RSS
 

Archive for November, 2011

“Emoties bij Honden” – Paul de Vos

23 Nov

 

Met zijn boek ‘Emoties bij Honden. De basis van de band tussen mens en dier’ wil Paul de Vos, van oorsprong bioloog, een overzicht geven van de huidige stand van zaken en de meest recente onderzoeksresultaten op het gebied van emoties bij dieren. Zoals de titel al impliceert, richt hij zich  hierbij vooral op de emoties van de hond.

De Vos kaart een aantal belangrijke en interessante onderwerpen aan die zeker relevant zijn voor de discussie over emoties bij dieren, zoals het onderscheid tussen basale en complexe emoties, het evolutionaire belang van emoties en het gevaar van antropomorfisme (het toeschrijven van menselijke gevoelens en gedachtes aan dieren).

Bij het bespreken van de biologische basis van emoties ligt de nadruk met name op hormonale veranderingen en de invloed die hormonen hebben op de relatie tussen mens en dier. Zo bespreekt hij enkele studies die aantonen dat positief contact met dieren een gunstig effect heeft op onze geestelijke en lichamelijke gesteldheid.

Ook het belang van compatibiliteit in de persoonlijkheden van hond en baas spelen een rol in het boek. Het is jammer dat er hierbij eigenlijk alleen gesproken wordt over het onderscheid tussen passieve en actieve karakters terwijl er nog vele andere dimensies zijn.

Het boek is vooral bedoeld voor mensen die geen wetenschappelijke achtergrond hebben en graag meer willen weten over emoties bij dieren en het onderzoek wat er op dat gebied plaatsvindt. Tot op zekere hoogte is De Vos, tevens auteur van twee boeken over de jachthondensport, geslaagd in zijn opzet. Helaas heeft hij hier en daar wel kansen laten liggen. Zo gaan de voorbeelden die hij gebruikt om bepaalde dingen toe te lichten vrijwel uitsluitend over jachthonden en de jachthondensport. Het onderwerp van het boek vraagt echter om een uitleg die niet beperkt blijft tot één discipline of tot één bepaald soort hond. Dit zou het boek aantrekkelijker maken voor een breder publiek, of voor meer ‘gemiddelde huisdierbezitters’ zoals hij zijn beoogde publiek zelf noemt.

Juist vanwege het feit dat het boek bedoeld is voor die laatste groep, vind ik het bijvoorbeeld ook onverstandig en kort door de bocht dat hij het gebruik van antidepressiva in sommige gevallen aanmoedigt. Dit soort diagnoses en adviezen kan men maar beter aan het oordeel van gedragsdeskundigen en dierenartsen overlaten.

Met het benadrukken van de verschillen en overeenkomsten in emoties tussen mensen en honden roert hij echter wel een heel goed punt aan. Hierbij onderstreept hij hoe belangrijk het is dat mensen meer begrip krijgen voor het emotionele leven van honden en zich bewuster worden van de mogelijkheden en beperkingen die dit met zich meebrengt.

Ook met de bespreking van de communicatieproblemen die kunnen ontstaan door het gebruik van hondenkleding en hulpmiddelen als muilkorven slaat hij de plank zeker niet mis.

Al met is ‘Emoties bij Honden’ zeker een aardig boek om een keer te gelezen te hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dr. Paul de Vos
ISBN 978-90-5972-362-7
Uitgeverij Eburon
124 pagina’s
€ 17,95

 

 
 

Coach Potatoes

23 Nov

Bankhangers

Terwijl ik dit schrijf, met mijn laptop op schoot, ligt het donzige lijfje van mijn hondje Lilly lekker tegen me aan. Jawel, ik zit op de bank en de hond ligt naast me. Op de bank dus.

Voor mij is dit de normaalste zaak van de wereld; al onze honden mogen bij ons zowel op de bank als op het bed. Dit heeft voor ons nog nooit problemen gegeven, behalve dan misschien een vieze bank en een ietwat zanderig bed op zijn tijd. Niets wat een nat lapje en een stofzuiger niet op kunnen lossen.

Ik ben me er echter terdege van bewust dat dit lang niet voor iedereen zo normaal is. Veel mensen willen niet dat hun hond op de bank of op bed ligt. Laat ik voorop stellen dat ik hier absoluut geen waardeoordeel aan verbind. Een ieder moet doen wat hij of zij verstandig of prettig acht en hier een eigen besluit  over nemen. Wel belangrijk is dat men dit besluit vervolgens te allen tijde hanteert. Eén keer op de bank, is in principe altijd op de bank*. Net als met zovele hondenaangelegenheden is consequent zijn de gouden regel. De beslissing dient dan ook genomen te worden als de hond nog een pup is. Immers, als de hond als pup op de bank mocht, breng het volwassen exemplaar dan maar eens aan zijn hoofd dat het nu opeens niet meer mag!

Afwegingen

Op welke gronden neemt men nu de beslissing ‘wel’ of ‘niet’? Een eerste afweging heeft te maken met het algehele gestel van de bank zelf. Een stoffen bank kan wellicht iets minder goed tegen eventuele nattigheid of viezigheid dan een leren exemplaar. Deze laatste is in dit geval ook wat makkelijker schoon te maken. Maar denk bijvoorbeeld ook aan haren en/of huidschilfers. Zijn deze goed te verwijderen?

Daarnaast is het handig om te weten of de hond de boel heel laat; niemand zit te wachten op een bank vol met gaten en scheuren. Indien de hond sloopgedrag vertoont, is er waarschijnlijk wel meer aan de hand. Dit probleem is dan niet alleen op de bank maar tevens op andere meubels of aanverwante zaken van toepassing. Alleen de beslissing de hond niet op de bank toe te laten, is hier niet voldoende. In dit soort gevallen wordt geadviseerd de hulp van een gedragstherapeut in te schakelen.

De grootte van de hond kan ook een rol spelen bij de keuze de hond wel of niet op een zit- of ligmeubel te laten plaatsnemen. Het is immers wel zo prettig als je er zelf ook nog bij past. Een Duitse Dog neemt over het algemeen wat meer ruimte in dan een Chihuahua. Wil je zo’n groot ras toch graag op de bank dan is een aparte bank misschien een oplossing.

Hond en kind

Alle gekheid op een stokje; het is natuurlijk best een lastige en belangrijke keuze die je moet maken. Zeker als er bijvoorbeeld jonge kinderen in het spel zijn. Kinderen zijn vaak heel beweeglijk en de bank is voor hen lang niet altijd een plek waarop ze rustig naar de tv zitten te kijken. Mag de hond in jouw huishouden op de bank? Dan is het een goed idee voor zowel de kinderen als voor de hond enkele strikte regels op te stellen. Als de hond al op de bank ligt en de kinderen komen er later bij, zal de hond er in sommige gevallen zelf voor kiezen op te staan en een ander plekje te zoeken. In principe is er dan weinig aan de hand. Kiest de hond er echter voor om te blijven liggen en jij vindt dat goed, dan wil je de kinderen misschien leren dat ze de hond op zo’n moment met rust laten. Er gebeuren helaas nog steeds een hoop ongelukken door miscommunicatie tussen hond en kind en het is altijd beter om te voorkomen dan om te genezen!

Andersom wil je misschien juist dat de hond rekening houdt met de kinderen. In dat geval moet de hond geleerd worden van de bank te gaan en de kinderen de ruimte te geven als zij erop komen.   

Rangorde?

Veel mensen zijn er huiverig voor hun hond op de bank toe te laten omdat dit voor de hond het signaal zou afgeven dat hij een hoge rangordepositie binnen het gezin bekleedt. Deze gedachtegang komt voort uit de dominantietheorie; de bank en het bed worden gezien als de beste plaatsen in huis en die zouden alleen bestemd zijn voor ranghogeren. De hond is volgens deze theorie de laagste in rang, oftewel de ‘omega’, en is dus niet toegestaan op deze plekken.

Echter, nu de dominantietheorie zijn geldigheid heeft verloren, is het eigenlijk niet meer nodig dat mensen hier zich zo strikt aan houden. En zeg nou zelf; de meesten vinden het toch gewoon hartstikke gezellig om de hond naast zich te hebben op de bank of op het bed?

Hoe kunnen we er nu dan het beste mee om gaan? Ten eerste moet het wel als een privilege gezien worden wanneer de hond op de bank mag, zonder dat rangorde hierbij een rol speelt. Hoe meer privileges een hond heeft, hoe groter de kans dat hij die op een gegeven moment wil gaan verdedigen. Hij is immers gewend dat hij een hoop mag en zal zich daar ook naar gedragen. Veiligheidshalve zou het dan het beste zijn hem een eigen plek te geven waar hij zich ongestoord kan terugtrekken en van de bank een no go area te maken.

Regels

Wil je je kameraad toch lekker naast je hebben zodat jullie ‘op gelijke hoogte’ kunnen knuffelen? Leer hem dan op commando op de bank te komen en belangrijker nog: er op commando weer af te gaan. Hiervoor zou je de woorden ‘op’ en ‘af’ kunnen aanleren maar andere woorden volstaan natuurlijk ook. Waar het om gaat is dat jij degene bent die bepaalt wanneer hij wel of niet mag blijven liggen. Om een voorbeeld te geven; mijn honden kruipen regelmatig op het plekje waar ik zelf het liefste zit. Als ik op dat moment met andere dingen bezig ben, heb ik hier geen problemen mee. Zodra ik echter even op de bank wil gaan zitten, is het wel de bedoeling dat dat kan op mijn ‘eigen’ plekje. Om dit te bewerkstelligen, noem ik kort de naam van de hond die op dat moment de plek in beslag heeft genomen en maak een armgebaar naar de grond. Dit is vrijwel altijd voldoende om de betreffende hond te doen opstaan. Of ze dan een plekje verder gaan liggen of op de grond maakt mij niet zoveel uit. Als het maar zonder grommen of andersoortig commentaar gebeurt!

Indien de hond gromt of zijn tanden laat zien, dan weet je dat het tijd is om maatregelen te treffen. Dit soort gedrag mag niet getolereerd worden omdat het zich alleen maar van kwaad tot erger kan ontwikkelen. Hou dit dus goed in de gaten.

Tot slot zou je ook nog bepaalde situaties kunnen bedenken waarin je je hond liever wat meer uit de buurt hebt in plaats van direct naast je. Misschien vind je het wel prettig om voor de tv, met je bord op schoot, je avondmaal te nuttigen. In dit geval is het een idee de hond te leren dat hij in zijn mand moet of op de grond moet blijven zitten zolang jij aan het eten bent. Als je dit vanaf het begin consequent en kalm aanpakt, zal het voor de hond uiteindelijk niet meer dan normaal zijn dat hij de bank op die momenten even laat voor wat hij is.

Kortom

Samenvattend zijn er dus een aantal afwegingen die je moet maken alvorens je beslist of de hond wel of niet op de bank of bed mag. Wanneer je de voors en de tegens goed op een rijtje hebt gezet, geen problemen verwacht en je aan een aantal regels houdt, is er niks op tegen je hond toe te staan op deze plekken plaats te nemen. Mij rest dan niets anders dan je vooral heel veel knuffelplezier te wensen!

*Omwille van de leesbaarheid van dit artikel hanteer ik voornamelijk het woord ‘bank’ maar het woord ‘bed’ is hier net zo goed van toepassing.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
No Comments

Posted in Articles

 

“Dog Sense”- John Bradshaw

23 Nov

 

Er zijn de afgelopen jaren vele boeken geschreven over honden. Gedrag, training, opvoeding, emoties, psychologie, rassen, gezondheid; alle mogelijke onderwerpen zijn wel voorbij gekomen en voorlopig lijkt er nog geen einde aan deze stroom te komen. Integendeel!

Tegenwoordig is er, samen met het internet, voor hondeneigenaren dan ook een zeer rijke bron van informatie beschikbaar; je kan het zo gek niet bedenken of er staat ergens wel een antwoord op je vraag of probleem. Naast de positieve effecten die dit kan hebben op het kennisniveau van veel mensen, brengt deze schat aan informatie veel tegenstrijdigheden met zich mee. De verschillende methodes en adviezen vliegen je soms om de oren, waardoor veel mensen door de bomen het bos niet meer zien. Dit heeft onder andere te maken met het feit dat de gedragsdeskundigen zelf elkaar dikwijls tegenspreken en er verschillende meningen op na houden.

Een actuele vraag is bijvoorbeeld of we hondengedrag nu wel of niet kunnen interpreteren aan de hand van het gedrag van  hun wilde voorouder; de wolf.  Het antwoord op deze vraag is van groot belang omdat het niet alleen consequenties heeft voor de manier waarop honden behandeld worden maar ook voor de manier waarop men aankijkt tegen de op de wolvenroedel gebaseerde rangordetheorie. Veel van de huidige trainingsmethodes maken nog gebruik van deze theorie en in bijna elk boek is er wel iets over te vinden. De voor- en tegenstanders op dit gebied vliegen elkaar geregeld in de haren waardoor het er voor de doorsnee hondenbezitter niet bepaald duidelijker/overzichtelijker op wordt. Zo zijn er nog wel meer voorbeelden te noemen van onderwerpen waar veel verwarring over heerst door een gebrek aan consensus.

En toen was daar John Bradshaw, de man die orde schept in alle chaos. Iets waar mijns inziens dringend behoefte aan was. Het gezegde “waar twee honden vechten om één been, gaat de derde er mee heen” is in dit geval zeker op hem van toepassing; in zijn boek ‘Dog Sense’ maakt hij voor eens en altijd een einde aan een aantal langlopende discussies en misvattingen. De teksten op de achterflap liegen er dan ook niet om: “Don’t be an ‘alpha’” (Wees geen ‘alfa’), “Respect your dog’s senses” (Respecteer de zintuigen van je hond) en “Look beyond breed” (Kijk verder dan het ras) zijn slechts enkele voorbeelden.

Het boek begint met een zeer uitgebreide beschrijving van het ontstaan, de evolutie en de uiteindelijke domesticatie van de hedendaagse hond. Oftewel; hoe is de wolf een hond geworden? En belangrijker nog: waarom hebben wij de hond in vredesnaam weer terug veranderd in een wolf?

De wetenschap lijkt de praktijk op dit gebied te hebben ingehaald. Voor wetenschappers staat het immers al lang vast dat honden geen wolven zijn. Dat niet alleen; theorieën gebaseerd op rangorde en dominantie blijken volledig achterhaald en maken gebruik van onjuiste informatie. Zelfs de grondlegger van de rangordetheorie, David Mech, heeft dit toegegeven.

Toch blijven veel trainers halsstarrig vasthouden aan de trainingsmethodes die voortvloeien uit deze theorieën. In de woorden van Bradshaw: “Taken as a whole, it seems that the use of the terms ‘dominance’ and ‘hierarchy’ to account for the behavior of pet dogs can no longer be justified” (over het algemeen lijkt het erop dat het niet langer gerechtvaardigd is het gedrag van onze huishonden te verklaren in termen van ‘dominantie’ en ‘hierarchie’).

Bradshaw maakt zich zorgen om de consequenties die dit alles heeft voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van de hond. In het verlengde van de gedachte dat de hond dagelijks een wedstrijdje aangaat om de ‘alfapositie’ in het huishouden wordt er immers veelvuldig gebruik gemaakt van technieken die hem duidelijk maken wie de ware ‘alfa’ is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de snuitgreep en het op de rug leggen van de hond. De zogenaamde tien geboden vallen hier echter ook onder; regels omtrent het eten, begroeten, spelen en knuffelen. Deze methodes worden door Bradshaw stevig ter discussie gesteld. Enkele ervan mogen van hem zelfs linea recta de prullenbak in.

Verder wordt er stilgestaan bij de ontwikkeling van de mens ten opzichte van die van de hond. Volgens Bradshaw is de menselijke ontwikkeling in een stroomversnelling geraakt waardoor de hond een beetje is achtergebleven. Honden moeten zich opeens aanpassen aan een sterk veranderde maatschappij en levensstijl; waar zij nog niet zo lang geleden echt een taak hadden, moeten zij nu vooral ‘huishond’ zijn. De consequentie hiervan is dat het in sommige gevallen misschien wel enigszins onrealistisch is bepaalde dingen van ze te verwachten of te vragen. Bradshaw houdt dan ook een hartstochtelijk pleidooi voor meer begrip voor de belevingswereld van de hond. In dit kader laat hij kwesties als leermechanismes, emoties en zintuiglijke waarneming zeker niet onbesproken. Hierbij worden er voor de verandering eens geen vraagtekens gezet bij de vraag of honden überhaupt emoties ervaren, zoals veel wetenschappers doen. De zin “But does your dog actually love you? Of course it does!” (Maar houdt je hond nu echt van je? Natuurlijk doet hij dat!) zegt wat dat betreft alles.

Wat ‘Dog Sense’ nog completer maakt, zijn de hoofdstukken over de ontwikkeling en de opvoeding van de pup en de misstanden in de huidige rasfokkerij. Elk onderwerp wordt zeer goed onderbouwd met voorbeelden uit de praktijk en met resultaten verkregen uit wetenschappelijk onderzoek. Het feit dat er nagenoeg niets onbesproken blijft, gaat absoluut niet ten koste van de kwaliteit.

John Bradshaw is niet alleen een gedreven wetenschapper maar bovenal hondenliefhebber in hart en nieren; uit zijn woorden spreekt een enorme passie, iets wat veel mensen zal aanspreken. Hij komt op voor de rechten van de hond en maakt ons bewust van de enorme verantwoordelijkheid die we hebben jegens dit schitterende dier. Hij pleit voor een beter begrip voor de manier waarop honden de wereld waarnemen en voor meer inzicht in de manier waarop we honden opvoeden, trainen en behandelen.

Dit boek heeft het potentieel het leven van veel honden en eigenaren, en vooral hun onderlinge band, te verbeteren. ‘Dog Sense’ is uitermate verfrissend en actueel; een onmisbaar boek in uw boekenkast. Het wachten is nu op de Nederlandse vertaling en zoals ik heb begrepen, ligt die volgend jaar in de winkels!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Dog Sense. How the new Science of Dog Behavior can make you a Better Friend to your Pet.”

John Bradshaw
ISBN 978-0-465-01944-1
Basic Books
324 pagina’s
(In de UK heet het boek ‘In Defence of Dogs’!)

 

 

 
 

Do Dogs have a Sense of Humor?

23 Nov

Hebben honden gevoel voor humor?

Lange tijd werd binnen de wetenschap aangenomen dat dieren geen emoties kenden, om nog maar niet te spreken over een bewustzijn. Sinds een aantal jaren staan deze onderwerpen echter weer volop in de belangstelling. Dit heeft te maken met de sterk verbeterde onderzoeksmethoden maar ook met het feit dat dieren een steeds belangrijkere plaats binnen onze maatschappij innemen. In veel tijdschriften, kranten en boeken wordt er hier tegenwoordig dan ook aandacht aan besteed. Nu leek het mij interessant om eens een onderwerp te belichten waarover eigenlijk nog helemaal niet zoveel geschreven is; hondenhumor.

Dat honden in staat zijn plezier te hebben en te maken, is voor de meeste mensen eigenlijk wel een vaststaand gegeven. Zelfs binnen de wetenschappelijke wereld is er een groeiende acceptatie voor het bestaan van dergelijke gevoelens bij dieren, al zullen de sceptici wellicht nooit helemaal van het toneel verdwijnen.
Maar wil het feit dat onze honden plezier ervaren ook zeggen dat zij over een gevoel voor humor beschikken? Bij het beantwoorden van deze vraag is het van belang dat we rekening houden met de capaciteiten van het dier. Honden zijn immers niet in staat grappen te vertellen of onderscheid te maken tussen de vele verschillende soorten van humor zoals mensen dat kunnen. We moeten het bewijs dus zoeken op een meer basaal niveau. In het kader daarvan is het interessant om eerst eens te kijken naar een aantal onderzoeksresultaten die betrekking hebben op dit onderwerp. Vervolgens is het ook van belang om onze eigen ervaringen onder de loep te nemen en te bepalen in hoeverre we uitsluitsel kunnen geven over het bestaan van een gevoel voor humor bij honden.

Ten eerste is het emotionele aspect van humor erg belangrijk. Dit aspect heeft vooral betrekking op het ervaren van vreugde en plezier. Mensen uiten dit bijvoorbeeld door hardop te lachen. Uit verschillende onderzoeken is echter gebleken dat ook dieren in bepaalde situaties geluiden maken die voor lachen zouden kunnen doorgaan. Zo ontdekte de Amerikaanse neurowetenschapper Jaap Panksepp dat ratten tijden het spelen specifieke hoge geluidjes van 50 kHZ voortbrengen. Dit bracht de onderzoekers op het idee te kijken hoe de ratjes zouden reageren als zij positief gestimuleerd werden door middel van kietelen. Wederom maakten de ratjes dezelfde geluiden, het waren er zelfs meer dan tijdens gewoon spel met soortgenoten. Volgens Panksepp wijzen deze resultaten erop dat de ratten daadwerkelijk plezier beleefden. Tevens is hij van mening dat veel van de oude, door de evolutie verkregen hersenstructuren dienen als de fundamenten voor emotionele ervaringen. Deze subcorticale, ofwel dieper gelegen, systemen delen wij met alle andere zoogdieren. Het is dus heel aannemelijk dat de ratten inderdaad plezier hadden en blij waren. Aanvullend bewijs voor dit gegeven is het feit dat het dopaminesysteem in de hersenen zowel bij mensen als dieren een grote rol speelt bij het ervaren van positieve gevoelens. De ratten bleken dan ook dezelfde ‘lachende’ geluiden te maken als dit systeem bij hen neurochemisch gestimuleerd werd. Uitgaande van bovengenoemde resultaten kunnen we wel zeggen dat het er sterk op lijkt dat de geluiden die de ratten produceren een evolutionaire relatie hebben met menselijk gelach. Toekomstig wetenschappelijk onderzoek zal verder moeten uitwijzen in hoeverre wij andere hersenstructuren en mechanismen delen met dieren.

Ook honden maken bepaalde geluiden als zij aan het spelen zijn. Kunnen we dit dan ook omschrijven als ‘lachen’? De Amerikaanse dierengedragsdeskundige Patricia Simonet denkt van wel. Zij heeft onderzoek gedaan naar deze geluiden en kwam tot de ontdekking dat honden minstens vier opvallende vocale patronen gebruiken tijdens het spelen: grommen, blaffen, janken en een patroon wat zij omschrijft als ‘een duidelijk hoorbare, geforceerd-hijgende ademhaling’. De eerste drie geluiden worden ook in andere situaties gehoord maar de honden maakten het laatste geluid exclusief tijdens het uitdagen tot spel en tijdens het spelen zelf. Het was dus ook een manier om aan te geven dat er geen sprake was van kwade intenties. Simonet noemt het geluid ‘de hondenlach’ en volgens haar lijkt het erg op de menselijke lach, maar dan zonder de vocale klinker. Door de hondenlach te imiteren, waren zelfs de onderzoekers in staat de honden uit te dagen tot spel, zo sterk bleek het signaal te zijn. De honden reageerden door de spelbuiging aan te nemen en de onderzoekers uitermate vrolijk te benaderen. Samenvattend kan men zeggen dat de hondenlach, net als de geluiden die de ratten maakten, alleen gebruikt wordt tijdens positieve situaties met een hoog spelelement. Situaties waarin zij overduidelijk plezier beleven.

Bij mensen is het zo dat lachen en humor kunnen leiden tot een vermindering van nervositeit, stress en spanning. Simonet wilde kijken of dit bij honden ook het geval was en liet de opgenomen geluiden horen aan honden in een asiel. Hierbij werd van tevoren bepaald hoe hoog het stressniveau van de aanwezige honden was. Het terugspelen van het geluid van de hondenlach resulteerde in een significante afname van stressgerelateerde gedragingen. Daarnaast was er sprake van een toename in pro-sociaal gedrag. Zo zochten de honden bijvoorbeeld toenadering tot de onderzoekers en likten zij aan hun mondhoeken.

Willen we iets kunnen zeggen over humor bij honden, dan moet er dus vooral gekeken worden naar het speldrag, naar de sociale interacties met andere honden, en naar de sociale interacties met mensen. Dit zijn de situaties waarin allerlei positieve emoties een rol spelen, waaronder de emoties die van belang zijn bij het hebben van een gevoel voor humor en het tot uiting brengen hiervan. Daarnaast mag het inmiddels duidelijk zijn dat humor een sterk sociaal aspect heeft. Bij het beschrijven van de gedragingen en interacties die plaatsvinden tijdens spel, zijn we vooral afhankelijk van onze eigen observaties en interpretaties. Deze krijgen vorm door het vertellen van anekdotes. In de wetenschappelijke wereld worden anekdotes niet als bewijs gezien maar ze kunnen wel een belangrijke bron van informatie vormen, mits er op een zorgvuldige en kritische manier mee wordt omgegaan.

Er zijn veel verschillende voorbeelden te noemen van gedrag dat tijdens het spelen kan worden waargenomen; honden rennen elkaar achterna, stoeien, bijten elkaar zachtjes, duwen elkaar op de grond, enzovoort. Hierbij zijn er wel sociale gedragsregels die in acht moeten worden genomen. Het spelen moet immers plaatsvinden met wederzijdse instemming, het is een vrijwillige activiteit. Honden maken bij het overbrengen van hun goede intenties dan ook gebruik van verschillende spelsignalen, zoals de speelbuiging.

Om nu te kunnen spreken van de aanwezigheid van een gevoel voor humor, moeten bepaalde gedragingen min of meer bewust worden uitgevoerd. Het doel is een reactie bij de ander te weeg te brengen. Dit bewustzijnsaspect komt bij honden tot uiting in de intenties waar ik hierboven over spreek; zij dagen de ander bewust uit tot spel. Ook tijdens het spelen voeren zij in ieder geval een aantal acties uit die ‘bedacht’ moeten zijn. Zo verstopt één van mijn honden zich bijvoorbeeld vaak achter de auto en wacht tot een andere hond hem komt zoeken. Vervolgens rent hij rond de auto en maakt allerlei schijnbewegingen zodat de ander hem niet te pakken kan krijgen. Voor de honden zelf is dit waarschijnlijk niet minder komisch dan voor de mensen die dit soort acties waarnemen. Een ander voorbeeld van het intentionele karakter van hun spel is het feit dat ze het vaak ook leuk vinden om mensen uit te dagen. Het is daarbij opvallend dat zij er in veel gevallen op uit lijken te zijn ons echt aan het lachen te maken. Meestal gaan ze zich namelijk nóg gekker gaan gedragen als ze dit doel bereikt hebben. Ze moeten dus zowel bewust zijn van hun eigen intenties als van de gemoedstoestand van de betreffende persoon. Uit deze en tal van andere voorbeelden kunnen we opmaken dat honden besef hebben van zaken die grappig zijn. Voorlopig ondersteunen de besproken resultaten betreffende de ratten- en de hondenlach deze bewering, al zal er nog veel nader onderzoek moeten plaatsvinden.

Honden zullen nooit in staat zijn de ver ontwikkelde en veelzijdige vorm van menselijke humor te evenaren, maar ik denk dat we er wel van kunnen uitgaan dat zij over een eigen, ‘honds’ gevoel voor humor beschikken.

Verder lezen:

 Jaap Panksepp (1998), Affective Neuroscience: The foundations of human and animal emotions. New York: Oxford University Press

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
No Comments

Posted in Articles

 

“De Wereld van de Hond” – A. Horowitz

23 Nov
 

De naam van Alexandra Horowitz zal lang niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. “De Wereld van de Hond” is dan ook haar eerste ‘hondenboek’. Horowitz is momenteel werkzaam als docent Psychologie aan Columbia University, alwaar zij onder andere onderzoek heeft gedaan naar de cognitieve vermogens van neushoorns, bonobo’s en honden.

Voordat zij aan haar wetenschappelijke carrière als cognitief psycholoog begon, heeft zij onder andere als lexicograaf gewerkt en maakte zij deel uit van het team van de New Yorker, een bekend Amerikaans tijdschrift.

Bij het lezen van “De Wereld van de Hond” is duidelijk te merken dat Horowitz ‘iets’ met taal heeft. Zelfs in de vertaalde versie van het boek valt haar correcte en heldere taalgebruik direct op. Dit maakt het boek bij voorbaat al een feest om te lezen.

De bedoeling van het boek is ons wegwijs te maken in de wereld van de hond door als het ware in zijn hoofd te kruipen; het perspectief van de hond staat centraal. Horowitz tracht die wereld uit te leggen aan de hand van de informatie die ons ter beschikking staat vanuit de cognitieve wetenschappen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan informatie over de neus en de ogen van de hond.

De vergelijking met Stanley Coren’s “De Psychologie van de Hond” is misschien snel gemaakt, aangezien veel van de besproken onderwerpen en onderzoeken overeenkomen. Het boek van Horowitz is echter wezenlijk anders. Ten eerste is het veel recenter; in de jaren die liggen tussen de verschijningsdata van beide boeken is het onderzoek naar de dierlijke cognitie onverminderd doorgegaan en zijn er vele nieuwe inzichten aan het licht gekomen.

Ten tweede duikt Horowitz veel dieper in bepaalde zaken en is haar uitleg aanmerkelijk gedetailleerder. Het is mogelijk dat enkele stukken in het boek hierdoor enigszins langdradig overkomen. Daarnaast zullen de soms wat specialistische verklaringen lang niet iedereen kunnen bekoren. Toch is “De Wereld van de Hond” absoluut de moeite van het lezen waard.

Na een bondige maar zeer accurate bespreking van de evolutionaire geschiedenis van de wolf en de hond komen de zintuigen van de hond uitgebreid aan bod. Door uit te leggen hoe deze zintuigen in elkaar zitten, hoe ze werken en hoe belangrijk ze zijn, leert zij ons hoe wij de belevingswereld van honden, ook wel Umwelt genoemd, beter kunnen leren kennen. Dit stelt ons in staat de vraag waarom honden bepaalde dingen wel of niet doen beter te beantwoorden en geeft ons meer inzicht in de oorsprong van hun gedrag.

Het boek is doorspekt met persoonlijke anekdotes over Pumpernickel (liefkozend ‘Pump’ genoemd), de hond waar Horowitz zeventien jaar van haar leven mee gedeeld heeft. Deze inleidende en aanvullende anekdotes worden afgewisseld met de bespreking van de uitkomsten van vele interessante wetenschappelijke onderzoeken. Dit klinkt waarschijnlijk saaier dan het in werkelijkheid is; wie wil er nu bijvoorbeeld niet weten wat honden zien als zij naar de tv kijken, of zij zichzelf herkennen in de spiegel, of zij ons kunnen imiteren, hoeveel aandacht zij daadwerkelijk voor ons hebben en wat zij zich allemaal kunnen herinneren. De antwoorden op al deze vragen, en vele andere leuke wetenswaardigheden, zijn allemaal terug te vinden in dit aantrekkelijke boek. Onmisbaar voor diegenen die meer willen weten over en zich verder willen verdiepen in de wereld van hun hond!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“De Wereld van de Hond. Wat honden zien, ruiken en weten.”
Alexandra Horowitz
Uitgeverij Balans
ISBN 978 97 600 3202 8

 

 
 

Dog Language

21 Nov

In een eerdere column heb ik u al iets verteld over emoties bij dieren en hoe dit onderwerp lange tijd genegeerd is door de wetenschap. Een uitzondering hierop was Charles Darwin. Voor hem was het bestuderen van emoties een extra bevestiging van zijn conclusie dat de mens uit een lagere diersoort is ontstaan.

Hij was voornamelijk geïnteresseerd in de uitdrukking van een emotie. In zijn boek The Expression of the Emotions in Man and Animals deed hij uitgebreid verslag van zijn bevindingen. Zo beschreef hij heel nauwkeurig welke gezichtsuitdrukkingen, lichaamshoudingen en fysiologische veranderingen teweeg worden gebracht door verschillende emoties, zoals angst, woede, blijdschap of schaamte. Hij concludeerde dat de uitdrukking van deze gevoelens bij de mens veelal aangeboren is, onafhankelijk van eigen wil optreedt en al heel vroeg in de geschiedenis van de mens voorkwam. Tevens constateerde hij dat uitingen als het maken van geluid, het opzetten van bepaalde huidgedeelten (schubben, veren of haren), het opblazen van het lichaam of delen ervan, het onderdrukken of juist opvoeren van de hartslag voorkwamen bij vele dieren, zowel wilde als huisdieren. In zijn boek staan bijvoorbeeld een aantal tekeningen van dieren in verschillende houdingen en met verschillende gezichtsuitdrukkingen.

Wat honden betreft, merkte hij al op dat veel van de manieren waarop zij zich uitdrukken heel goed te interpreteren zijn. Er hoeft nauwelijks twijfel te bestaan over de gemoedstoestand van een hond met een hoge staart, stramme houding, starende blik, opgezette haren en ontblote tanden. Sommige uitdrukkingen zijn echter meer subtiel en daardoor lastiger te interpreteren. Toch is het erg belangrijk dat we de vele signalen die honden ons geven goed leren ´lezen´. De gezichtsuitdrukking en lichaamshouding van een hond zijn namelijk  de beste voorspellers van wat er op dat moment in hem omgaat en tot welk gedrag hij eventueel in staat is.

Sommige mensen, waaronder deskundige hondentrainers, lijken over een aangeboren talent te beschikken de signalen die een hond geeft te herkennen en te anticiperen op gedrag wat komen gaat. Anderen lijken er soms juist wel blind voor te zijn. Als zij er echter voor open staan, kunnen ook deze mensen meer begrip krijgen omtrent de manier waarop honden zich uitdrukken. Zelf heb ik bijvoorbeeld veel kennis opgedaan door mijn honden in allerlei situaties uitgebreid te observeren. Ik kijk naar de ogen, de mond, de oren, de houding van lichaam en staart, enzovoort. Het scheelt ook dat veel gezichtsuitdrukkingen van honden overeenkomsten vertonen met die van de mens. Zo hebben blije honden vaak een ontspannen en open gezicht, open mond en heldere ogen. Dit is bijvoorbeeld waar te nemen tijdens spel. Een meer gespannen of zenuwachtige hond zal zijn mond meestal gesloten hebben, met de mondhoeken naar voren. Hierbij zijn vaak ook de wenkbrauwen samengetrokken. Deze uitdrukkingen zijn ook bij mensen in een overeenkomstige gemoedstoestand waar te nemen.

Samen met de lichaamshouding, vervullen de emotionele expressies van honden dus een belangrijke communicatieve functie. Het is eigenlijk de enige manier waarop honden ons kunnen vertellen wat er in ze omgaat; een vorm van taal. Dit alles is niet alleen heel leuk en interessant maar er kunnen hierdoor bijvoorbeeld  ook gevechten en bijtincidenten voorkomen worden.

 
No Comments

Posted in Columns

 

Introduction (first column 2009)

21 Nov

Laat ik beginnen met mij voor te stellen. Mijn naam is Charlotte Post en ik woon samen met mijn vriend en onze zes honden in het noorden van het land. Vanaf heden zal ik elke twee weken een column schrijven voor uwhondenkat.nl

In 2005 ben ik afgestudeerd in de cognitieve psychologie en in mijn afstudeerscriptie behandel ik het wetenschappelijk onderzoek naar emoties bij dieren. Nog steeds ben ik erg geïnteresseerd in de psychologie van het dier, voornamelijk van de hond. De komende tijd zal ik veelal schrijven over de belevingswereld van honden. In deze eerste column geef ik u in het kort wat achtergrondinformatie.

Lang werd aangenomen dat dieren een soort machines waren zonder ook maar enige vorm van emotie, laat staan bewustzijn. Charles Darwin (1809-1882) was een uitzondering op deze regel. Zo zag hij honden bijvoorbeeld als speciale dieren die vergelijkbaar waren met de mens, en korte tijd stonden hun emoties en intelligentie volop in de belangstelling. Door de groeiende behoefte aan objectief wetenschappelijk onderzoek verdwenen de theorieën van Darwin helaas weer helemaal naar de achtergrond.

Er brak een periode aan waarin de wetenschap totaal geen aandacht besteedde aan gedachtes, emoties en bewustzijn, zowel bij mens als dier. Het werd als onwetenschappelijk beschouwd zaken te onderzoeken die niet direct observeerbaar waren. Daarnaast geloofde men eenvoudigweg niet dat dieren in staat waren emoties te ervaren.

Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw kwam het onderzoek naar de dierlijke psychologie echter langzaam weer op gang. En al heerst er nog veel scepsis, tegenwoordig accepteren steeds meer wetenschappers dat dieren een rijk gevoelsleven hebben. Zij beseffen dat het lastig is die innerlijke wereld te onderzoeken maar vinden dat geen reden om het idee bij voorbaat al te verwerpen.

Er worden steeds meer methodes ontdekt waarmee er wél, op verantwoorde wijze, onderzoek kan worden gedaan naar dit onderwerp. Natuurlijk worden hiervoor vaak apen gebruikt, maar er is een groeiende interesse in het gedrag, de psyche, en het emotionele leven van honden. Steeds vaker komen er hier dan ook nieuwsberichten over naar buiten. Onlangs is er bijvoorbeeld nog aangetoond dat honden over een rechtvaardigheidsgevoel beschikken en dat dit zich kan uiten in, bijvoorbeeld, jaloezie. Dit is extra opvallend omdat jaloezie gezien wordt als een zogenaamde secundaire, meer complexe, emotie. Er zijn dus duidelijke verschuivingen aan het optreden in de opvattingen over dierlijke emoties en de mogelijkheid daar onderzoek naar te doen. Toch klinken er vanuit de wetenschappelijke wereld nog veel bezwaren. In een volgende column vertel ik u graag meer over één van de belangrijkste bezwaren; het antropomorfisme, ofwel het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren.

 
No Comments

Posted in Columns

 

The Fear of Anthropomorphism

21 Nov

 

Zoals beloofd zal ik u in deze column uitleggen wat antropomorfisme betekent en waarom het vaak gezien wordt als een obstakel bij wetenschappelijk onderzoek naar emoties bij dieren. De definitie van antropomorfisme luidt: het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke dieren. Zeggen dat een hond blij, verdrietig of boos is, wordt dus gezien als antropomorfisme. Ik hoor u denken: ‘waarom is dit nu zo’n probleem?’ Dat zal ik uitleggen.

In de wetenschap is objectiviteit heel erg belangrijk. En het is nu eenmaal erg lastig objectieve resultaten te verkrijgen over de innerlijke belevingswereld van dieren.

Maar wat is het alternatief? Als we onze eigen taal niet kunnen gebruiken om iets te zeggen over wat er in onze honden omgaat, hoe kunnen we dan ooit bepalen welke emoties ze ervaren? We kunnen nu eenmaal niet in hun hoofd kruipen, net zomin als we dat bij andere mensen kunnen. Waarom zouden we bijvoorbeeld niet kunnen zeggen dat een hond oprecht blij is als hij buiten lekker aan het rennen en spelen is? Dit zou ik in ieder geval wel over mijn eigen honden willen zeggen. En zo kan ik nog veel meer (menselijke) emoties opnoemen waarvan ik zeker weet dat zij ze ervaren.

We kunnen niet anders dan hun gedrag interpreteren vanuit onze eigen taal. We spreken immers geen ‘honds’. Door middel van antropomorfisch taalgebruik worden de emoties van onze honden juist meer toegankelijk voor ons en voor andere mensen. We kunnen hun gevoelens op die manier beter begrijpen en uitleggen. Dit betekent natuurlijk niet dat een hond (en elk ander dier) emoties ervaart op dezelfde manier als mensen. Antropomorfisme dwingt ons niet afbreuk te doen aan hun perspectief, integendeel. Serieuze aandacht voor hun belevingswereld geeft ze juist het respect en de waardering dat ze verdienen.

Ook bij het wetenschappelijk onderzoek naar dierlijke emoties kunnen we antropomorfisme als een hulpmiddel zien. Zorgvuldige en kritische antropomorfische beschrijvingen kunnen dienen als bron van informatie waaruit wetenschappers hypotheses voor nader onderzoek kunnen ontwikkelen, als zij er maar voor open staan.

Ter afsluiting een mooie quote van de bekende bioloog Frans de Waal: ‘Soms lees ik dat iemand met groot gezag beweert dat dieren geen intenties en gevoelens hebben, en dan vraag ik me af: ‘Heeft die man soms geen hond?’ 


 

 

 
No Comments

Posted in Columns

 

Emotional Experiments

20 Nov

Ik heb inmiddels al een aantal columns geschreven over de emoties en de psyche van de hond en de controverses binnen de wetenschap omtrent emoties bij dieren. In het kader hiervan is er nog een onderwerp wat erg interessant is om te bespreken, namelijk het gebruiken van dieren voor dierproeven en experimenten.

Zoals ik u vertelde, was het argument van de wetenschap lange tijd dat emoties te subjectief waren en dat dus ook niet bewezen kon worden dat dieren pijn lijden.

Deze gedachtegang is terug te voeren naar de tijd van René Descartes (1596-1650), de grondlegger van de moderne filosofie. Hij hield een strikte scheiding aan tussen lichaam en geest; alle levende lichamen werden als machines beschouwd en alleen de mens beschikte over een geest waarin het bewustzijn en de emoties zetelden. Dieren waren slechts lichamen zonder geest, zielloze automaten, ´gedachteloze bruten´.

Hij was dan ook van mening dat dieren geen pijn konden ervaren omdat zij geen weet hadden van hun eigen lichamelijke sensaties. Dit had tot gevolg dat er in zijn tijd volop experimenteel onderzoek werd gedaan met dieren. Zo zouden de wetenschappers met volstrekte onverschilligheid honden geslagen hebben omdat hun lichamen reageerden als klokken; het janken van honden was niet meer dan het geluid van een veertje dat werd aangeraakt tijdens het slaan. Het lichaam zelf was zonder gevoel. Om vivisectie toe te kunnen passen en de bloedsomloop te bestuderen, werden de honden met hun vier poten aan planken gespijkerd. Degenen die medelijden hadden met de dieren, werden uitgelachen.

Dit soort experimenten vinden vandaag de dag gelukkig niet meer plaats maar nog steeds worden veel dieren gebruikt voor buitengewoon pijnlijke experimenten waar nog geen mens aan blootgesteld zou willen worden. Ook honden worden nog steeds gebruikt, bijvoorbeeld voor het testen van geneesmiddelen. In 2007 werden er alleen al 1.950 dierproeven op honden verricht.

De wetenschap heeft er lange tijd baat bij gehad dat dierlijke emoties niet serieus werden genomen; zij hoefde zich niet of nauwelijks te verantwoorden voor het gebruik van dieren in bepaalde experimenten. De groeiende belangstelling voor morele kwesties heeft wetenschappers echter verplicht tot een herwaardering van de gedachten en gevoelens van het dier. Zij kunnen de ogen niet langer sluiten voor het feit dat bepaalde wetenschappelijke experimenten niet meer door de beugel kunnen omdat zij buitensporig voor leed, pijn of verdriet bij het dier veroorzaken.

De consequenties van het erkennen van een innerlijke belevingswereld van het dier zijn dus groot en het onderstreept hoe belangrijk het is  hier (diervriendelijk) onderzoek naar te blijven doen.

 

 
No Comments

Posted in Columns

 

Nature or Nurture?

20 Nov

Een hele tijd geleden werd er door wetenschappers een levendige en vaak ook felle discussie gevoerd die ook wel bekend staat als het ´Nature versus Nurture´ debat. Het debat had betrekking op de vraag welke van de twee het meeste invloed had op ontwikkeling, gedrag en persoonlijkheid; nature (genen/aanleg) of nurture (omgevingsfactoren/opvoeding).  Vooral in de jaren ´50, ´60 en ´70 van de vorige eeuw was de genetica niet erg populair en wilden de meeste sociale wetenschappers bewijzen dat omgevingsinvloeden vele malen belangrijker waren dan genetische factoren. Zo werd onder andere beweerd dat  intelligentie voornamelijk een aangeleerde eigenschap is.

Inmiddels wordt er geen strikt onderscheid meer gemaakt tussen de beide componenten; er wordt nu algemeen geaccepteerd dat ze allebei een even belangrijke rol spelen. Na een hele poos te zijn ondergesneeuwd, wordt het belang van de genetica dus weer volledig onderkend. Dit is onder andere te merken aan de enorme vooruitgang op het gebied van genetisch onderzoek. Als we nu kijken naar de evolutie van de hond, zien we dat natuurlijke selectie nauwelijks meer een rol speelt. Genetica is ervoor in de plaats gekomen; er wordt bewust gefokt op uiterlijk en gedrag. Het is de mens die tegenwoordig de meeste invloed heeft op de ontwikkeling van de soort. Hierdoor zijn er vele verschillende rassen ontstaan, en elk ras heeft weer zijn eigen rasspecifieke kenmerken.

Ik zal u hier verder niet gaan lastig vallen met Mendelse regels en dergelijke (naar Gregor Mendel, ook wel beschouwd als de grondlegger van de genetica), hoe interessant deze ook zijn. Waar ik echter op wil wijzen, is dat we de betekenis van het feit dat erfelijkheid een grote rol speelt niet mogen onderschatten. Het heeft immers gevolgen voor zowel fokkers, voor de eigenaren van een toekomstige pup, als ook voor de honden zelf.  Voor een fokker is het bijvoorbeeld van groot belang dat hij goed kijkt naar eventuele erfelijke ziektes, maar ook naar de gezondheid en de karaktereigenschappen van de honden die voor nakomelingen moeten zorgen.

Voor de toekomstige pupeigenaar is het belangrijk dat hij op de hoogte is van de specifieke eigenschappen van het ras dat hij op het oog heeft. Daarnaast is het verstandig de beide ouderdieren minstens één keer te zien en hierbij goed op hun gedrag te letten. Een reu die agressief staat te blaffen achter een hek, of juist angstig terugdeinst als iemand hem wil aanraken, zou wellicht al wat vragen moeten oproepen. Wees ook op uw hoede voor broodfokkers! De kans dat u hier een gezonde en evenwichtige pup vandaag haalt is niet erg groot. Maar daarover meer in een latere column.

Door rekening te houden met de eigenschappen die het dier door zijn afkomst en ras bij zich kan dragen, kunnen we wellicht al enkele toekomstige problemen voor zijn. Dit natuurlijk niet zeggen dat de hond niet alsnog ongewenst gedrag kan ontwikkelen. Daarom zijn opvoeding en de omgeving waarin het dier opgroeit ook minstens zo belangrijk. Met de juiste training en begeleiding is er heel veel mogelijk!

Het is heel verleidelijk te vallen voor het uiterlijk van een pup. Maar een goed doordachte beslissing en een besef van het belang van zowel ´nature´ als ´nurture´, geven absoluut een verhoogde kans op een  geslaagde baas-hond combinatie en een verlaagde kans op toekomstig probleemgedrag.

 
No Comments

Posted in Columns