RSS
 

Archive for the ‘Artikelen’ Category

De Wondere Wereld van de Puppycursus

22 Sep

 

Het is zover, er komt een puppy in huis! De opvoeding kan beginnen. Het is tegenwoordig heel normaal om een gehoorzaamheidscursus met je pup te gaan volgen als aanvulling op de opvoeding thuis. Eigenlijk word je gewoon raar aangekeken als je níet op cursus zit met de kleine. Vol goede goede moed op zoek naar een leuke hondenschool dus. Maar…. hoe kies je nu de beste of de leukste uit, uit het grote aanbod dat er is?

De meeste hondenscholen hebben wel een website waar je alvast een kijkje kan nemen en een indruk kan krijgen van hoe het er daar aan toe gaat; welke methodes worden er bijvoorbeeld gebruikt en welke visie hangt men aan? Daarnaast kan je er meestal alle belangrijke praktische zaken vinden, zoals kosten, tijden en locaties. Op deze manier kan je van tevoren al aardig wat informatie verzamelen. Het komt echter nog wel eens voor dat de informatie op de website niet helemaal overeen komt met hoe het er in de praktijk op een hondenschool aan toegaat. Dus alleen afgaan op een website is misschien niet zo verstandig. Het zou allemaal wel eens veel leuker kunnen klinken dan dat het in werkelijkheid is. Laat ik dit eerst eens illustreren aan de hand van een persoonlijk voorbeeld. Nu is mijn geval misschien een tikje anders omdat ik al jaren meerdere honden heb. Om die reden heb ik al eerder (puppy)cursussen gevolgd. Daarnaast heb ik in de loop der jaren veel kennis opgedaan over hondengedrag en – training, al ben ik natuurlijk geen professional. Het zorgt er echter wel voor dat ik niet meer met een beginnersbril naar dit soort cursussen kijk en dat stelt me denk ik juist in staat om er een beter, meer afgewogen, oordeel over te vellen.

Een bijkomend probleem in mijn huidige woonplaats is het gebrek aan aanbod; echt veel scholen zijn er eigenlijk niet in de buurt. Je bent eigenlijk al snel aangewezen op de plaatselijke Kynologenclub. Hier ben ik dan met enige regelmaat te vinden. Nu hebben we sinds kort twee pups erbij en daarmee wilde ik – apart van elkaar – op puppycursus. Zeker voor de socialisatie vind ik dit erg belangrijk. Ik wilde wel eens ergens anders gaan kijken dan op de KC en via via kwam ik terecht bij een dame die ook les geeft hier in de buurt. De website zag er aardig uit en de tekst die erop stond, sprak me wel aan. Zo zou zij trainen in kleine groepjes van maximaal zes of zeven honden, zodat iedereen genoeg persoonlijke aandacht zou krijgen. Verder stond er te lezen dat er meer aandacht geschonken zou worden aan samenwerking en communicatie dan aan het halen van examens. Kijk, dat wilde ik horen! Vol goede moed begonnen mijn pup Purdy en ik aan de eerste les. Je voelt het misschien al aankomen: het werd een teleurstelling.

Er bleken pups van allerlei leeftijden, rassen en groottes rond te lopen. Op zich geen probleem, ware het niet dat het allemaal stuiterballen eerste klas waren. Als ik in het kringetje ging staan dat we moesten vormen om de instructrice, werd Purdy binnen de kortste keren van alle kanten belaagd. Het ergste vond ik nog wel dat hier niks aan werd gedaan. Gelukkig weet ik met dit soort situaties wel raad; ik ben gewoon een beetje meer naar achter gaan staan en wist Purdy’s aandacht goed op mij gericht te houden. Immers, een goede training valt of staat met aandacht. Zonder aandacht ben je nergens! Het leek echter wel of de instructrice hier heel anders over dacht, aangezien er totaal niks gezegd werd van het stuiterballengedrag van de andere pups.

Het programma zou toch gericht zijn op samenwerking en communicatie? Ik merkte er niets van. Het werd nog erger: aan het eind van les bleek het de bedoeling dat alle pups van de lijn mochten en het maar moesten uitzoeken met elkaar. Zowel de zeer jonge en kleine pups zoals Purdy én de oudere, lompere pups. En dan gaat groepsdruk dus een rol spelen. Hoewel het tegen mijn gevoel indruiste, liet ik Purdy los. En ja hoor, er doken gelijk een paar van de grotere – echt behoorlijk forse – pups op haar af en terwijl zij duidelijk aangaf hier niet van gediend te zijn, gingen die gewoon door. Het allergrootste probleem was wederom het gebrek aan begeleiding (persoonlijke aandacht, was het toch?). De instructrice en haar assistente gingen rustig koffie staan drinken en besteedden geen aandacht meer aan wat er op het veld gebeurde. Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat dit soort toestanden voor een pup op een traumatische ervaring kunnen uitlopen. Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand die voor het eerst een pup heeft geen idee heeft hoe hij of zij met een dergelijke situatie overweg moet. Ik zal je besparen hoe de cursus verder is verlopen, hoewel ik niet kan nalaten om te vertellen dat de groep inmiddels uit meer dan zeven cursisten bestaat.

Waar het hier om gaat, is dat het heel lastig kan zijn om een hondenschool uit te zoeken die bij je past en aansluit bij je wensen. Zeker voor beginnende hondenbezitters. Gelukkig bleek mijn angst dat mensen een bepaalde aanpak of lesmethode om deze reden maar voor lief nemen onterecht. Men kijkt wel degelijk met een kritisch oog naar de manieren waarop er les wordt gegeven. Hierbij is het tevens van belang dat een cursus goed ‘voelt’ voor zowel de cursist als de hond en deze twee samen als een team.

Dit bleek onder meer uit een gesprek dat ik onlangs had met Liesbeth Hogendoorn van Kynologisch Gedragscentrum Delphi te Almere. Ik was benieuwd naar de redenen die men had om te stoppen bij een hondenschool en over te stappen naar een andere (of om er helemaal mee te stoppen). Zij legde deze vraag voor aan de cursisten in haar puppyklas en daar kwamen een aantal verrassende antwoorden uit naar voren. Ik zal er hieronder een paar op een rijtje zetten.

– Lang wachten tussen de oefeningen, waarbij de pup vervelend wordt omdat hij zich verveelt. Er worden geen goede aanwijzingen gegeven hoe men dit moet aan pakken.

– Dikwijls (te) weinig persoonlijke aandacht door de grote groepen van soms wel tien tot twaalf cursisten, en maar één instructeur.

– Weinig tijd om vragen te stellen.

– Chagrijnige instructeurs die het programma snel afraffelen.

– Voorkeursbehandelingen van de instructeur voor bepaalde cursisten.

De hond was angstig en de eigenaar moest maar gewoon meedoen, er werd geen rekening gehouden met persoonlijke zone van de hond.

De hond deed het prima op het veld, maar was thuis onhandelbaar.

– De cursist moest de hond corrigeren, maar wilde dat eigenlijk niet.

– Andere gezinsleden waren niet welkom op de cursus.

– De cursus is druk en onrustig, waardoor hond en baas allebei niet optimaal kunnen presteren.

– Er werd nauwelijks rekening gehouden met het individuele karakter van een hond; elke hond is anders maar toch moet iedereen hetzelfde doen.

– Het ras waarmee men op cursus wilde, werd geweigerd. Het ging hierbij niet alleen om een Stafford, maar ook om een Beagle. Die laatste zou je immers toch niks kunnen leren…..

Ook vertelde één van de cursisten dat haar hond tijdens een puppycursus op een andere hondenschool tot drie keer toe was gegrepen door een andere hond. Dit gebeurde op het moment dat de pups los moesten (!). Deze hond vindt andere honden nu helemaal niet leuk meer en de betreffende persoon voelt zich genoodzaakt elke dag een stuk met de auto te rijden om een plek te vinden waar zij ongestoord met de hond kan lopen.

Zij was haar vertrouwen in hondenscholen en -cursussen hierdoor volledig kwijt. Toch is zij uiteindelijk – weliswaar na enig aandringen – met haar volgende hond bij Liesbeth Hogendoorn terecht gekomen. Hier heeft zij het inmiddels erg naar haar zin en zij heeft het vertrouwen gelukkig weer hervonden.

Je zal je na het lezen van dit stuk wel afvragen waar je nu op kan letten om te zorgen dat je goed terecht komt met je pup. Zet ten eerste voor jezelf goed op een rijtje wat je belangrijk vindt. Waar moeten voor jou de accenten liggen? Waaraan wil je dat er aandacht besteed wordt? Hoe belangrijk vind je de gehanteerde methodiek? Vervolgens, en dit kan ik niet vaak genoeg benadrukken, blijf bij je gevoel! Laat je niet gek maken door de meningen en adviezen van anderen, hoe goedbedoeld ook. Zodra je een oefening moet uitvoeren die echt tegen je gevoel ingaat, maak dan even pas op de plaats en denk goed na voor je verder gaat. Als de andere cursisten je dan gek aankijken; jammer dan. Het is jouw hond, jouw keuze. Probeer niet te bezwijken onder de groepsdruk die bij sommige cursussen zo sterk aanwezig kan zijn.

Nog enkele dingen waar je op kan letten zijn:

– Staan er ervaren instructeurs voor de groep? De puppytijd is de belangrijkste periode en het komt helaas maar al te vaak voor dat er signalen van de hond over het hoofd worden gezien door onervaren begeleiders. Hierdoor kunnen gedragsproblemen ontstaan.

– Hoe groot zijn de groepen? Krijgt men voldoende persoonlijke aandacht?

– Veel mensen hebben vragen over hun pup. Zeker als het de eerste hond is, zijn mensen vaak nog onervaren. Zorg dat de hondenschool die je uitzoekt genoeg tijd uittrekt voor het beantwoorden van deze vragen.

– Wordt er genoeg tijd besteed aan de socialisatie? Sommige hondenscholen laten de honden bijvoorbeeld kennis maken met vreemde of gekke voorwerpen; een goede zaak! Daarnaast is het ook belangrijk dat er geoefend wordt op verschillende locaties.

– Als de pups los mogen of met elkaar mogen spelen, zorg dan dat dit onder goede begeleiding gebeurt.

– In principe zou er de mogelijkheid moeten zijn om een proefles te volgen.

– Wordt er voldoende rekening gehouden met de individuele karakters en het niveauverschil van de honden?

Met dit lijstje kun je hopelijk een beetje uit de voeten bij het uitzoeken van een hondenschool voor jou en je pup. Het is misschien even lastig maar uiteindelijk zal je blij zijn dat je er een beetje moeite voor hebt moeten doen. Je moet het maar zien als werken aan de toekomst! Rest mij alleen nog jullie samen heel veel trainingsplezier te wensen.

 

P1210936

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

De Nieuwe Rassen? – Rasloze honden en kruisingen

22 Sep

Het lijkt wel of hippe en bijzondere hondenkruisingen (met bijbehorende hippe naam) steeds populairder worden. In eigen land is de bekendste hiervan wel de Labradoodle, ontstaan uit kruisingen tussen een poedels en labradors. Overigens is er wel verschil tussen de standaard Labradoodle en de Australische Labradoole, waarbij ook andere rassen zijn ingekruist. Sinds het ontstaan van deze leuke, intelligente krullenbollen lijkt er een ware rage te zijn ontstaan in het onderling kruisen van verschillende rassen. Voor de goede orde; de kruisingen waar ik het in dit artikel over heb, zijn niet hetzelfde als de zogenaamde ‘vuilnisbakkenrassen’ waarbij de oorspronkelijke afstamming op zijn minst erg vaag is. Bij de ‘designer’ hond is er juist sprake van een kruising tussen twee raszuivere honden. Ze worden ook wel ‘hybride’ honden genoemd, hoewel deze term wetenschappelijk onjuist is aangezien het hierbij om een kruising tussen twee verschillende soorten gaat, zoals bij een wolf-hond kruising.

In Nederland ziet men steeds meer van dit soort ‘nieuwe’ kruisingen; een kwartiertje surfen op het internet en je hebt er zo een paar gevonden. Het verschijnsel is ongetwijfeld overgewaaid uit Amerika, waar het hele gebeuren inmiddels behoorlijk de spuigaten is uitgelopen. Ik kwam op een bepaalde website zo ontzettend veel kruisingen tegen dat het onmogelijk is ze hier allemaal te vermelden. Toch zal ik er een paar als voorbeeld noemen. Zoals u zult zien, zijn de meeste namen die aan deze kruisingen gegeven worden samenvoegingen of combinaties van de twee rasnamen van de ouderhonden. De nieuwe naam die hierdoor ontstaat, wordt ook wel een portmanteau genoemd.

Alusky (Alaskan Malamute x Siberische Husky)

Aussiedor (Australian Shepherd x Labrador)

Borador (Border Collie x Labrador)

Cockapoo (Cocker Spaniel x Poedel)

Jug (Jack Russel Terrier x Mopshond*)

Chiweenie (Chihuahua x Teckel)

Maltipoo (Maltezer x Poedel)

Puggle (Mopshond x Beagle)

Yorkinese (Yorkshire Terrier x Pekingees)

En zo kan ik dus nog wel een tijdje doorgaan. U vraagt zich nu misschien (terecht) af waarom het nodig is deze kruisingen te creëren terwijl er al zoveel honden op de aarde rondlopen. De (Australische) Labradoodle is nog met een bepaald werkdoel gefokt, namelijk het creëren van een geschikte hulphond voor mensen met een allergie. Met welk doel de modernere designer hondjes worden gefokt, is wat onduidelijker. Het is echter niet moeilijk te bedenken dat het in veel gevallen om een zo hoog mogelijk schattigheids-gehalte gaat. Daarnaast vinden veel mensen het eenvoudigweg buitengewoon interessant om met zo’n nieuw soort hond rond te lopen en te pronken; het is immers toch wel iets aparts. Het duurde niet lang, of ook de broodfokkers kregen dit in de gaten en speelden hier direct op in. De prijzen die tegenwoordig voor dit soort pups worden gevraagd zijn buitensporig hoog. Vaak kost een pup nog meer dan de prijs die er doorgaans voor een hond van het ras van de ouderdieren wordt neergeteld. Dit draagt alleen maar bij aan het idee dat er iets heel bijzonders wordt aangeschaft. Deze ‘fokkers’ hebben de mooiste verkooptrucs; zo wordt er wel gesproken over ‘raszuivere kruisingen’. Als u even wat beter leest en nadenkt over deze zin, zult u inzien dat er niet zoiets bestaat als een raszuivere kruising. Verder wijzen ze er graag op dat de pups de ‘beste/leukste eigenschappen van beide ouders’ in zich dragen, zoals de speelsheid van een Labrador en de intelligentie van de Poedel. Dit is ook complete onzin. Erfelijkheid werkt op een willekeurige manier dus het is net zo goed mogelijk dat de pups de slechtste eigenschappen van beide ouders overnemen!

Heterosis

De wat serieuzere fokkers die twee rashonden kruisen om een eerste generatie ‘hybride’ nakomelingen te krijgen, geloven dikwijls in het heterosiseffect of hybride groeikracht (in het Engels: hybrid vigor). Dit is vrij ingewikkelde genetische materie maar kort gezegd heeft het betrekking op het effect dat de nakomeling het gemiddelde van een of meer eigenschappen van de beide ouders overtreft. Dit effect kan zowel bij planten als dieren voorkomen. In het geval van de hond betekent het dat men ervan uitgaat dat dat de nakomelingen van twee onderling gekruiste rashonden sterker en gezonder zullen zijn dan (het ras van) hun ouders. Naarmate er meer generaties volgen, zal de hybride groeikracht afnemen en de gezondheidsproblemen toenemen. De eerste generatie zou dus dikwijls het ‘gezondst’ zijn. Het idee dat kruisingen sterker zijn dan rashonden is natuurlijk niet nieuw en het bevat absoluut een kern van waarheid. Genetische variatie is in principe goed voor alle soorten. Het verkleint immers de kans op erfelijke aandoeningen en ziektes.

Een recent Amerikaans onderzoek werpt een iets ander licht op de zaak. Hieruit blijkt namelijk dat rashonden niet per se een hogere kans hoeven te hebben op genetische afwijkingen. In dit onderzoek, uitgevoerd aan de Universiteit van Californië van 1995 tot 2010, werden 90.000 honden onderzocht. Van 27.254 honden werd uiteindelijk vastgesteld dat zij een erfelijke aandoening hadden. Om precies te zijn, hadden zij elk één of meer van vierentwintig genetische aandoeningen. Hiervan kwamen er ongeveer dertien (waaronder kanker, heupdysplasie en patella luxatie) even vaak voor bij de rashonden als bij de kruisingen. Tien aandoeningen kwamen vaker voor bij de rashonden en één vaker bij de kruisingen. Volgens de onderzoekers laat deze studie zien dat de mate waarin een bepaalde afwijking zich voordoet vooral afhankelijk is van de specifieke aandoening zelf en niet zozeer van het wel of niet raszuiver zijn van de hond. Bedenk daarnaast dat een algemeen voorkomende aandoening als, bijvoorbeeld, heupdysplasie net zo goed kan worden doorgegeven aan de nakomelingen van twee rassen die daar vatbaar voor zijn als aan de nakomelingen van één van die rassen.

Er zijn ook mensen die vinden dat je bij het kruisen van honden juist een grotere kans op erfelijke aandoeningen hebt omdat fokkers vaak veel minder ervaren zijn en omdat er niet zoveel getest wordt op afwijkingen als bij rashonden. Tevens is het veel lastiger voorspellingen te doen over het uiterlijk of het karakter van de nakomelingen. Natuurlijk kan je wel kijken naar de eigenschappen van de ouderdieren en daar bepaalde dingen uit afleiden, maar de genetica zit helaas niet zo simpel in elkaar dat we kunnen zeggen dat een nakomeling precies 50% van alle kenmerken van iedere ouder zal overnemen en – belangrijker nog – zal uiten. Desalniettemin is het toch heel belangrijk dat men zich verdiept in de raskenmerken van de ouders. Als zij bijvoorbeeld allebei behoren tot de rasgroep van de herdershonden, zullen de nakomelingen natuurlijk wel herderachtige eigenschappen vertonen. Het individuele karakter van de beide ouders kan eventueel ook nog een indicatie zijn, al blijft het doen van concrete voorspellingen veel moeilijker dan bij ‘gewone’ rashonden. Geen enkele kruising is hetzelfde en de nakomelingen kunnen zelfs onderling enorm van elkaar verschillen. Het bij elkaar zetten van een paar rassen is dan ook geen zaak waar men al te licht over moet denken. Dit dient altijd uitermate zorgvuldig te gebeuren. Voorstanders van designer honden wijzen er graag op dat alle bestaande hondenrassen oorspronkelijk ontstaan zijn uit kruisingen en dat deze praktijken daarom volstrekt normaal zijn. Maar het creëren van een nieuw ras bestaat wel uit heel wat meer dan simpelweg het kruisen van twee hondenrassen. Of een nieuw type hond uiteindelijk als een ras erkend zal worden hangt van vele factoren af.

Of u nu kiest voor een rashond of voor zo’n hippe kruising; ga op zoek naar een betrouwbare fokker en zorg dat u uw pup nooit bij een broodfokker aanschaft!

 

* Een Mopshond wordt ook wel Pug genoemd

 

P1240591

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Van Groot naar Klein; is een Chihuahua niet klein genoeg?

24 Mar

Het lijkt een tendens te worden om bestaande rassen van normaal formaat op dusdanige wijze te fokken dat zij steeds kleiner worden; de toy’s en de mini’s worden steeds populairder. Er zijn nu zelfs zogenaamde ‘Teacup’ hondjes te koop, al blijkt daar wel heel veel mis mee te zijn. Tevens wordt het fokken van deze teacups in direct verband gebracht met een hele nare vorm van broodfok. Hoe zit het dan eigenlijk met de gezondheid van de toy en de mini? En wat is nu precies het verschil tussen deze verschillende ras-verkleiningen?

Tijdens mijn zoektocht naar meer informatie over dit onderwerp kwam ik veel tegenstrijdige zaken tegen; de één beweert zus, de ander zo. Ik heb getracht in dit artikel een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld te schetsen. Zeker in het kader van de gezondheid van deze kleine dieren is het belangrijk om erachter te komen in hoeverre het kleiner fokken negatieve gevolgen heeft.

Om te beginnen zal ik wat misverstanden omtrent het begrip ‘Toy’ uit de weg proberen te nemen. Deze term heeft betrekking op verschillende types honden maar er wordt altijd een (zeer) kleine hond mee bedoelt. De American Kennel Club (AKC) heeft de bestaande rassen – net als andere kynologische organisaties – ingedeeld in verschillende rasgroepen, waarvan de ‘toy group’ er één is. Deze groep komt voor een groot deel overeen met de rasgroep ‘gezelschapshonden’ van de Raad van Beheer. In deze groepen zitten dus rashonden die van nature (hoewel dit natuurlijk ook een rekbaar begrip is) erg klein zijn. Op de website van de Raad van Beheer staat over deze honden onder andere het volgende: “….ze willen de mens plezieren als aangenaam gezelschap. De meeste mensen willen gewoon een leuke kameraad. Gezelschapshonden zijn specialisten op dat gebied. Ze zijn allemaal van bescheiden afmetingen. Hun karakter daarentegen is vaak groots.” Enkele voorbeelden van honden die in deze groep voorkomen zijn de Bolognezer, de Boston Terrier, de Chihuahua, de Mopshond, de Pekingees, de Shih Tzu, de Lhasa Apso, het Markiesje en de Toypoedel. In het laatste geval is ‘toy’ dus niets meer dan een benaming voor een klein formaat poedel; deze hondjes wegen ongeveer 3 tot 6 kilogram en worden gemiddeld 25 centimeter hoog.

Kleine honden zijn altijd al populair geweest; in vroeger tijden werden zij alleen gehouden door de allerrijksten en werden zij aldus gezien als statussymbool(tjes). Oorspronkelijk zijn zij dan ook ontwikkeld door de aristocratie. De kans is groot dat u op oude schilderijen of tekeningen wel eens een belangrijke vorst of vorstin afgebeeld heeft zien staan met een klein hondje op schoot. Het behoeft geen uitleg dat deze kleine diertjes vaak schandalig werden verwend.

Tot op de dag van vandaag lijkt men een zwak te hebben voor honden van bescheiden formaat. Hoe kleiner, hoe fijner. Vanzelfsprekend speelt de markt hier handig op in; er zijn allerlei speciale tasjes, jasjes, buggy’s, kledingstukken en sieraden verkrijgbaar voor de allerkleinste (mode)hond. Het is alsof sommige hondjes worden gezien als kind dat voor eeuwig in de babytijd is blijven hangen. Men lijkt haast wel op zoek te zijn naar een vervanging voor de poppen, Barbies en My Little Ponies waar we vroeger zo dikwijls mee speelden. Sommige mensen zien deze dieren geeneens meer als de gewone honden die zij toch echt nog zijn; er zijn bijvoorbeeld genoeg die hun Chihuahua voor het gemak leren hun behoefte op de kattenbak te doen zodat zij niet met deze hondjes naar buiten hoeven voor een wandeling.

Mini Aussie
Dit verschijnsel is ook binnen de fokkerswereld niet onopgemerkt gebleven, al zijn er ook rassen die op min of meer natuurlijke wijze een kleiner familielid erbij hebben gekregen. Zo is er bijvoorbeeld de Mini Australian Shepherd, ook wel Mini Aussie of Noord Amerikaanse Shepherd genoemd. De Mini Aussie is dus geen nieuw ras maar een variëteit van de al bestaande Australian Shepherd. Hij behoort hetzelfde bloed en hetzelfde DNA als zijn grotere broer te hebben; het is dezelfde hond in een kleinere verpakking. Hij wordt overigens niet erkend als een op zichzelf staand ras, al worden er in Amerika wel pogingen ondernomen om dit wel voor elkaar te krijgen. De Mini Aussie is eigenlijk bij toeval ontstaan; in de nesten van de standaard Aussie kwamen zo nu en dan kleinere pups voor. De eigenaren hadden hier geen problemen mee, aangezien zij de honden voor het werk hadden en dus meer selecteerden op de werkeigenschappen dan op formaat of uiterlijk. Later ging men zich uit praktische overwegingen wat meer toeleggen op het fokken met de kleinere exemplaren. Deze honden werden uiteindelijk gemakshalve Mini Aussie genoemd.
De Mini Aussie kan wat gezondheid betreft dezelfde problemen kan hebben als zijn grote broer. Het ‘ras’ is dus niet zieker of ongezonder geworden!

De Designer Dog
Het alsmaar kleiner fokken lijkt gelijk te lopen met de opkomst van de ‘designer dog’. Deze hond is een kruising tussen twee zuivere hondenrassen; een trend die is komen overwaaien vanuit de Verenigde Staten. Zo bent u waarschijnlijk al wel bekend met de Labradoodle, een kruising tussen een Labrador en een Poedel. Er zijn echter nog vele, vele andere kruisingen bekend. Om maar een paar namen te noemen: Yorkipoo, Pomapoo, Cocker-A-Tzu, Rottador, Puggle, Shorkie, Schnoodle en Borderjack. Zelf had ik laatst het genoegen kennis te maken met een kruising tussen een Labrador en een Berner Sennen (Labernese of Boulab genoemd). Volgens de eigenaar had de fokker verteld dat deze kruisingen heel normaal waren en zeer dikwijls voorkwamen.
Overigens zijn deze ‘hybriden’ niet bepaald goedkoop. De meeste fokkers zijn zich heel goed bewust van de populariteit van deze trendy dieren en drijven de prijs het liefs zoveel mogelijk op. De honden worden veelal aangeprezen als de ideale gezinshond die het beste van beide ouders in zich verenigt, terwijl er in feite nog maar heel weinig bekend is over hoe de karakters zich daadwerkelijk ontwikkelen. Zij verenigen immers niet alleen de beste eigenschappen van hun ouders, maar ook de slechtste. Al zal men daar niet zo snel mee adverteren.
Natuurlijk zijn er ook verantwoordelijke fokkers die ervoor zorgen dat hun kruising zo min mogelijk gezondheidsproblemen kent en inderdaad een goed en betrouwbaar karakter ontwikkelt. Zij zoeken de ouderdieren zorgvuldig uit en testen deze op bepaalde afwijkingen. Er zijn echter teveel mensen die een slaatje willen slaan uit dit modeverschijnsel, met alle gevolgen van dien.

Teacup en consorten
Zoals gezegd loopt de opkomst van de designer dog min of meer gelijk met de trend om van een bestaand ras steeds kleinere exemplaren te fokken. Zolang er vraag is naar een bepaalde hond, zullen mensen proberen daaraan te voldoen. En ja, er is nu eenmaal vraag naar mini’s, toy’s en teacups. U leest het goed: teacups. Alsof het allemaal al nog niet klein genoeg was, schijnen er nu zelfs hondjes gefokt te worden die zo klein zijn dat ze in een theekopje passen. Helaas zijn deze diertjes vaak het slachtoffer van een ernstige vorm van broodfok; ze zijn prematuur geboren en hebben allerlei gezondheidsproblemen zoals waterhoofdjes, open fontanelletjes, uitpuilende darmen, problemen met de bloedsuikerspiegel, dunne en zwakke botjes, enzovoort. Er wordt zelfs beweerd dat zij voor de verkoop wat suikerwater krijgen toegediend om ze wat energieker te doen lijken. Eenmaal thuis aangekomen, beginnen dan de echte problemen. De levensverwachting van deze diertjes bedraagt slechts drie tot vier jaar. De kans dat de moederhond de bevalling niet overleeft als zij minder weegt dan twee kilo is overigens ook nog eens zeer groot.

De echte teacup komt gelukkig (nog?) niet zo veel voor. Soms is het gewoon een marketing truc van de betreffende fokker; het label ‘teacup’ trekt immers toch een hoop mensen aan. Op sommige websites wordt het bestaan van de teacup zelfs helemaal ontkend maar na het doorspitten van alle informatie ontkom ik niet aan de indruk dat er echt mensen zijn die honden op deze manier fokken. Dit gebeurt dan dikwijls in de zogenaamde puppyfabrieken of in een schuurtje achteraf. Te schandalig voor woorden. Aan de mensen die de aanschaf van een dergelijk hondje serieus overwegen, zou ik graag eens willen vragen: “Is een Chihuahua nu echt nog niet klein genoeg?”

Ik kan helaas niet anders dan concluderen dat ook de zogenaamde toy’s en mini’s eigenlijk niets meer zijn dan onnatuurlijke verkleiningen – en in het geval van de teacup verdwergingen – van een bestaand ras. Ik heb het hier dus niet over de officieel erkende rassen zoals de Toypoedel maar echt over de honden die deze termen lukraak voor hun normale rasnaam geplakt krijgen. De honden die op natuurlijke wijze verkleind zijn, zoals de hierboven beschreven Mini Aussie, vormen hierop in principe een uitzondering. Ik gebruik hier heel bewust de woorden ‘in principe’ omdat er ook bij dit ‘ras’ fokkers zijn die het allemaal niet zo nauw nemen. De meeste websites zien er ontzettend betrouwbaar uit en de verhalen die erop staan, spreken vaak enorm tot de verbeelding. Achter de schermen kan het er echter heel anders aan toe gaan; om een lekkere kleine Aussie te krijgen, wordt er simpelweg Papillon (vlinderhondje) of Chihuahua ingekruist.
Over het algemeen geldt hetzelfde voor de vele andere verkleiningen die er op de markt zijn, of dat nu een toy of een mini is (een toy is meestal weer iets kleiner dan een mini). Al zijn er, nogmaals, heus wel goede en betrouwbare fokkers. Het is daarom heel belangrijk dat u zich goed oriënteert voor u besluit een dergelijke hond aan te schaffen. Daarbij moet u zich misschien bedenken of u niet beter voor een zuiver ras kunt kiezen dat van nature klein van stuk is.

Gezondheid
De gezondheid van deze kleine dieren laat door slechte fokkerspraktijken nog al eens te wensen over. Door het inkruisen van verschillende rassen en het fokken met de allerkleinsten – en vaak zwaksten – ontstaan er allerlei problemen waarvan ik er hierboven al enkele beschreven heb. Denk echter ook aan te bolle ogen, te kleine hoofden in verhouding tot de hersenen, geboorteproblemen, patella luxatie (loszittende knieschijf), hypoglycemie (glucose tekort), hartruis, gebitsproblemen, vergroeiingen, Portosystemische Shunt (PSS), dichtgeklapte luchtpijp en andere luchtwegaandoeningen. Deze problemen komen in meer of mindere mate ook voor bij de normale toy rassen; de rassen in de groep ‘gezelschapshonden’. Naarmate men de honden kleiner fokt, zullen de problemen zich echter ophopen en verergeren.
Alsof dit allemaal nog niet genoeg is, zijn deze kleine diertjes ook nog eens erg fragiel en breekbaar. Ik denk dat u zich wel kan bedenken wat er gebeurt als zo’n hondje van de bank valt, of als er een kind bovenop duikt.

Wees wijs en denk goed na voor u verliefd wordt op zo’n schattig klein hondje. En als het dan toch moet, kies de fokker dan met zeer veel zorg uit.

“Hoe kleiner hoe fijner?” Lang niet altijd.

Mini Aussie

 

 

 

 

 

 

 

 

Foto: Sijke de Vries

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Hondentuig of Halsband?

17 Jan

Er zijn tegenwoordig zoveel verschillende halsbanden en tuigen voor de hond dat je soms door de bomen het bos niet meer ziet. Het is natuurlijk wél heel leuk, al die kleurtjes, materialen en decoraties; er is werkelijk voor ieder wat wils (al is het de vraag of de honden daar hetzelfde over denken). Qua populariteit lijkt het hondentuig een voorsprong te nemen; steeds meer mensen kiezen voor een borsttuig in plaats van een halsband. Is hier nu sprake van een modetrend en is uiterlijk belangrijker geworden dan functionaliteit, of speelt er misschien meer mee? Zou het sowieso beter zijn een tuig te gebruiken dan een halsband?

De halsband geniet al heel lang grote populariteit en wordt het meest gebruikt tijdens het trainen of uitlaten van de hond. Hierbij is het trekken aan de lijn echter een vervelend en veelvoorkomend probleem. Het is niet alleen belastend voor de eigenaar maar ook voor de hond zelf, denk bijvoorbeeld alleen al aan de druk op de luchtpijp die hierdoor ontstaat. Het is dan ook niet echt verwonderlijk dat een tuig ook op het gebied van de gezondheid en de lichamelijke gesteldheid toch een behoorlijke voorkeur lijkt te genieten. Een goed zittend (!) borsttuig ontlast de halswervelkolom enorm en indien het nodig is om druk uit te oefenen wordt deze in ieder geval evenredig verdeeld over de gehele borstkas.

Er wordt dikwijls beweerd dat een tuig het trekken aan de lijn juist in de hand werkt. In de praktijk blijkt dit echter reuze mee te vallen. Of men nu een tuig of een halsband gebruikt; er zal altijd goed getraind moeten worden op het niet trekken aan de lijn! Daarnaast zijn sommigen juist van mening dat een hond met een borsttuig in feite makkelijker in te tomen is vanwege het verlegde zwaartepunt. Tot slot wordt ook wel opgemerkt dat een borsttuig de hond meer het gevoel van vrij lopen geeft en dat hij daardoor beter in staat is met andere honden te “communiceren”. Dit zou het uitvallen aan de lijn tegengaan.

Effect op de oogdruk

In 2006 is er een zeer interessant onderzoek verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift “Journal of the American Animal Hospital Association” getiteld “Effects of the Application of Neck Pressure by a Collar of Harness on Intraocular Pressure”. Hierin werd er gekeken naar de gevolgen die het gebruik van een tuig of halsband hadden op de intra-oculaire druk van de holte achter het oog. Om het lezen te vergemakkelijken, zal ik het vanaf hier over ‘oogdruk’ hebben. In eerste instantie klinkt het misschien een beetje raar dat een halsband of tuig effect kan hebben op de druk in het oog, maar als je er wat langer over nadenkt, is het eigenlijk helemaal zo gek nog niet; als een hond flink trekt, wordt de nek immers flink belast en dit heeft vervolgens weer effect op andere lichaamsdelen, waaronder dus de ogen. De hypothese van de onderzoekers was dat het gebruik van een tuig een kleinere verhoging in de oogdruk tot gevolg zou hebben dan een halsband.

Totaal werden er 26 honden (dus 51 ogen) getest. De samenstelling was als volgt: 12 Alaskan Malamutes, 8 Siberische Husky’s, 4 Amerikaanse Staffordshire Terriers, 1 Amerikaanse Cocker Spaniel en 1 Chinook. Er deden 13 reuen en 13 teven mee, de leeftijden varieerden van 1 tot 8,5 jaar en de gewichten van 13 tot 52 kilo. Elke hond was eerder getraind om op commando aan een touw te trekken als voorbereiding op het trekken van een slee. De halsbanden en tuigen voor iedere hond werden eerst zorgvuldig uitgezocht en gepast. Er werden geen sliphalsbanden of slipkettingen gebruikt. De verdere technische aspecten en details zijn misschien niet zo heel interessant om te vermelden, daarom zal ik direct doorgaan naar de conclusies van het onderzoek. Deze zijn veelzeggend en misschien zelfs opzienbarend: de oogdruk week significant van het basisniveau af wanneer er druk op de nek werd uitgeoefend via een aan de halsband bevestigde lijn. Dit was echter niet het geval wanneer de lijn vast zat aan het tuig! Op basis van deze resultaten raden de onderzoekers aan geen halsband te gebruiken bij honden die zwakke of dunne hoornvliezen hebben, glaucoom (‘groene staar’) hebben, of enige andere aandoening waarbij een verhoogde oogdruk schadelijke gevolgen kan hebben. Dit geldt vooral tijdens actieve en sportieve bezigheden.

Een ander opmerkelijk resultaat heeft te maken met de ontdekking dat enkele van de honden die specifiek waren gefokt om objecten te trekken iets beter bestand leken te zijn tegen een verhoging in de oogdruk. Bij een paar van de Siberische Husky’s bleek de druk zelfs iets af te nemen! Volgens de onderzoekers zou dit te maken kunnen hebben met de houding die dit soort honden aannemen op het moment dat zij iets moeten gaan trekken (of wanneer er aan hen getrokken wordt via een lijn); de Alaskan Malamutes en Husky’s verlagen vaak hun hele lichaam. Daarbij lijken zij zich ook daadwerkelijk schrap te zetten en hun schouders als het ware voor te bereiden op de komende taak.

Dit soort onderzoeksresultaten laten ons zien dat het best belangrijk is dat we goed nadenken over de keuze voor een tuig of een halsband. Enkele andere medische aandoeningen en aspecten waar we in dit kader rekening mee moeten houden zijn: nekhernia, Chiari-lijkende malformatie (aangeboren afwijkende ligging van de hersenen, zoals wel bij de Cavalier King Charles Spaniel voorkomt), ingeklapte luchtpijp, Wobbler Syndroom en hydrocefalus (water op de hersenen of waterhoofd). Maar denk bijvoorbeeld ook aan chondrodystrofe rassen; honden die bewust zijn gefokt op de eigenschap van dwerggroei, zoals de Franse Bulldog. In al deze gevallen kan men beter een tuig te gebruiken.

Indien u besluit voor een borsttuig te kiezen, let er dan op dat deze goed past. Het tuig moet als geheel bij het postuur van de hond passen zonder dat de riemen te breed lijken of dat het een idee van een rolmops oproept. Tijdens het wandelen mag het tuig niet schuren of irriteren; het mag dus niet te strak zitten. Te los is echter ook weer niet goed omdat de poten van de hond er tijdens het lopen in verstrengeld zouden kunnen raken.

Dus bedenk ten alle tijden: het uiterlijk is leuk en belangrijk, maar comfort, veiligheid en gezondheid staan absoluut voorop!

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Imitatie bij Honden. Apen honden ons na?

17 Jan

 

Imitatie is een lastig en controversieel begrip. Voor sommigen is het niets meer dan een simpel trucje waarmee iemand bij het oplossen van een probleem tijd en energie kan besparen door de oplossing af te kijken en te ‘stelen’ van een meer ervaren iemand. Voor anderen is imitatie een van de meest ontwikkelde cognitieve vermogens; een toeschouwer of waarnemer verzamelt informatie over nieuwe technieken terwijl hij op hetzelfde moment allerlei afwegingen moet maken over de effectiviteit van de methodes die hij observeert, de beperkingen die een bepaalde situatie met zich meebrengt én de intenties en het doel van degene die de handelingen uitvoert.

Het maakt het beantwoorden van de vraag of dieren ook beschikken over het vermogen om te imiteren er niet makkelijker op. Daarnaast zijn er vaak alternatieve verklaringen te geven voor gedrag dat in eerste instantie als imitatie benoemd wordt. Hoe het ook precies gedefinieerd wordt, ware imitatie duidt wel degelijk op een goed ontwikkeld cognitief vermogen. Wij denken er vaak niet zoveel over na omdat het voor ons heel natuurlijk is om anderen te imiteren, we doen het eigenlijk automatisch. Toch is het echt niet zo simpel als het lijkt. Het vereist namelijk niet alleen het observeren van andermans gedrag maar ook het vertalen en kopiëren hiervan naar het eigen gedrag, oftewel het omzetten van handelingen van anderen in eigen handelingen. Bijvoorbeeld: bij het observeren van iemand die een potlood oppakt, moet je brein in staat zijn om de connectie te maken tussen zijn arm en jouw arm. Anders gezegd, je moet een idee hebben van het concept ‘arm’. Dit is niet iets dat voor veel dieren vanzelfsprekend is of deel uitmaakt van het al aanwezige, natuurlijke gedragsrepertoire. Gelukkig zijn er op het gebied van het imitatievermogen van de hond verschillende interessante onderzoeken gedaan, waardoor het mogelijk is daar in ieder geval enkele uitspraken over te doen.

In dit artikel gaat het vooral om het vermogen van de hond om mensen te imiteren. Dat honden elkaar imiteren, staat eigenlijk wel vast, al is dit natuurlijk wel weer afhankelijk van de definitie die gehanteerd wordt. Een vorm van het imiteren van soortgenoten is leren door observatie of ‘sociaal leren’. Denk bijvoorbeeld aan een pup die bepaalde dingen leert door het gedrag van een volwassen, meer ervaren hond te observeren en vervolgens te imiteren. Ook tijdens het onderlinge spel van honden kan men allerlei vormen van imitatie waarnemen, zoals het gebruik van de spelboog. Op die manier is imitatie dus eigenlijk een heel nuttig mechanisme; het maakt dat een hond zich succesvol aanpast aan zijn omgeving. In het wild is dit zelfs een belangrijke overlevingsstrategie omdat een dier niet eerst zelf allerlei gedragingen hoeft uit te proberen (‘trial and error’) en zo veel risico loopt gewond te raken of te overlijden. Er is nog niet zo heel veel onderzoek gedaan naar de manieren waarop honden mensen imiteren maar het is in dit kader zeker de moeite waard om iets te vertellen over de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd door, onder anderen, de Hongaarse etholoog Ádám Miklósi. Hierbij werd er zelfs gekeken of een hond in staat is het concept imitatie te begrijpen. Hieronder zal duidelijk worden wat daarmee bedoeld wordt.

Samen met enkele andere wetenschappers werkte Miklósi met de vier jaar oude Tervuerense Herder Philip. Deze hond was vanaf een jonge leeftijd als hulphond opgeleid voor zijn gehandicapte eigenaar. Hij kon deuren open, voorwerpen op commando oppakken, lichten uit of aan doen, enzovoort. De onderzoekers vroegen zich af of hij deze handelingen niet alleen op commando kon uitvoeren maar ook nadat hij iemand anders zelf de handeling had zien uitvoeren. Zo trainde men hem bijvoorbeeld zich om te draaien als reactie op het draaien van de persoon die hij op dat moment observeerde. Op deze manier leerde Philip uiteindelijk negen verschillende handelingen uit te voeren die overeenkwamen met de gedragingen van de persoon waar hij mee aan het werk was. Deze negen acties waren: ‘Buig’, ‘Ga liggen’, ‘Spring erover’, ‘Draai om’, ‘Spring in de lucht’ (hierbij hoefde de hond alleen zijn voorpoten op te tillen), ‘Blaf’, ‘Doe de fles in de doos’, ‘Breng de fles naar eigenaar’ en ‘Beweeg een horizontaal geplaatste stok’. Aan het begin van elke trainingssessie werd de hond gevraagd te gaan zitten en naar de trainer te luisteren (‘Philip, let op’). Vervolgens voerde de trainer een van bovengenoemde handelingen uit, waarna de hond gevraagd werd deze handeling te imiteren door middel van het commando ‘Doe het!’. Na tien wekelijkse trainingssessies was Philip in staan om in 72% van de gevallen de gevraagde actie of handeling op correcte wijze te imiteren. Dit is een veel hoger percentage dan wat men alleen op basis van toeval zou verwachten.

Tevens werd er onderzocht wat de hond zou doen als hij een mens een nieuwe, volledig ongewone en ongetrainde handeling zag uitvoeren, zoals het duwen van een schommel, het gooien van een fles of het verplaatsen van een schoen. Ook hier leek Philip te begrijpen wat de bedoeling was en een idee te hebben van het concept imitatie. Hij wist zelfs zijn lichaam af te stemmen op dat van de mens; bij het weggooien van een fles gebruikte hij zijn mond (de mens had de hand gebruikt) en bij het duwen van de schommel gebruikte hij zijn snuit. Hiermee geeft hij aan de intentie, oftewel het doel van de handeling te begrijpen en bootst hij dus niet klakkeloos iets na. Natuurlijk zitten er wel wat haken en ogen aan dit soort experimenten, alleen al vanwege de problemen bij de definiëring van het begrip imitatie. Critici hebben er dan ook aardig wat kanttekeningen bij geplaatst. De resultaten suggereren echter dat honden ten minste een basisbegrip hebben van het concept imitatie maar toekomstig onderzoek zal hopelijk meer duidelijkheid brengen. Ádám Miklósi zal volgend jaar in ieder geval met nieuwe resultaten naar buiten komen!

Speciale zenuwcellen in ons brein lijken een belangrijke rol te spelen bij het vermogen om te imiteren. Deze ‘spiegelneuronen’ – in 1996 bij toeval ontdekt – zijn niet alleen actief als we een bepaalde handeling uitvoeren maar ook als we een ander dezelfde handeling alleen maar zien uitvoeren! Bij mensen zijn deze neuronen belangrijk bij het begrijpen van de intenties van anderen en bij het voelen van empathie, ze hebben dus een sterke sociale functie. Ook in het apenbrein zijn spiegelneuronen aanwezig. Hoe dit precies bij honden zit, is helaas nog niet bekend al zijn de experts van mening dat zij tenminste over een elementair systeem van spiegelneuronen moeten beschikken. De toekomst zal ons ongetwijfeld leren in hoeverre dit systeem overeenkomt met dat van de mens.

Verder lezen:

Onderzoek Miklósi: J. Topal, R.W. Byrne, A. Miklósi, V. Csányi, ‘Reproducing human actions and action sequences: “Do as I Do!” in a dog’. Animal Cognition, 9, 355-367, 2006

P1210730

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Het Hondenoog; evolutie en constructie

13 Dec

De ogen van de hond roepen dikwijls vertedering op en geven aanleiding tot poëtische overpeinzingen. Zo zouden de ziel en de trouw van de hond weerspiegeld worden in zijn ogen en volgens sommigen is het hondenoog zelfs een spiegel van onze eigen, menselijke ziel. Ook het feit dat een schilderij of tekening van je trouwe kameraad pas echt ‘af’ is als de oogopslag op de juiste manier is weergegeven, is een voorbeeld van het bijzondere karakter van het oog. Daarnaast moet het mogelijk zijn de emotionele gemoedstoestand van de hond af te lezen aan de blik in zijn ogen. Er worden niet voor niets termen als ‘lief’, ‘smekend’, ‘blij’ en ‘droevig’ aan toegeschreven. Voor velen is het moeilijk deze blikken te weerstaan; ikzelf smelt in ieder geval regelmatig weg als ik in de schitterende bruine kijkers van mijn eigen honden staar. Soms lijkt het wel of we via de ogen een glimp op kunnen vangen van de betoverende, geheimzinnige wereld die er achter verborgen ligt.

Door ons op een bepaalde manier aan te kijken of door intens naar een gewild voorwerp te staren, kunnen honden ons bovendien hun bedoelingen duidelijk maken. Het blijft natuurlijk moeilijk te bepalen wat de hond precies denkt als hij ons op deze manier aankijkt. Maar dankzij de nieuwste wetenschappelijk ontwikkelingen is er inmiddels wel heel wat te vertellen over wat hij precies ziet. We weten bijvoorbeeld dat honden minder visueel ingesteld zijn dan de mens. De meeste informatie vergaren zij immers via de neus; de reukzin is dan ook hun belangrijkste zintuig. Toch mogen we de rol die hun gezichtsvermogen speelt zeker niet onderschatten. Honden kunnen namelijk best goed zien! Iedereen die wel eens heeft gezien hoe een hond een bal of ander speeltje uit de lucht vangt, zal dat beamen.

Evolutie van het oog

Uit onderzoek blijkt dat de ogen van de hond tenminste twee belangrijke functies vervullen; zij worden gebruikt om ons te zien en om andere zintuigen aan te vullen. Om wat meer te begrijpen van de evolutionaire ontwikkeling van het oog moeten we terug naar de wilde voorouder van de hond: de wolf. De reden dat wolven een bepaalde anatomische oogstructuur hebben ontwikkeld, is eigenlijk heel eenvoudig. Zij moesten zelf achter hun eten aan en aangezien dit eten de hoogst merkwaardige neiging had er vandoor te gaan, was het wel zo handig als ze tijdens de jacht hun prooi in het oog konden houden.

Het hondenoog zit qua structuur niet zo heel anders in elkaar dan een mensenoog. Er zijn echter ook enkele duidelijke verschillen. Ten eerste is de pupil van het hondenoog een stuk groter dan die van het mensenoog. Hierdoor kan er veel meer licht in het oog worden opgevangen. Dit gaat echter wel ten koste van de scherptediepte. Concreet betekent dit dat de hond in het schemerlicht beter ziet dan de mens (want hij vangt meer licht op via zijn ogen), maar specifieke objecten ziet hij minder scherp.

Kegeltjes en Staafjes

In de ogen van mensen en honden dienen twee onderdelen als lens: de cornea (hoornvlies) en de kristallens. Het grootste gedeelte van het licht wat door de kristallens en de pupil heen valt, wordt opgevangen door het netvlies waar uiteindelijk een beeld gevormd wordt. Op het netvlies vindt men vele miljoenen lichtgevoelige cellen, fotoreceptoren genoemd. Deze receptoren (‘ontvangertjes’) komen voor in twee vormen: de lange, smalle ‘staafjes’ en de dikkere ‘kegeltjes’. In het netvlies van het hondenoog zijn veel meer staafjes aanwezig dan in het menselijk oog. Staafjes functioneren het beste bij een lage lichtintensiteit; zij maken het mogelijk dat er in donkere situaties nog iets te zien is en hebben als het ware minder licht nodig om een signaal aan de hersenen door te geven. Tevens zorgen zij voor de waarneming van grijstinten, in tegenstelling tot de veel minder lichtgevoelige kegeltjes die zorgen voor het waarnemen van kleuren. Daarnaast maken de kegeltjes het mogelijk om scherper te zien en veranderingen in het beeld sneller waar te nemen.

Een Schitterend Tapijt

In het oog van honden, en andere gewervelde dieren die ‘s nachts actief zijn, zit achter het netvlies een speciale reflecterende weefsellaag die het invallende licht terugkaatst en het bestaande licht versterkt: het Tapetum Lucidum (‘schitterend tapijt’ of ‘tapijt van licht’). Bij mensen is deze structuur afwezig en daarmee is het nog eens een extra verklaring voor het feit dat honden in de schemering veel beter kunnen zien dan wij. Het zorgt ervoor dat het oog als het ware een tweede kans krijgt om invallende lichtstralen waar te nemen door deze stralen direct terug te kaatsen via de cellen van het netvlies. Sommige zenuwen worden op die manier dus dubbel gestimuleerd. Het bijkomend effect van de weerkaatsing van het tapetum lucidum is dat de ogen van hond geel- of groenachtig opgloeien als er sterk licht opvalt, zoals het flitslicht van een camera.

Aardig om te vermelden is dat sommige poolhondenrassen, zoals Husky’s, soms geen tapetum lucidum hebben. Het gaat dan voornamelijk om de honden met blauwe ogen. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat de oorspronkelijke omgeving van deze honden het grootste gedeelte van het jaar met sneeuw bedekt is waardoor het aanwezige licht van nature gereflecteerd wordt.

Kleurenblind?

Vroeger werd er gedacht dat honden kleurenblind zijn en alleen zwart en wit kunnen zien. Maar honden zien wel degelijk kleur! Zij zien alleen minder kleuren dan wij en ook is de intensiteit van de kleuren minder. Om kleuren te kunnen zien, moeten er in het oog niet alleen kegeltjes voorkomen, maar ook verschillende soorten kegeltjes. Het menselijke oog beschikt over drie verschillende types: kegeltjes die gevoelig zijn voor oranje, groen en blauw. Als iemand kleurenblind is, is het heel waarschijnlijk dat er bij hem of haar één van deze drie soorten kegeltjes ontbreekt.

Het oog van de hond heeft ‘maar’ twee verschillende soorten kegeltjes; de groene en de blauwe. Het gevolg hiervan is dat honden nagenoeg geen onderscheid kunnen maken tussen kleuren als rood, geel en oranje. Eigenlijk zien ze maar twee kleuren. Vanuit evolutionair perspectief is dit een soort compromis voor het feit dat er verhoudingsgewijs veel meer staafjes voorkomen op hun netvlies. Omdat er op het netvlies maar een beperkte hoeveelheid ruimte beschikbaar is voor zenuwcellen, moest het dier als het ware ´kiezen´ tussen staafjes en kegeltjes. En om als roofdier ´s nachts actief te kunnen zijn, was het noodzakelijk dat er zich meer staafjes dan kegeltjes ontwikkelden.

Bewegende Beelden

Uit het voorgaande hebben we reeds kunnen opmaken dat het voor een hond nagenoeg onmogelijk is een rode bal op het groene gras waar te nemen, aangezien zij geen verschil zien tussen deze kleuren. Rood zien zij vermoedelijk als een soort vale tint groen. Hoe komt het dan dat  kleur niet uit lijkt te maken op het moment dat zij met het grootste gemak een bal uit de lucht vangen? Dit heeft, zoals u wellicht al vermoedt, voornamelijk met beweging te maken. De ogen van honden schijnen zeer gevoelig te zijn voor veranderingen in de omgeving. Dit is evolutionair gezien wederom begrijpelijk; voor een ‘jager’ is het heel belangrijk een kleine beweging in zijn omgeving op te merken en op basis van de vorm en het bewegingspatroon een inschatting te maken over wat dit voorwerp zou kunnen zijn.

Het proces wat hier een rol bij speelt, heet flicker fusion. Dit zou je kunnen omschrijven als het aantal keren per seconde dat het oog een ‘foto’ van de wereld maakt. Bij honden ligt het flicker fusion- tempo hoger dan bij de mens. Anders gezegd: honden kunnen het knipperen van licht beter waarnemen. In de tijd dat een cel het licht vanuit de buitenwereld verwerkt, kan hij namelijk tijdelijk geen ander licht ontvangen. Aangezien het tempo hoger ligt bij de hond, zijn deze cellen in staat meer binnenkomend licht te verwerken. Daarom zijn honden meestal ook niet erg geïnteresseerd in televisie kijken; vermoedelijk zien zij continu een flikkerend beeld.

Ruimtelijk zien 

Een laatste verschil tussen honden- en mensenogen heeft betrekking op het bereik, of liever gezegd de grootte van het gezichtsveld. De ogen van de mens staan naar voren gericht terwijl de ogen van de hond juist meer aan de zijkanten van zijn hoofd geplaatst zijn. Hierdoor bedraagt het gezichtsveld van de mens ongeveer 200 graden en dat van de hond 240 graden. De hond is door de plaatsing van de ogen namelijk in staat dingen die aan de zijkant (en enigszins aan de achterkant) van zijn hoofd gebeuren, waar te nemen.

Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de vorm van het hondenhoofd een aanzienlijke rol speelt; bij honden met een platte snuit staan de ogen bijvoorbeeld meer naar voren gericht zodat het bereik van hun gezichtsveld niet veel groter is dan dat van de mens. Oftewel: hoe korter de neus, hoe kleiner het visuele bereik.

Skye1

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

Het Probleemoplossend Vermogen van de Hond

28 Nov

Er wordt algemeen aangenomen dat het vermogen om problemen op te lossen een onderdeel is van de normale intelligentie. En dat honden intelligent zijn, dat weten we natuurlijk allemaal. Toch is het interessant eens te kijken naar dit specifieke component; wat weten we er eigenlijk over en hoe kunnen we precies bepalen in hoeverre een hond beschikt over een, al dan niet goed ontwikkeld, probleemoplossend vermogen? Laat ik in het kader daarvan beginnen met een stukje geschiedenis, waaruit duidelijk zal worden welke valkuilen men kan tegenkomen als men onderzoek wil doen naar zaken als intelligentie of andere cognitieve vaardigheden.

Knappe Hans

Misschien heeft u al wel eens gehoord van het paard dat de geschiedenis is ingegaan als ‘Knappe Hans’ (Kluger Hans). Dit paard leefde aan het begin van de 20e eeuw in Duitsland. Hij werd beroemd omdat hij zou kunnen lezen, spellen en klokkijken én in staat zou zijn om rekensommen op te lossen. Het paard gaf antwoord op vragen van zijn eigenaar, Wilhelm von Osten, door met zijn hoofd te schudden of te knikken of door een aantal keer met zijn hoeven op de grond te stampen. Het hoofd van het Psychologisch Instituut van de Universiteit van Berlijn, professor Stumpf, liet hier onderzoek naar doen door een van zijn studenten, Oskar Pfungst. Pfungst was er al snel van overtuigd dat Knappe Hans niet echt kon lezen of rekenen maar dat hij in plaats daarvan reageerde op signalen uit de omgeving. Het probleem was op welke manier dat aangetoond kon worden. Pfungst stelde voor het paard te onderzoeken onder streng gecontroleerde condities. Tijdens die experimenten bleek dat Knappe Hans alleen het juiste antwoord gaf als zijn eigenaar zelf het juiste antwoord wist; de eigenaar gaf dus – volkomen onbewust – bepaalde signalen af via zijn lichaamstaal. Als het paard bijvoorbeeld tot zeven moest tellen, zag hij aan een subtiele verandering in de houding van zijn eigenaar wanneer hij moest stoppen met het stampen van zijn hoeven. Daarnaast bleken ook de lichaamstaal en gelaatsuitdrukkingen van de toeschouwers van grote invloed op het gedrag van het paard.

Aangezien men het verhaal in eerste instantie geloofd had, was het voor veel psychologen een indicatie dat er iets mis was met de ‘zachte wetenschap’ van die tijd . Edward L. Thorndike (1874-1949) nam hier als een van de eersten afstand van. Hij nam de stap om serieuze, gecontroleerde experimenten met dieren in laboratoria uit te voeren. Volgens Thorndike verliep het leerproces via een trial-and-error mechanisme, gevolgd door toevallig succes. Dit kon worden aangetoond in een ‘puzzel box’ door een hongerig dier, bijvoorbeeld een kat, zelf te laten ontdekken welke handeling uitgevoerd moest worden om voedsel te bemachtigen. In het begin probeerde het dier van alles en trok en beet overal aan. Middels dit gedrag zou het dier bij toeval uiteindelijk wel op de hefboom drukken of aan het touwtje trekken, waardoor er voedsel vrij kwam. Door dit een aantal keer te herhalen, werd het juiste gedrag bekrachtigd. Het gedrag werd verzwakt indien een bepaalde reactie niet leidde tot het gewenste effect. Zo toonde Thorndike aan, net als zijn Russische tijdgenoot Ivan Pavlov, dat het dier leerde een bepaalde respons aan een bepaalde stimulus te koppelen. Deze processen kennen wij nu als ‘conditionering’, waarbij Pavlov de ontdekker was van de klassieke conditionering (uitgelokt of reflexmatig gedrag) en Thorndike van de operante conditionering (willekeurig of voortgebracht gedrag).

Deze experimenten zorgden ervoor dat bewustzijn, emoties en andere cognitieve processen gaandeweg helemaal naar de achtergrond verdwenen. Er was geen ruimte meer voor enige vorm van subjectieve beleving. Datgene wat zich van binnen afspeelde werd verbannen naar de zogenoemde ‘black box’ en alle aandacht ging nu uit naar observeerbaar gedrag; het behaviorisme was geboren. Deze stroming bepaalde lange tijd de manier waarop er wetenschap werd bedreven. De zogeheten ‘cognitieve revolutie’, begonnen in de tweede helft van de vorige eeuw, heeft er echter toe geleid dat er momenteel weer volop onderzoek wordt gedaan naar de cognitieve processen en vermogens van dieren.

U snapt dat dit slechts de geschiedenis is in een notendop. Wat vooral belangrijk is om te onthouden aan dit verhaal is dat wetenschappers tegenwoordig erg op hun hoede moeten zijn voor het ‘Knappe Hans- effect’. Oftewel: men moet enorm uitkijken dat men niet onbewust bepaalde signalen afgeeft die het dier zouden kunnen beïnvloeden. De onderzoeksresultaten zouden hierdoor immers als onbetrouwbaar en ongefundeerd kunnen worden bestempeld.

Rico

Men kan zich voorstellen dat ook onderzoeken naar de probleemoplossende vermogens van honden gevoelig zijn voor dit effect. Juliane Kaminsky, cognitief psychologe bij het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Duitsland, vond een manier om dit op te lossen. Zij deed onder andere onderzoek naar de bijzondere woordenschat van de Border Collie Rico (1994-2008) en publiceerde hierover in 2004 een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Science.

Rico kende de namen van tweehonderd verschillende (speelgoed)voorwerpen. Zijn eigenaresse, Susanne Baus, was begonnen hem deze woorden aan te leren toen Rico tien maanden oud was. Om het Knappe Hans-effect te vermijden, verdeelde Kaminsky alle tweehonderd voorwerpen eerst in twintig groepen van tien waarbij de groepen volstrekt willekeurig werden samengesteld. Vervolgens liet zij de eigenaresse in een kamer wachten terwijl zij een groep voorwerpen in een andere, aangrenzende kamer neerlegde. Door deze opzet kon Baus niets weten van de manier waarop de objecten gerangschikt waren voor zij Rico het commando gaf om een bepaald voorwerp te gaan halen. Zij kon dus geen onbewuste signalen of aanwijzingen afgeven! Eenzelfde methode werd gebruikt bij het testen van Rico’s vermogen tot het leren van nieuwe woorden. Hierbij werd er gekeken of hij in staat was een onbekend woord aan een onbekend voorwerp te koppelen. Dit gebeurde door hem naar een andere kamer te sturen en hem een voorwerp te laten halen waarvan hij de naam nog niet eerder had gehoord. Zijn bazin gaf dan bijvoorbeeld het commando ´haal de sok´. Wanneer hij de kamer binnenkwam, zag hij zeven bekende voorwerpen waarvan hij de naam wist en één onbekend object, in dit geval de sok. In zeven van de tien gevallen bracht hij terug waar om gevraagd was, een heel knap resultaat en een mooi voorbeeld van de manier waarop hij dit probleem (waarschijnlijk) oploste, namelijk via een proces van eliminatie. De andere voorwerpen en hun namen kende hij al, dus die kon hij niet koppelen aan het nieuwe woord. Zo bleef er voor Rico uiteindelijk maar één voorwerp over dat het juiste kon zijn. Opvallend is overigens dat hij het nieuw geleerde woord in de meeste gevallen na een maand nog kende. Om een nieuw woord te leren, hoefde hij het dus maar één keer te horen! Dit wordt ook wel ´fast mapping´ genoemd; een strategie waarvan altijd gedacht werd dat alleen jonge kinderen die gebruikten om taal te leren.

Honden en Wolven

Zo zijn er nog wel een aantal leuke en interessante onderzoeken te noemen die zich richten op de probleemoplossende vermogens van de hond. De Hongaarse wetenschapper Ádám Miklósi heeft op dit gebied bijvoorbeeld vergelijkend onderzoek gedaan met honden en – door de mens grootgebrachte – wolven. De twee soorten werden getest op hun vermogen een taak te leren; zij moesten drie touwen in een specifieke volgorde uit een hele kluwen touwen trekken. De wolven bleken veel beter in staat dan honden om deze taak correct uit te voeren; zij leerden veel sneller aan wat voor touw dan ook te trekken en bovendien hadden zij sneller in de gaten welke volgorde de juiste was. Tezamen met enkele andere onderzoeksresultaten heeft dit frappante verschil sommigen doen concluderen dat wolven over het algemeen intelligenter zijn dan honden.

Nu er steeds meer wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar de cognitieve vermogens van zowel honden als wolven ontstaat er echter een wat genuanceerder beeld. Zo blijken wolven simpelweg beter in staat om concrete problemen op te lossen. Daarnaast is het voor hen veel normaler en natuurlijker om aan dingen te trekken en te plukken, zoals wanneer zij een prooi gevangen hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij beter scoorden op de touwentest. Honden geven het bij dit soort testen veel sneller op en kijken vervolgens naar hun eigenaar, alsof zij om hulp vragen. Dit verschil in kijkgedrag tussen honden en wolven blijkt echter van doorslaggevend belang bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten! Terwijl wolven oogcontact juist proberen te vermijden, kijken honden doelbewust naar ons om informatie te vergaren. In haar boek “De wereld van de hond” vertelt Alexandra Horowitz dat honden vaak gehinderd worden door hun eigen sociale vaardigheden. Als zij met een probleem worden geconfronteerd, kijken zij meestal als eerste naar hun eigenaar in plaats van te proberen het probleem zelf op te lossen. Dit gedrag is een goede verklaring voor hun slechtere prestaties bij de touwentest. Horowitz geeft nog een verduidelijkend voorbeeld: “Bij een test om bijvoorbeeld wat eten uit een goed afgesloten doos te halen, zullen wolven blijven proberen de taak uit te voeren en bij een eerlijke test zullen ze daar uiteindelijk na talrijke pogingen in slagen. Honden zullen in het algemeen hun best doen de doos te openen, totdat ze erachter komen dat dit een hele klus is. Dan richten ze zich op een persoon in de kamer en proberen op allerlei manieren diens aandacht te krijgen en hem te verleiden, totdat deze toegeeft en hen helpt de doos open te krijgen”.

De hond ziet ons dus als probleemoplosser en weet ons dikwijls zo te bespelen dat wij er nog intrappen ook. Dit houdt echter niet in dat de hond niet slim is, integendeel! Het getuigt juist van een grote intelligentie dat hij ons weet in te zetten als een soort ‘werktuig’ en zich bewust is van het feit dat wij in staat zijn hem te helpen bij het oplossen van bepaalde problemen.

Zelf aan de slag met intelligentietests

Bent u nieuwsgierig naar het probleemoplossend vermogen van uw eigen hond? Dan zou u bijvoorbeeld eens een IQ test kunnen doen met hem. Daarin zijn enkele onderdelen opgenomen die deze specifieke capaciteit testen. De Amerikaanse psycholoog Stanley Coren heeft in zijn boek “De Intelligentie van honden” een zeer uitgebreide IQ test opgenomen. Enkele voorbeelden van de testonderdelen die het probleemoplossend vermogen toetsen zijn: ‘Hoe lang duurt het eer de hond er in slaagt om langs een barricade te komen om een lekker hapje te pakken?’ en ‘Hoe lang duurt het eer de hond zich uit een groot badlaken, dat over zijn kop en schouders is gegooid, heeft bevrijd?’. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat lang niet iedereen het eens is met Coren’s interpretaties; deze kunt u daarom beter met een korreltje zout nemen. Ook in het Engelstalige boekje “Caninestein; unleashing the genius in your dog” van Betty Fischer en Suzanne Delzio kunt u een paar aardige en vooral grappige tests vinden. Hou hierbij wel in gedachten dat uw hond heel goed op u let en dat het Knappe Hans effect altijd op de loer ligt!

Een hond kan alleen laten zien hoe hij bepaalde problemen oplost als hij heeft geleerd dat hij initiatieven mag ontplooien. Het komt helaas nog steeds voor dat mensen hun hond straffen als hij initiatief toont omdat dit dikwijls wordt gezien als ongehoorzaam gedrag. Op deze manier wordt hij beperkt in zijn keuzevrijheid en zal hij niet meer zo snel laten zien wat hij allemaal in zijn mars heeft. Een hond die vrijer – maar natuurlijk wel met inachtneming van bepaalde grenzen – en zonder straf is opgevoed, zal veel beter in staat zijn zijn probleemoplossende vermogens in de praktijk te brengen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

De Hondenbeet en de Bijtrem; hoe geremd bijt uw hond?

21 Aug

Een hondenbeet is iets waar niemand op zit te wachten. Helaas gebeurt het nog maar al te vaak dat mensen gebeten worden of dat hun hond verwond wordt door een andere hond. Dat een hond flinke schade kan veroorzaken met zijn beet, en in sommige extreme gevallen zelfs de dood, is bij de meeste mensen wel bekend. Maar wat weten we eigenlijk precies over de verschillende niveaus, of levels, waarop een hond kan bijten? En wat zijn de belangrijkste factoren die van invloed zijn op het bijtniveau van de individuele hond?

Laten we eerst eens kijken naar de hierboven genoemde bijtniveaus. Dr. Ian Dunbar was de eerste die een dergelijk hiërarchisch systeem ontwikkelde. Deze ‘Dog Bite Scale’ bestaat uit zes verschillende levels en is gebaseerd op een objectieve evaluatie van diverse bijtwonden. De steeds populairder wordende dierenarts en gedragsdeskundige Sophia Yin heeft onlangs een herziene versie van deze schaal uitgebracht. Hieronder volgt een overzicht en een korte inhoudelijke beschrijving van de zes levels.*

 Level 1 (waarschuwings-beet): De hond ‘snapt’ of maakt een happende beweging, maar maakt hierbij geen contact met de persoon. Sommige mensen denken dat de hond hen daadwerkelijk probeerde te bijten en dat hij hierin niet geslaagd is omdat zij zich snel genoeg buiten het bereik van zijn bek wisten te begeven. In werkelijkheid heeft de hond echter heel bewust in de lucht gehapt. Honden kunnen razendsnel reageren, vaak veel sneller dan mensen, en volgens Yin zou de hond heus wel hebben gebeten indien dat zijn bedoeling was geweest.

De eigenaren van de in de lucht happende hond moeten dit opvatten als een signaal dat er niet goed gelet is op eerdere tekenen van onvrede of angst bij de hond. Zij doen er goed aan hulp te zoeken voordat de waarschuwings-beet zich kan ontwikkelen tot een werkelijke beet. Men kan de hond in ieder geval beter niet bestraffen als hij deze waarschuwingssignalen afgeeft, omdat hij dan wel eens zou kunnen gaan bijten zónder waarschuwing vooraf. In plaats daarvan kan men beter proberen de tekenen van angst en/of spanning die de hond zeer waarschijnlijk vertoonde eerder op te merken. Daarnaast is het van belang kennis op te doen over de verschillende gedragingen die in de ogen van de hond bedreigend of ongepast zijn en die zouden kunnen bijdragen aan het afgeven van een ‘waarschuwings-hap’. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de manier waarop een hond begroet wordt.

 Level 2 (de bijna-beet of hoog geïnhibeerde beet): De hond valt uit en maakt met zijn tanden contact met de huid zonder een beschadiging te veroorzaken. In de meeste gevallen rent of springt hij naar een persoon toe maar laat alleen zijn voortanden tegen de huid komen als een soort bijna-beet. Het komt echter ook voor dat de hond zijn mond daadwerkelijk opent en zich vastklampt. Dit doet hij echter op een ingehouden manier, zodat er geen huid wordt beschadigd. Eigenaren moeten zich bij dit bijtniveau tevens afvragen welke eerdere waarschuwingssignalen zij eventueel gemist hebben. Daarnaast moeten zij zich realiseren dat de bijna-beet, of geïnhibeerde (ingehouden) beet, zich uiteindelijk kan ontwikkelen tot een echte beet.

 Level 3A: De hond bijt éénmaal en veroorzaakt hierbij een verwonding, maar dit gaatje is korter dan de lengte van zijn hoektand. Hoewel de beet niet al te ernstig is, kan hij wel pijnlijk zijn. Wanneer de hond op dit niveau heeft gebeten, zal hij altijd als een risico worden beschouwd. Zelfs als zijn gedrag 99,9% verbeterd is door middel van gedragsmodificatie.

 Level 3B: De hond bijt meerdere keren waarbij gaatjes in de huid achterlaat die korter zijn dan de helft van de hoektand. Meerdere beten houden over het algemeen in dat de hond in een meer opgewonden staat verkeerd. De hond reageert immers zonder na te denken tussen de verschillende beten.

 Level 4: De hond bijt éénmaal en laat wonden achter die dieper, of langer, zijn dan de lengte van de hoektand (de hond beet en hield vast) óf de beet laat sneeën achter aan beide kanten van het bijtgat. Dit duidt erop dat de hond gebeten heeft en daarna zijn hoofd heeft geschud.

De beten op de voorgaande niveaus dienen voor de eigenaren vooral als waarschuwingssignaal (in neonletters) dat er professionele hulp nodig is. Een beet op niveau 4 geeft echter aan dat zij al veel eerder hulp hadden moeten inschakelen, misschien zelfs jaren eerder. Deze beten zijn veel lastiger dan een beet op level 3; er is geen terughoudendheid in de hoeveelheid kracht die er gebruikt wordt. Een hond die zich op dit niveau bevindt, betekent een zeer groot risico voor de eigenaren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de financiële gevolgen of de veiligheid van familieleden. Maar het ergste is misschien nog wel dat de hond een kind kan doden met deze manier van bijten.

 Level 5: De hond bijt meerdere malen en laat diepe verwondingen achter. Honden die op dit niveau bijten hebben al ervaring met beten op de levels 3 en 4. Sommige honden zijn zo angstig in bepaalde situaties dat zij door hun hoge mate van opwinding als het ware vast komen te zitten in een reactieve modus waarbij ze achter elkaar hard blijven bijten.

 Level 6: De hond doodt het slachtoffer of consumeert zijn vlees. Het is heel belangrijk dat men zich realiseert dat zelfs kleine honden en puppies hard genoeg kunnen bijten om een baby of klein kind te doden. Een hond kan bijten uit angst maar bijvoorbeeld ook tijdens een uit de hand gelopen spelletje waarbij hij te opgewonden werd!

De Bijtrem

U vraagt zich nu waarschijnlijk af welke factoren bepalen hoe hard een hond uiteindelijk zal bijten. In dit kader zal ik u het een en ander vertellen over de bijtrem. Deze bijtrem bepaalt hoe diep en hoe hard een hond bijt. Zoals u hierboven hebt kunnen lezen, zijn er beten die alleen wat speeksel achterlaten maar ook beten die diepe wonden veroorzaken en zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben.

De bekende Amerikaanse hondentrainster Jean Donaldson spreekt in dit geval over de Aangeleerde Bijtrem (AB). Volgens haar is dit de beste en meest significante voorspeller van de ernst van toekomstig bijtgedrag. De bijtrem is volgens Donaldson het belangrijkste element in geritualiseerde agressie. Bij rituele agressie worden er bepaalde symbolische handelingen uitgevoerd ter voorkoming van letsel bij onderlinge conflicten. Echte agressie is in de natuur immers vrij kostbaar; het betekent onder meer een verlies van energie en tijd. ‘Normale’ honden maken bij deze symbolische handelingen gebruik van hun houding en gezichtsuitdrukking. Daarnaast grommen, happen en bijten zij met verminderde kracht en op een veel speelsere manier dan als er sprake zou zijn van een echt gevecht.

Honden worden niet geboren met een zogenaamde ‘zachte bek’. Zij kunnen echter wel leren hun bek op een zachte manier te gebruiken. Een van de belangrijkste voorwaarden hiervoor is “dat er heel veel terugkoppeling wordt gegeven omtrent de kracht van hun bijten gedurende de eerste maanden van hun leven”. Het is dus heel gezond, normaal en zelfs hoognodig dat pups allerlei bijtspelletjes spelen in hun vroege leventje. Hieruit blijkt maar weer hoe belangrijk de opgedane ervaringen tijdens de (vroege) nestperiode zijn; juist door te spelen met zijn broertjes en zusjes leert de pup zijn bijten te doseren. Zij oefenen de bijtspelletjes steeds opnieuw met elkaar en zodra er een pup te hard bijt, wordt het spel stil gelegd. Het bijtertje leert dan dat te hard bijten negatieve consequenties heeft en zal minder geneigd zijn dit gedrag te herhalen. De moeder speelt hierbij natuurlijk ook een grote rol; zij laat duidelijk blijken dat zij niet gediend is van een te hard gebruik van die vlijmscherpe tandjes en zal de betreffende pup direct corrigeren middels een snauw of een goed geïnhibeerde ‘beet’. De gevolgen voor pups die zonder moeder of zonder nestgenootjes opgroeien (bijvoorbeeld pups die te vroeg uit het nest gehaald worden) kunnen dus groot zijn; zij leren niet hoe zij hun bek op de juiste manier moeten gebruiken en lopen kans een slechte bijtrem te ontwikkelen!

Als we ervan uitgaan dat de pup normale nestervaringen heeft opgedaan, hoe zit het dan met het gebruik van zijn bek op mensen als hij eenmaal bij zijn nieuwe gezin is? Vroeger werd er gedacht dat men de pup beter kon leren zijn bek helemaal niet te gebruiken tijdens, bijvoorbeeld, een stoeispelletje. Echter, juist door het bijten te vroeg te onderdrukken, loopt men kans dat de pup onvoldoende terugkoppeling krijgt over de sterkte van zijn kaken. Het gevolg is ook nu weer dat hij zal opgroeien met een harde bek. Door het bijten of happen gedoseerd toe te staan, leert men hem waar de grenzen liggen; het is immers de bedoeling dat hij zijn bijtkracht leert beheersen. Uiteindelijk is de hoeveelheid bijtkracht die een hond uitoefent de belangrijkste voorspeller van de ernst van toekomstig bijtgedrag, niet de hoeveelheid bloed die een verwonding veroorzaakt.

Het is dus beter de bijtspelletjes van een pup zelf te intitiëren en aan te moedigen zodat men hem informatie kan geven over zijn eigen kracht. Dit doet men bijvoorbeeld door heel hard ‘auw!’ te roepen en het spel te onderbreken zodra de pup met teveel druk begint te bijten. Maar let op: laat dit soort spelletjes nooit aan kinderen over! Kleine kinderen en pups vormen wat dat betreft een gevaarlijke combinatie. Als een pup te opgewonden raakt door de aanwezigheid van een kind, moet dit kind dan ook direct plaatsmaken voor een volwassene.

Hoewel er is aangetoond dat het nagenoeg onmogelijk is de aangeleerde bijtrem te veranderen als de hond eenmaal volwassen is, vindt Donaldson het een goed idee om ook bij volwassen honden de bijtremming te blijven oefenen door regelmatig zijn gebit te controleren, hem uit je hand te voeren, zijn tanden te poetsen en door gecontroleerde, weloverwogen stoeipartijtjes.

Rehabilitatie

Op basis van de bijtrem en het bijtverleden van een hond kan men een redelijke inschatting maken over hoe hard een hond in de toekomst eventueel zal bijten. Oftewel; als een hond bij gevechten slechts oppervlakkige wonden bij zijn tegenstander heeft veroorzaakt, is de kans groot dat hij een toekomstige tegenstander ook geen al te ernstige schade zal toebrengen. Dit is vooral van belang omdat het iets zegt over de kans op een geslaagde rehabilitatie van, bijvoorbeeld, een hond die vaak andere honden aanvalt. Het risico van een beet is tijdens en na de rehabiliteren erg groot, maar als de aangeleerde bijtrem ‘goed’ is, kan men het tempo van de rehabilitatie opvoeren en is het niet nodig de hond constant een muilkorf om te doen.

Met een hond met een slechte bijtrem (vanaf level 3) zal veel voorzichtiger moeten worden omgesprongen. Zelfs wanneer het probleemgedrag is opgelost, is het niet 100% zeker dat een hond de rest van zijn leven niet meer zal bijten. U begrijpt; het is van levensbelang dit soort zaken heel grondig én zorgvuldig aan te pakken.


*Hoewel deze schaal is opgesteld om het niveau en de ernst van een hondenbeet bij een mens te bepalen, kan deze ook gebruikt worden om iets te zeggen over een verwonding die een hond bij een andere hond veroorzaakt heeft. Er is tot op heden helaas nog geen gedegen onderzoek gedaan naar eventuele verschillen in de manier waarop een hond een mens of een andere hond bijt.

 

Verschil bijtrem/bijtdrempel. De termen ‘bijtrem’ en ‘bijtdrempel’ worden vaak door elkaar gehaald. De bijtrem verwijst naar de hoeveelheid druk die er wordt uitgeoefend wanneer de hond bijt. De bijtdrempel zegt iets over het aantal en de intensiteit van de prikkels die nodig zijn om de hond te laten bijten.)

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

“De ontmanning van de reu; alles over castratie”

10 Jul

Het castreren van de reu is en blijft een belangrijk, enigszins gevoelig, onderwerp. Er komen op dit gebied nog altijd nieuwe inzichten en nieuwe technieken bij, zoals nu bijvoorbeeld het implantaat met de tongstruikelende naam Suprelorin, dat zorgt voor een tijdelijke onvruchtbaarheid van de reu. In dit artikel zal ik trachten u een zo compleet mogelijk overzicht te geven van alle ‘ins’ en ‘outs’ betreffende castratie, zodat u weer helemaal op de hoogte bent. Hierbij zal ik ook enkele deskundigen aan het woord laten. Omwille van de volledigheid is het misschien handig nog even kort te vertellen wat castratie nu precies inhoudt.

Castratie

Bij de castratie van de reu worden, onder volledige narcose, beide zaadballen (testikels) verwijderd. Hierdoor wordt de spermaproductie stilgelegd en de productie van testosteron verminderd. Binnen acht uur na de operatie vermindert de hoeveelheid testosteron terwijl het al geproduceerde sperma nog zeker 36 uur actief blijft.

Over het algemeen gaat de operatie gaat als volgt in zijn werk: eerst wordt er een snede in de huid gemaakt, waarna de eerste bal naar voren wordt gedrukt. Daarna wordt de eigenlijke balzak (tunica) ingesneden en wordt de testikel uit de balzak gehaald. De zaadstreng en de bloedvaten worden afgebonden en doorgeknipt en de testikel kan dan in zijn geheel verwijderd worden. Hetzelfde gebeurt bij het weghalen van de tweede bal. Tot slot wordt de onderhuid in 1 of 2 lagen gesloten en kan de huid gehecht worden.

Enkele effecten van castratie

  • Het komt dikwijls voor dat castratie een trager functionerende stofwisseling tot gevolg heeft. Hierdoor zal het voer sneller worden omgezet in vet. Indien men de voeding van de hond niet aanpast, zal de hond dikker worden en dit kan weer vervelende consequenties hebben voor zijn spieren en gewrichten.
  • Door castratie gaan er een aantal mannelijke eigenschappen verloren, waaronder het afbakenen van het terrein met urine en agressie tegenover andere reuen.
  • Veel reuen worden rustiger in hun gedrag en in een enkel geval wordt de hond zelfs uitermate sloom. Sommige mensen zijn bang dat hun hond té rustig wordt na een castratie. Maar als u net zo actief bezig blijft met uw hond als voor de operatie, hoeft u zich daar geen zorgen over te maken. Een castratie houdt echter niet automatisch in dat uw hond rustiger zal worden!
  • Er kan geen teelbalkanker ontstaan.
  • Bij een klein deel van de honden verandert de vacht na castratie. Dit wordt dan ook wel een ‘castratenvacht’ genoemd. Meestal is dit slechts tijdelijk als gevolg van de veranderde hormoonhuishouding maar het is mogelijk dat de verandering blijvend is. Overigens lijkt het vooral voor te komen bij de meer langharige hondenrassen.

 

Wanneer castreren?

De meeste mensen kiezen ervoor hun hond te laten castreren vanwege de aanwezigheid van probleemgedrag. Denk hierbij aan overmatig (hyper) seksueel gedrag of agressie. Hierbij is het heel belangrijk dat het gedrag eerst geanalyseerd wordt door een deskundige, zoals een gedragstherapeut. Indien het probleem niets met de hormonen te maken heeft, zal een castratie immers geen soelaas bieden.

Alle mensen die ik voor dit artikel geïnterviewd heb, benadrukken dan ook dat men er echt niet te snel van moet uitgaan dat castratie het (probleem)gedrag wel zal verhelpen. Ik zet ‘probleem’ hier tussen haakjes omdat bepaalde gedragingen soms iets te makkelijk als problematisch worden bestempeld. Een gedraging moet altijd beoordeeld worden met inachtneming van alle factoren. Deze factoren kunnen betrekking hebben op ras, leeftijd, grootte, huisvesting, voeding, enzovoort.  Natuurlijk kunnen er ook medische redenen ten grondslag liggen aan een castratie, zoals prostaatproblemen en tumoren van de testikels. In die gevallen heeft men vaak weinig keuze.

Wat zeggen de deskundigen?

Holistisch dierenarts Tannetje Koning geeft aan dat zij de honden liefst zoveel mogelijk intact laat. Zij adviseert alleen te castreren als er een duidelijk aanwijsbare reden voor is. Als medische redenen noemt zij een vergrote prostaat, tumoren aan de perianaalklier en soms ook voorhuidsontstekingen. Er zijn ook gedragsgerelateerde problemen die een castratie rechtvaardigen maar dan moet het gedrag volgens Koning echt seksueel georiënteerd zijn; weglopen als er loopse teven in de buurt zijn bijvoorbeeld. Koning: “Onzeker gedrag als uitvallen naar andere honden verbetert vaak niet en kan zelfs verslechteren. Ook gedrag dat al lang bestaat kan soms na castratie niet of helemaal niet verdwijnen.” Als nadeel van castratie noemt zij de mogelijkheid dat een reu onzekerder kan worden en soms zelfs aantrekkelijk wordt voor andere reuen. Die kan zeker voor onzekere reuen enorm belastend kan zijn.

Over de verhoogde kans op gewichtstoename na castratie zegt zij: “Medisch gezien zie je dat er na castratie een andere spier/vet verhouding ontstaat. Ook als ze op gewicht blijven krijgen ze meer vet en minder spieren. Dat heeft op termijn nadelen omdat er dan meer kans is op rug en gewrichtsklachten. Ander nadeel is dat ze gemakkelijk te dik worden. Dat varieert ook per hond, soms is het bij Labradors echt onmogelijk om ze enigszins op gewicht te houden. Dat kan dan ook klachten als suikerziekte geven. Bij te dikke dieren (en mensen) vervetten de organen ook en ontstaan er laaggradige ontstekingen in het lichaam die van zichzelf niet echt duidelijk symptomen geven maar wel voor een minder goed werkend immuunsysteem zorgen en ook de kans op tumoren vergroot.”

Wilmy Verheul, kynologisch gedragstherapeut bij praktijk Kynologic, is erg terughoudend met het adviseren van castratie. Verheul: “Het is een directe ingreep op de hormoonhuishouding van de hond, onomkeerbaar en met een behoorlijke impact. Hoewel castratie nog vaak gezien wordt als hèt middel tegen alle kwalen mag duidelijk zijn dat er, om enig succes van een castratie te kunnen verwachten, zeker sprake moet zijn van gedrag dat een (sterke) mate van hormonale aansturing kent.” Hierbij moet men volgens haar denken aan hyperseksueel gedrag, niet meer willen eten, aanhoudend onrustig gedrag, ‘rijden’ op mensen en voorwerpen, en weglopen zodra er een loopse teef in de buurt is. Aangezien dit soort gedrag door castratie vrijwel zeker verdwijnt, zou zij in die gevallen castratie adviseren.
Bij agressie naar soortgenoten en dan met name naar reuen kàn castratie een vermindering van het ongewenste gedrag opleveren. Is er echter daarbij sprake van aangeleerd gedrag dat zich heeft kunnen vormen tot een ingesleten gewoonte dan zal alleen het wegnemen van de hormonale aansturing tot dit gedrag niet de volledige oplossing bieden. Hetzelfde geldt voor agressie naar mensen.

Verheul vult aan: “Bij agressie naar soortgenoten en mensen zal ik altijd eerst een chemische castratie adviseren – hiermee wordt de invloed van testosteron weggenomen en is in redelijke mate zichtbaar wat het effect van een chirurgische castratie zou zijn zonder dat een onomkeerbare ingreep is gedaan. Wanneer sprake is van angst geïndiceerde agressie zal ik castratie niet adviseren omdat door het wegnemen van het mannelijk geslachtshormoon een onzekere hond bepaald niet méér zelfzeker zal worden. Castratie zal averechts werken en het probleemgedrag verergeren.”

Dierenarts Rudy de Meester heeft er het volgende over te zeggen: “Castratie is aangewezen bij medische problemen en probleemgedragingen die duidelijk onder invloed staan van testosteron. Anderzijds is het wel zo dat het castreren van dieren met probleemgedrag en/of erfelijke ziekten aangewezen kan zijn om te vermijden dat deze dieren in de fokkerij zouden sluipen. Er is dus een onderscheid tussen castratie als behandelingsmethode op individueel niveau en als preventie op populatieniveau.”

Alternatieven

Een castratie is een onomkeerbare ingreep en het is dan ook zeker niet iets waar men makkelijk over moet denken. Gelukkig zijn er enkele alternatieven op de markt die een goed beeld geven van de effecten die een castratie kan hebben, zonder dat de hond hier gelijk levenslang aan vast zit. Zo kunt u in ieder geval uitproberen of het u en de hond bevalt en of het daadwerkelijk helpt bij het verbeteren van eventueel probleemgedrag. Ik heb het hier over chemische castratie, wellicht heeft u er al eens over gehoord. Door middel van een injectie krijgt de hond hormonen ingespoten die het testosterongehalte tijdelijk verlagen of zelfs helemaal stil leggen. Een ander groot voordeel van chemische castratie is dat er geen narcose nodig is. Zeker voor honden die een verhoogd anesthesie-risico hebben, is dit een uitkomst. Tot voor kort werd er vooral gebruik van het middel Tardak. Dit wordt echter nauwelijks nog gebruikt vanwege de vaak ernstige bijwerkingen die gerapporteerd werden. Bovendien werkt Tardak hooguit twee maanden. Het is daardoor erg moeilijk goed gefundeerde uitspraken te doen over de gedragsveranderingen die optreden.

Nu is er echter het implantaat Suprelorin op de markt. Suprelorin bevat de werkzame stof desloreline, welke de werking nabootst het natuurlijke hormoon gonadotrofine, of GnRH, nabootst. Dit hormoon zorgt ervoor dat de productie van testosteron voor ongeveer een half jaar wordt stil gelegd, hoewel er ook een mogelijkheid is om dit met een ‘zwaarder’ (9,4 mg) implantaat op te rekken naar een jaar. Daarna kan er eventueel een nieuw implantaat worden ingebracht. Het implantaat wordt via een holle naald onder de huid ingebracht, net zoals een identificatiechip. Na het inbrengen geeft het implantaat voortdurend kleine hoeveelheden desloreline af.

Gedragstherapeut Wilmy Verheul:”Je kunt door het gebruik van Suprelorin een redelijke inschatting maken van het effect die een chirurgische castratie op de hond zal hebben. Werkt de chemische castratie niet dan mag de kans dat een operatieve ingreep wel gaat werken klein geacht worden. Een dergelijke ingreep kan dan achterwege gelaten worden.
Als ondersteuning bij gedragstherapie kan Suprelorin een goed hulpmiddel zijn. Door de invloed van testosteron – tijdelijk – te onderdrukken en de ‘scherpe kantjes’ er wat van af te halen zou een hond, afhankelijk van het probleemgedrag, wat beter toegankelijk kunnen zijn voor het ombuigen van probleemgedrag.”

Men moet er rekening mee houden dat er de eerste weken juist sprake is van een toename in de hoeveelheid testosteron waardoor ook de kans op agressie toeneemt. Na die eerste weken zal dit echter weer afnemen. Na ongeveer zes weken zou het implantaat helemaal naar behoren moeten werken en zou de reu tijdelijk onvruchtbaar moeten zijn. De eerste zes weken mogen reuen die dit implantaat geïnjecteerd hebben gekregen dus nog niet in aanraking komen met loopse teefjes!

Suprelorin is een veilige, en volgens de meeste dierenartsen zeer goede optie om eens te ervaren hoe de hond reageert op onvruchtbaarheid. Het is echter de vraag in hoeverre Suprelorin echt helpt bij agressie problemen. De bijsluiter meldt: “Gegevens tonen aan dat behandeling met het product het libido van de hond zal verminderen, maar andere gedragsproblemen (bijvoorbeeld agressie bij reuen) zijn niet onderzocht”. Toekomstig onderzoek zal hier hopelijk meer uitsluitsel over kunnen geven. Er is helaas ook nog geen onderzoek gedaan naar het effect van dit middel op honden die de puberteit nog niet hebben bereikt. Het is daarom aan te raden te wachten met implantatie tot de hond de puberteit heeft bereikt. Verder zijn er slechts weinig bijwerkingen bekend bij het gebruik van Suprelorin. De enige bijwerking die genoemd wordt, is het optreden van een matige zwelling op de implantatieplek.

Op welke leeftijd?

De trend om honden op steeds jongere leeftijd te laten castreren, het zogenaamde ‘early age neuturing’, is komen overwaaien uit de VS. Dit beleid wordt daar om redenen van geboortebeperking behoorlijk gestimuleerd. Soms worden pups zelfs al gecastreerd voordat zij het nest verlaten!  Er zijn enkele voordelen verbonden aan dit vroege castreren. Zo heeft de reu bijvoorbeeld geen kans om al te mannelijk of hyperseksueel gedrag te ontwikkelen. Maar, zo zegt Tannetje Koning, castratie op zeer jonge leeftijd geeft een extra anesthesie risico doordat de nieren en lever nog niet optimaal werken bij dieren onder een jaar. “Natuurgeneeskundig gezien geeft het dus een ophoping van afvalstoffen die weer huidklachten of een minder goed werkend immuunsysteem kunnen veroorzaken.

Wilmy Verheul: “Dat getracht moet worden om een overschot aan honden te voorkomen is een feit. Om dat op deze manier te doen vind ik discutabel: hormonen hebben een grote invloed op het lichamelijk en geestelijk volwassen worden van een hond. Door castratie op een zodanig jonge leeftijd toe te passen ontneem je de hond de mogelijkheid om op een normale manier volwassen te worden. Je kunt je afvragen in hoeverre dat ethisch te verantwoorden is.”

Rudy de Meester voegt hier nog aan toe dat de honden in de VS procentueel niet minder problemen hebben dan de honden in Nederland. Hij vindt dat het daarom eerst eens goed bestudeerd moet worden voor er definitieve conclusies over getrokken worden. Ook hij plaatst echter de kanttekening dat hij het ‘persoonlijk kan waarderen wanneer een dier minimaal een zekere mate van volwassenheid bereikt’.

Tot slot moet worden opgemerkt dat het op vroege leeftijd castreren gevolgen heeft voor de ontwikkeling van het skelet van de hond. De groeischijven sluiten later waardoor de honden minder bespierd raken. Daarnaast groeien de jonge reutjes langer door in de hoogte. Er ontstaan dan langere, maar ook lichtere botten. Dit heeft ook effect op het uiterlijk; de honden zullen er enigszins slungelig uit gaan zien.

Met dank aan:

T. Koning, holistisch dierenarts
R. de Meester, dierenarts
W. Verheul, kynologisch gedragstherapeut
 
 
Comments Off

Posted in Artikelen

 

“De oren van de hond; werking en anatomie”

24 Apr

Het gehoor van de hond is sterker ontwikkeld dan veel mensen denken. Een hond kan trillingsfrequenties waarnemen die voor een mens niet hoorbaar zijn. Vandaar dat zij bijvoorbeeld zo goed reageren op de hoge tonen van een hondenfluitje. We noemen dit geluid ‘ultrasoon’ omdat het een te hoge frequentie heeft om opgevangen te worden door het menselijke oor. De oren van honden, en enkele andere diersoorten, kunnen deze hoge geluiden echter met gemak oppikken. Zo zijn er nog een aantal interessante weetjes bekend over het gehoor en het gehoororgaan van de hond. Het gehoororgaan van de hond bestaat uit drie delen, namelijk het uitwendige oor (buitenoor), het middenoor en het inwendige oor (binnenoor). Ik zal deze delen hieronder kort bespreken.

Buitenoor

Het uitwendige oor bestaat op zijn beurt ook weer uit drie structuren: de oorschelp, de uitwendige gehoorgang en het trommelvlies. De beide oorschelpen bestaan uit kraakbeen en zijn overdekt met spieren en (behaarde) huid. Zij vangen een geluid op en helpen te bepalen uit welke richting het komt. Tevens doen zij dienst als een soort klankbord, waardoor het geluid enigszins versterkt wordt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de beweging die mensen maken als zij iets beter willen horen; zij leggen dan de hand of de vingers achter de oorschelp.

Nadat het geluid is opgevangen door de oorschelp, vervolgt het zijn weg via de uitwendige gehoorgang naar het trommelvlies. Bij een hond loopt de gehoorgang eerst een stukje recht naar beneden en buigt dan naar binnen. Het gehoorkanaal van de hond is dus L-vormig, in tegenstelling tot dat van de mens. De kliertjes die zich in de huidbekleding van het kanaal bevinden, produceren het oorsmeer. Samen met de haartjes zorgt dit oorsmeer voor bescherming tegen vuil. Aan het einde van het horizontale gedeelte, bevindt zich het trommelvlies (membrana tympani). Dit vlies is rijkelijk voorzien van bloedvaten en begint te trillen als een geluid er tegenaan botst.

Middenoor

Het middenoor bestaat uit drie minuscule botjes die gelegen zijn in de trommelholte. Via de Buis van Eustachius staat de trommelholte in verbinding met de neus- en keelholte. Via deze buis wordt lucht aangevoerd of afgevoerd. Op deze manier kan de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies gelijk blijven. Zo wordt voorkomen dat het trommelvlies naar binnen of buiten gaat uitpuilen en eventueel scheurt.

De drie botjes, of gehoorbeentjes, worden hamer (malleus), aambeeld (incus) en stijgbeugel (stapes) genoemd. Zij versterken en geleiden geluiden terwijl ze tegelijkertijd het binnenoor tegen te heftige trillingen beschermen. De stijgbeugel geeft het opgevangen geluid uiteindelijk door aan het ‘ovale venster’ dat de toegang vormt tot het binnenoor.

Binnenoor

Het binnenoor bestaat uit het evenwichtsorgaan en het spiraalvormige slakkenhuis (cochlea), waarin het orgaan van Corti ligt. Dit orgaan vertaalt de binnenkomende trillingen in elektrische signalen en stuurt deze via de gehoorzenuw naar de hersenen.

Het evenwichtsorgaan is een vliezig labyrint dat de hersenen voorziet van informatie over de stand van de kop. Het bestaat uit drie halfcirkelvormige kanalen die beweging kunnen waarnemen. Als de stand van de kop verandert, verandert ook de plaats van de vloeistof in één van deze kanalen. De aanwezige haarcellen sporen deze verandering op en geven de informatie door aan de hersenen, die op hun beurt signalen aan de spieren doorgeven om zich te spannen zodat de hond niet valt. Het slakkenhuis is een met vloeistof gevulde structuur die aan het begin en aan het einde voorzien is van vliezen om weglopen van vloeistof te voorkomen.

De trillingen van het hierboven genoemde ovale venster zorgen er tevens voor dat de vloeistof in het slakkenhuis begint te trillen zodra er een geluid binnenkomt. Iedere zintuigcel in het membraan van het slakkenhuis vertegenwoordigt een bepaalde geluidsfrequentie. De zintuigcellen zetten de trillingen om in zenuwimpulsen waardoor in de hersenen uiteindelijk een gewaarwording van een geluid ontstaat.

Het bepalen van de richting

Tot zover de weg die een geluid moet afleggen om daadwerkelijk als een ‘geluid’ te worden gehoord. Laten we ook eens kijken naar wat er nog meer te ontdekken valt over het gehoor van een hond. Hoe weet een hond nu bijvoorbeeld waar een geluid vandaan komt? Honden kunnen redelijk nauwkeurig bepalen uit welke richting een bepaald geluid afkomstig is. Het lokaliseren van geluiden komt tot stand door een wisselwerking tussen de hersenactiviteit en bepaalde akoestische wetten.

De hersenen vergelijken de relatieve sterkte van de geluidsgolven die het linker- en rechteroor bereiken of meten het tijdsverschil tussen de momenten waarop een geluid achtereenvolgens beide oren bereikt. Een groot hoofd komt daarbij goed van pas omdat de afstand tussen de oren groter is. Geluiden zijn dan beter te lokaliseren omdat het verschil in aankomsttijd en volume tussen links en recht ook groter wordt.

Een probleem bij het vaststellen van de richting waar een geluid vandaan komt, is de altijd aanwezige echo. Een geluid dat van rechts komt, kan via een boom of een muur in het linkeroor terecht komen. De gereflecteerde geluidsgolf die zo ontstaat, komt dus uit de tegenovergestelde richting van de golf die rechtstreeks van de geluidsbron afkomstig is. Zowel bij mensen als bij honden ontstaat het vermogen om deze reflecterende geluiden uit te filteren in de loop van hun ontwikkeling. Het is dus geen aangeboren eigenschap.

Daarnaast geven de beweegbare oorschelpen van een hond hem een flink voordeel ten opzichte van de mens op het gebied van geluidslocalisatie. Zeker voor honden met rechtopstaande oren wordt het vermogen om geluiden te lokaliseren en waar te nemen vergroot doordat het uitwendige gedeelte van het oor kan draaien. Op deze manier kan er meer geluid worden opgevangen én de richting van het geluid kan nauwkeuriger worden bepaald. Honden met hangende oren zijn in het nadeel, omdat hun omlaag hangende oren een deel van het binnenkomende geluid tegenhouden. Zij zijn dus iets minder goed in staat de bron van een geluid snel en accuraat te lokaliseren.

Frequentie

Als honden over een normaal gehoor beschikken, kunnen zij geluiden horen die frequenties tussen de 47.000 en 65.000 Hz* bereiken. Bij een normaal mens ligt dit maximum rond de 20.000 Hz. Wetenschapsjournalist Stephen Budiansky geeft in zijn boek ‘De waarheid over honden’ een aardig voorbeeld om dit te verduidelijken: om de hoogste toon te produceren die iemand kan horen, zouden er ongeveer 28 extra toetsen ofwel ongeveer 2 octaaf aan de rechterkant van een normale piano moeten worden toegevoegd. Om de hoogste toon te produceren die een hond kan horen, zouden er 48 extra toetsen nodig zijn, oftewel 4 volledige octaven.

Evolutie van het gehoor

Een hond kan zulke hoge tonen wel horen, maar hij is niet in staat ze zelf te produceren. Kleine knaagdieren kunnen dit echter wel. Ook hun gescharrel tussen de bladeren en het gras veroorzaakt hoogfrequente ritselende en schrapende geluiden. Hoewel sommige wilde hondachtigen, zoals wolven, ook op grotere prooidieren zoals herten wilde schapen of antilopen jagen blijkt uit veldonderzoek dat het zomerdieet van veel wolven voornamelijk bestaat uit kleine knaagdieren, aangevuld met een enkel konijn. Het vermogen om de hoogfrequente geluiden die deze kleine dieren produceren te horen is daarom essentieel voor hun overleven. Dit maakt het waarschijnlijk dat de ontwikkeling van het gehoor een aanpassing is die een roofdier in staat stelt kleine prooidieren te kunnen opsporen. De hondachtigen die dit vermogen naar behoren ontwikkelden, konden zich het beste handhaven en hadden daarmee de grootste kans om te overleven.

Mogelijke consequenties voor het gedrag

We kunnen dus vaststellen dat honden veel gevoeliger zijn voor geluid dan mensen, zeker als het gaat om een geluid met een hoge frequentie. Dit is tevens een mogelijke verklaring voor het verschijnsel dat sommige honden angst vertonen bij het horen van geluiden die wij doorgaans als doodgewoon beschouwen. Apparaten als stofzuigers of bepaald elektrisch gereedschap kunnen hoge, doordringende piepgeluiden produceren die voor een hond erg irritant en wellicht zelfs pijnlijk zijn. Wij hebben hier veel minder last van omdat deze geluiden voor ons nagenoeg niet hoorbaar zijn. Zoals u zult begrijpen kan het geen kwaad hier van tijd tot tijd eens bij stil te staan.

*Hertz (Hz) is de meeteenheid die het aantal geluidstrillingen per seconde weergeeft

(oorspronkelijk gepubliceerd in tijdschrift Hondenmanieren)

 

 
Comments Off

Posted in Artikelen