de vraag stellen: “Wat is haalbaar voor mij, voor mijn hond, voor mijn hondenhuishouden en wat is voor mij heel belangrijk?” Overal worden grenzen gesteld. De omgeving stelt grenzen en prioriteiten. Iemand die buitenaf woont heeft andere eisen dan iemand die in de stad woont. Ook de hond stelt iemand grenzen. Je kunt een jachthond niet overal los laten lopen en waar dat wel kan, moet je steeds 100% op je hond gefocust zijn. Maar ook zelf heb je je eigen grenzen. Als je zelf een temperamentvol mens bent, kun je niet altijd het rustgevende anker voor je hond zijn. Ook dat is volledig in orde.

Bij al die vermeend negatieve aspecten moet je het positieve niet vergeten. Dan houdt een hond nu eenmaal niet van andere honden – maar hij is super terug te roepen en hij jaagt niet. Dan houdt een hond nu eenmaal niet van andere mensen – maar hij is dol op andere honden en zo kun je toch samen met andere hondenbezitters gaan wandelen. Dan is een hond snel opgewonden – maar hij is dan ook direct van de partij als je iets met hem wilt gaan doen en hij leert snel. Er zijn zoveel positieve momenten die we veel te vaak als vanzelfsprekendheid aannemen, maar die dat niet zijn. Wanneer je dat onderkent, zie je wat voor leuke hond je hebt.

Persoonlijkheid als kans

Uiteindelijk gaat het er om tot een ontspannen omgang met de hond te komen, foute voorstellingen los te laten en afstand te nemen van perfectionisme. De charme van het hebben van honden ligt niet in het naast elkaar leven en vrolijk door de natuur te slenteren. De charme van het houden van een hond ligt daarin dat je een kleine hondenpersoonlijkheid opneemt en in je leven integreert. De hond is geen onbeschreven blad dat men naar believen beschrijven kan. Het is een zelfstandige persoonlijkheid! Dat waar te nemen biedt iemand ook de mogelijkheid om zichzelf te ontdekken. Zijn eigen zwakheden te zien en te accepteren.

Hoeken en punten vormen onze persoonlijkheid. Hoe saai zou het zijn wanneer iedereen gelijk was. Die hoeken en punten vinden we ook bij onze honden en dat bepaalt in samenspel uiteindelijk de betrekking tot onze viervoeters. DAT is individualiteit en uniekheid. Om dat in de betrekking tot je hond te ontdekken is een spannende aangelegenheid.
We moeten allemaal dankbaar zijn voor de diversiteit aan honden en de belangrijke lessen die we van hen ontvangen.

Auteur: Nina Dany

Website Planet Hund: http://www.planethund.com/

 

 

NinaDany

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off on Tussen Wens en Werkelijkheid (auteur: Nina Dany)

Posted in Artikelen