RSS
 

Archive for April, 2012

“De oren van de hond; werking en anatomie”

24 Apr

Het gehoor van de hond is sterker ontwikkeld dan veel mensen denken. Een hond kan trillingsfrequenties waarnemen die voor een mens niet hoorbaar zijn. Vandaar dat zij bijvoorbeeld zo goed reageren op de hoge tonen van een hondenfluitje. We noemen dit geluid ‘ultrasoon’ omdat het een te hoge frequentie heeft om opgevangen te worden door het menselijke oor. De oren van honden, en enkele andere diersoorten, kunnen deze hoge geluiden echter met gemak oppikken. Zo zijn er nog een aantal interessante weetjes bekend over het gehoor en het gehoororgaan van de hond. Het gehoororgaan van de hond bestaat uit drie delen, namelijk het uitwendige oor (buitenoor), het middenoor en het inwendige oor (binnenoor). Ik zal deze delen hieronder kort bespreken.

Buitenoor

Het uitwendige oor bestaat op zijn beurt ook weer uit drie structuren: de oorschelp, de uitwendige gehoorgang en het trommelvlies. De beide oorschelpen bestaan uit kraakbeen en zijn overdekt met spieren en (behaarde) huid. Zij vangen een geluid op en helpen te bepalen uit welke richting het komt. Tevens doen zij dienst als een soort klankbord, waardoor het geluid enigszins versterkt wordt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de beweging die mensen maken als zij iets beter willen horen; zij leggen dan de hand of de vingers achter de oorschelp.

Nadat het geluid is opgevangen door de oorschelp, vervolgt het zijn weg via de uitwendige gehoorgang naar het trommelvlies. Bij een hond loopt de gehoorgang eerst een stukje recht naar beneden en buigt dan naar binnen. Het gehoorkanaal van de hond is dus L-vormig, in tegenstelling tot dat van de mens. De kliertjes die zich in de huidbekleding van het kanaal bevinden, produceren het oorsmeer. Samen met de haartjes zorgt dit oorsmeer voor bescherming tegen vuil. Aan het einde van het horizontale gedeelte, bevindt zich het trommelvlies (membrana tympani). Dit vlies is rijkelijk voorzien van bloedvaten en begint te trillen als een geluid er tegenaan botst.

Middenoor

Het middenoor bestaat uit drie minuscule botjes die gelegen zijn in de trommelholte. Via de Buis van Eustachius staat de trommelholte in verbinding met de neus- en keelholte. Via deze buis wordt lucht aangevoerd of afgevoerd. Op deze manier kan de luchtdruk aan beide kanten van het trommelvlies gelijk blijven. Zo wordt voorkomen dat het trommelvlies naar binnen of buiten gaat uitpuilen en eventueel scheurt.

De drie botjes, of gehoorbeentjes, worden hamer (malleus), aambeeld (incus) en stijgbeugel (stapes) genoemd. Zij versterken en geleiden geluiden terwijl ze tegelijkertijd het binnenoor tegen te heftige trillingen beschermen. De stijgbeugel geeft het opgevangen geluid uiteindelijk door aan het ‘ovale venster’ dat de toegang vormt tot het binnenoor.

Binnenoor

Het binnenoor bestaat uit het evenwichtsorgaan en het spiraalvormige slakkenhuis (cochlea), waarin het orgaan van Corti ligt. Dit orgaan vertaalt de binnenkomende trillingen in elektrische signalen en stuurt deze via de gehoorzenuw naar de hersenen.

Het evenwichtsorgaan is een vliezig labyrint dat de hersenen voorziet van informatie over de stand van de kop. Het bestaat uit drie halfcirkelvormige kanalen die beweging kunnen waarnemen. Als de stand van de kop verandert, verandert ook de plaats van de vloeistof in één van deze kanalen. De aanwezige haarcellen sporen deze verandering op en geven de informatie door aan de hersenen, die op hun beurt signalen aan de spieren doorgeven om zich te spannen zodat de hond niet valt. Het slakkenhuis is een met vloeistof gevulde structuur die aan het begin en aan het einde voorzien is van vliezen om weglopen van vloeistof te voorkomen.

De trillingen van het hierboven genoemde ovale venster zorgen er tevens voor dat de vloeistof in het slakkenhuis begint te trillen zodra er een geluid binnenkomt. Iedere zintuigcel in het membraan van het slakkenhuis vertegenwoordigt een bepaalde geluidsfrequentie. De zintuigcellen zetten de trillingen om in zenuwimpulsen waardoor in de hersenen uiteindelijk een gewaarwording van een geluid ontstaat.

Het bepalen van de richting

Tot zover de weg die een geluid moet afleggen om daadwerkelijk als een ‘geluid’ te worden gehoord. Laten we ook eens kijken naar wat er nog meer te ontdekken valt over het gehoor van een hond. Hoe weet een hond nu bijvoorbeeld waar een geluid vandaan komt? Honden kunnen redelijk nauwkeurig bepalen uit welke richting een bepaald geluid afkomstig is. Het lokaliseren van geluiden komt tot stand door een wisselwerking tussen de hersenactiviteit en bepaalde akoestische wetten.

De hersenen vergelijken de relatieve sterkte van de geluidsgolven die het linker- en rechteroor bereiken of meten het tijdsverschil tussen de momenten waarop een geluid achtereenvolgens beide oren bereikt. Een groot hoofd komt daarbij goed van pas omdat de afstand tussen de oren groter is. Geluiden zijn dan beter te lokaliseren omdat het verschil in aankomsttijd en volume tussen links en recht ook groter wordt.

Een probleem bij het vaststellen van de richting waar een geluid vandaan komt, is de altijd aanwezige echo. Een geluid dat van rechts komt, kan via een boom of een muur in het linkeroor terecht komen. De gereflecteerde geluidsgolf die zo ontstaat, komt dus uit de tegenovergestelde richting van de golf die rechtstreeks van de geluidsbron afkomstig is. Zowel bij mensen als bij honden ontstaat het vermogen om deze reflecterende geluiden uit te filteren in de loop van hun ontwikkeling. Het is dus geen aangeboren eigenschap.

Daarnaast geven de beweegbare oorschelpen van een hond hem een flink voordeel ten opzichte van de mens op het gebied van geluidslocalisatie. Zeker voor honden met rechtopstaande oren wordt het vermogen om geluiden te lokaliseren en waar te nemen vergroot doordat het uitwendige gedeelte van het oor kan draaien. Op deze manier kan er meer geluid worden opgevangen én de richting van het geluid kan nauwkeuriger worden bepaald. Honden met hangende oren zijn in het nadeel, omdat hun omlaag hangende oren een deel van het binnenkomende geluid tegenhouden. Zij zijn dus iets minder goed in staat de bron van een geluid snel en accuraat te lokaliseren.

Frequentie

Als honden over een normaal gehoor beschikken, kunnen zij geluiden horen die frequenties tussen de 47.000 en 65.000 Hz* bereiken. Bij een normaal mens ligt dit maximum rond de 20.000 Hz. Wetenschapsjournalist Stephen Budiansky geeft in zijn boek ‘De waarheid over honden’ een aardig voorbeeld om dit te verduidelijken: om de hoogste toon te produceren die iemand kan horen, zouden er ongeveer 28 extra toetsen ofwel ongeveer 2 octaaf aan de rechterkant van een normale piano moeten worden toegevoegd. Om de hoogste toon te produceren die een hond kan horen, zouden er 48 extra toetsen nodig zijn, oftewel 4 volledige octaven.

Evolutie van het gehoor

Een hond kan zulke hoge tonen wel horen, maar hij is niet in staat ze zelf te produceren. Kleine knaagdieren kunnen dit echter wel. Ook hun gescharrel tussen de bladeren en het gras veroorzaakt hoogfrequente ritselende en schrapende geluiden. Hoewel sommige wilde hondachtigen, zoals wolven, ook op grotere prooidieren zoals herten wilde schapen of antilopen jagen blijkt uit veldonderzoek dat het zomerdieet van veel wolven voornamelijk bestaat uit kleine knaagdieren, aangevuld met een enkel konijn. Het vermogen om de hoogfrequente geluiden die deze kleine dieren produceren te horen is daarom essentieel voor hun overleven. Dit maakt het waarschijnlijk dat de ontwikkeling van het gehoor een aanpassing is die een roofdier in staat stelt kleine prooidieren te kunnen opsporen. De hondachtigen die dit vermogen naar behoren ontwikkelden, konden zich het beste handhaven en hadden daarmee de grootste kans om te overleven.

Mogelijke consequenties voor het gedrag

We kunnen dus vaststellen dat honden veel gevoeliger zijn voor geluid dan mensen, zeker als het gaat om een geluid met een hoge frequentie. Dit is tevens een mogelijke verklaring voor het verschijnsel dat sommige honden angst vertonen bij het horen van geluiden die wij doorgaans als doodgewoon beschouwen. Apparaten als stofzuigers of bepaald elektrisch gereedschap kunnen hoge, doordringende piepgeluiden produceren die voor een hond erg irritant en wellicht zelfs pijnlijk zijn. Wij hebben hier veel minder last van omdat deze geluiden voor ons nagenoeg niet hoorbaar zijn. Zoals u zult begrijpen kan het geen kwaad hier van tijd tot tijd eens bij stil te staan.

*Hertz (Hz) is de meeteenheid die het aantal geluidstrillingen per seconde weergeeft

(oorspronkelijk gepubliceerd in tijdschrift Hondenmanieren)

 

 
Comments Off

Posted in Articles

 

“Een wereld in geuren: De neus van de hond”

24 Apr

Het is algemeen bekend dat honden heel goed kunnen ruiken; zij kunnen veel meer verschillende geuren waarnemen dan wij. Ze worden niet voor niets ingezet als bijvoorbeeld reddingshond of drugshond. De neus is een heel belangrijk onderdeel van de hersenen van de hond en speelt dus een grote rol bij de manier waarop hij de wereld om zich heen waarneemt. Als we iets willen begrijpen van zijn belevingswereld, zullen we de neus dan ook nader onder de loep moeten nemen.

De neus in het kort

Naar schatting gebruiken honden hun neus duizend tot tienduizend keer beter dan wij. Hun neus is zo gebouwd dat er zoveel mogelijk geurmoleculen kunnen worden opgenomen. Zij kunnen hun neus bijvoorbeeld van links naar rechts bewegen. Ook is het oppervlakte in de neus waar de moleculen worden geabsorbeerd veel groter dan bij de mens; bij mensen bedraagt het totale gewicht van dit reukcentrum 1,5 gram en bij honden maar liefst 6 gram. Daarnaast is een extra groot deel van de hondenhersenen bestemd voor het analyseren van geuren, namelijk 10 procent van de gehele herseninhoud.

Verschillende neuzen

Zoveel verschillende honden, zoveel verschillende neuzen. Ze zijn er in alle soorten en maten. Dit is van belang omdat honden met een grote en brede snuit een groter reukoppervlakte en meer geurcellen hebben dan honden met een kleine, platte snuit. Zo hebben herders meer dan 200 miljoen geurcellen en bloedhonden meer dan 300 miljoen! Ter vergelijking: mensen hebben er slechts 6 miljoen.

Geuren onderscheiden

Hoewel honden ook hun ogen en andere zintuigen gebruiken, ´zien´ zij de wereld dus voornamelijk door hun neus. Ze zijn werkelijk meesters in het herkennen en identificeren van vele verschillende geuren. Dit is ook de reden dat we nooit precies zullen weten wat zij ervaren; zoveel van wat zij waarnemen gaat aan ons voorbij. Niet alleen zijn zij in staat geuren in zeer kleine hoeveelheden op te pikken, ook kunnen zij verschillende geuren heel goed onderscheiden van elkaar. Wij nemen een geur meestal als één geheel waar, terwijl honden deze geur als het ware ontleden en er allerlei andere dingen in ruiken. Dit verschijnsel wordt ook wel ‘gelaagd ruiken’ genoemd. Een voorbeeld: als wij erwtensoep ruiken, ruiken we erwtensoep. Honden zullen echter alle verschillende ingrediënten in waarnemen, zoals de worst en de spliterwten.

Wetenschappers denken dan ook dat honden met geur doen wat wij met onze ogen doen; ze splitsen geuren op in afzonderlijke, herkenbare delen. Als wij 4 verschillende objecten op tafel zien staan, maken wij direct visueel onderscheid tussen deze objecten. Honden zien in eerste instantie een algemeen beeld maar door eraan te ruiken kunnen zij de objecten van elkaar onderscheiden.

Snuffelmanieren

Honden vangen geuren veel actiever op dan mensen. Door de speciale manier waarop hun neuzen en hersenen gevormd zijn, pikken zij geuren veel sneller op uit de omgeving. Omdat ze hun neusgaten onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen, kunnen ze bepalen uit welke richting een geur komt. Ook is de manier waarop ze snuffelen heel anders dan de normale manier van ademhalen. Als een hond een geur ruikt, wordt de normale ademhaling actief onderbroken. De lucht die vervolgens binnenkomt, wordt kort opgeslagen in de bovenste neusholten. Dit stelt de hond in staat de geur te analyseren. Bij normale ademhaling gaat de lucht via de neusgaten rechtstreeks naar de longen.

Een recent onderzoek, waarbij gebruik gemaakt werd van een speciale fotografische methode, heeft aangetoond dat dit ‘snuiven’ met name bijzonder is omdat de kleine luchtstromingen die worden opgewekt bij het uitademen in feite helpen juist meer van een nieuwe geur in te ademen; de opgewekte luchttocht gaat over de ingeademde lucht heen. Als honden aan het snuffelen zijn, ademen ze tegelijkertijd dus een beetje uit waardoor ze (nog) beter kunnen ruiken!

Vomeronasaal orgaan

Misschien heeft u al wel eens van het Orgaan van Jacobson gehoord, waarvan de wetenschappelijke benaming vomeronasaal orgaan (organum vomeronasale) is. Niet alle diersoorten zijn in het bezit van dit speciale reukorgaan; het komt bijvoorbeeld wel bij slangen voor, die de lucht lijken te proeven met hun naar buiten schietende tong. Zij brengen hiermee extra omgevingsinformatie over naar het Orgaan van Jacobson. Ook katten en honden zijn echter in het bezit van dit bijzondere zintuig. Het bevindt zich boven het harde gehemelte van de mond, op de bodem van de neus en is bezaaid met gespecialiseerde receptoren die gevoelig zijn voor bepaalde chemische stoffen, zoals de feromonen die in urine voorkomen. De hond heeft zo een extra manier om geuren waar te nemen en te identificeren.

Natte neuzen

De natte hondenneus kan meer geurmoleculen uit de lucht vangen en deze tevens gemakkelijker over kan brengen naar het vomeronasaal orgaan. Eigenlijk net als een nat doekje meer stof opneemt dan een droge doek. Met een natte neus kan de hond de geuren dus makkelijker ruiken; het vocht werkt als een soort lijm.

Onderzoek heeft aangetoond dat honden met platte snuiten, zoals een Pekingees of een Engelse Bulldog, vaak iets minder goed kunnen ruiken dan honden met een lange neus. Dit komt omdat de neus zo plat is dat het vocht wat vrijkomt niet snel genoeg zijn weg naar buiten vindt. Er kan dan vocht in de neus achterblijven en dit zorgt ervoor dat de opname van geuren minder spoedig verloopt.

Geur, geheugen en emotie

Honden halen heel veel informatie uit geuren. Daardoor hebben ze een groot effect op hun emoties en gedrag. Het is goed mogelijk hier gebruik van te maken in de dagelijkse omgang met onze honden. In feite doen veel mensen dit al door voertjes als beloning te gebruiken tijdens het opvoeden en trainen. Dit heeft niet zoveel te maken met smaak, omdat de smaakpapillen van de hond niet zover ontwikkeld zijn als die van ons. Het is vooral de geur die de hond motiveert en hem een prettig gevoel geeft. Het reukvermogen staat namelijk in direct contact met de hersengebieden die geassocieerd worden met het ervaren van emoties. Deze hersengebieden koppelen niet alleen een bepaalde emotie aan een gebeurtenis, zij zorgen er ook voor dat deze koppeling wordt opgeslagen in het geheugen. Dit is de reden dat sommige geuren opeens een bepaalde emotie of herinnering kunnen oproepen.

Door de hond met een lekker ruikend snoepje te belonen voor gewenst gedrag ontstaat er een koppeling in zijn hersenen tussen goed luisteren en een fijn gevoel. Zo zijn er wellicht nog veel meer mogelijkheden om emoties en gedrag te beïnvloeden door middel van geuren. Misschien zijn bepaalde gedragsproblemen, zoals de angst om alleen thuis te blijven, wel goed te behandelen door

de hond bepaalde geuren te laten ruiken tijdens onze afwezigheid. Uit tests is bijvoorbeeld gebleken dat zij rustig worden van de geur van lavendel terwijl zij juist meer opgewonden raken van rozemarijn en pepermunt.

Ruiken honden angst?

Ja, honden ruiken angst (evenals andere emoties). Dit heeft voornamelijk te maken met de stoffen die vrij komen bij angstgevoelens. Denk hierbij aan een bepaalde zweetlucht of adrenaline. Leggen zij dan ook daadwerkelijk het verband tussen de geur en de gemoedstoestand? Vermoedelijk wel. Wetenschappers hebben geobserveerd dat een hond zich geagiteerder en nerveuzer zal gaan gedragen op het moment dat hij een kamer binnenkomt waarin even daarvoor een angstige hond heeft gezeten; de geur van de angst is als het ware blijven hangen.

Om betekenis te geven aan de emotie ‘angst’ zouden honden ten eerste moeten weten wat angst precies is en ten tweede zouden zij deze emotie bij ons moeten kunnen herkennen. Dit is in feite terug te voeren naar de vraag of honden beschikken over een zogenaamde ‘theory of mind’; zijn honden in staat zich een voorstelling te maken van de gedachtes en gevoelens van een ander wezen?

Het ligt buiten het bereik van dit artikel deze interessante, maar ingewikkelde materie hier te bespreken maar wellicht kunnen we voor nu er mee volstaan te zeggen dat honden in ieder geval in staat zijn de emotie van angst zelf te ervaren en daarmee iets van betekenis te geven aan de geur die wij, of andere diersoorten, afgeven als we angstig zijn. De wetenschap is nog niet over uit maar toekomstig onderzoek zal ongetwijfeld meer kennis opleveren over dit onderwerp.

(oorspronkelijk gepubliceerd in tijdschrift Hondenmanieren)

 

 
Comments Off

Posted in Articles

 

“Mijn pup in Balans” – Judith Zwaan

24 Apr

Judith Zwaan is de oprichtster en eigenaresse van hondenschool ‘Honden in Balans’, gevestigd te Oosterhout. Deze school maakt uitsluitend gebruik van hondvriendelijke en positieve opvoedingstechnieken; middelen als stroombanden, slipkettingen of halti’s zijn er niet toegestaan. De benodigde opleidingen heeft Zwaan gevolgd bij Kynologisch Centrum Quiebus. Daarnaast put zij uit haar eigen ervaringen met honden(roedels). Een van haar voornaamste doelen is het creëren van een goede en stevige relatie tussen hond en eigenaar. Hierbij staan plezier en positiviteit hoog in het vaandel.

Regelmatig werd Zwaan door cursisten benaderd met de vraag wat nu een goed boek was over het opvoeden van pups. Zij vond het lastig deze vragen goed te beantwoorden omdat zij geen enkel boek kon noemen waarin zij zichzelf helemaal kon vinden. Tevens verbaasde zij zich over het feit dat zoveel mensen tegen dezelfde problemen leken aan te lopen, waardoor haar dikwijls dezelfde vragen werden gesteld. De dingen die voor Zwaan zo vanzelfsprekend waren, bleken dat juist helemaal niet te zijn voor andere mensen.

Uiteindelijk besloot zij een eigen boek te gaan schrijven en het resultaat is ‘Mijn pup in balans!’. Op het eerste gezicht een enigszins bescheiden boekje dat slechts 80 pagina’s telt en eenvoudig is vormgegeven. Als ik het boek doorblader, vallen de duidelijke, overzichtelijke lay-out en de kleurenfoto’s direct op. Ondanks het sobere voorkomen, maakt het me toch nieuwsgierig naar de inhoud.

Uit het voorwoord wordt duidelijk dat het boek bedoeld is als ‘handleiding en naslagwerk voor iedereen die op een prettige manier zijn of haar pup wil opvoeden en voor iedereen die meer inzicht wil in het hoe en waarom van het gedrag van zijn of haar hond’. Hoewel in het boek veelal een optimistische toon gehanteerd wordt, laat Zwaan het niet na enkele realistische en relativerende opmerkingen te plaatsen over de gevolgen van de aanschaf van een pup. Dit doet zij op een prettige, bijna speelse manier, zoals eigenlijk alle tekst in het boek geschreven is.

‘Mijn pup in balans!’ is verdeeld in acht hoofdstukken met onderwerpen als ‘aanschaf van een pup’, ‘verschillende ontwikkelingsfasen’ en ‘kind en hond in balans’. In het laatste hoofdstuk worden nog eens enkele hardnekkige misverstanden omtrent hondenopvoeding uit de weg geruimd.

Het is duidelijk dat Zwaan de meest voorkomende problemen en de belangrijkste wetenswaardigheden heeft willen behandelen. Dit doet zij met succes.  Inhoudelijk is er wellicht het één en ander op het boek aan te merken. Zo wordt er bijvoorbeeld uitgegaan van de theorie die gebaseerd is op de wolvenroedel; iets waar niet iedereen het mee eens zal zijn. Deze zienswijze wordt echter vrij algemeen besproken en het is ook weer niet zo dat alle hoofdstukken ermee doorspekt zijn. Het staat de boodschap van het boek daardoor niet in de weg.

Voor vele (toekomstige) pupeigenaren zal dit boek een verademing zijn. Er zijn vele goede boeken op de markt maar zeker voor de beginnende hondeneigenaar kan dit aanbod erg onoverzichtelijk zijn. Daarnaast is het zo dat sommige van deze boeken lang niet altijd even makkelijk leesbaar zijn voor de ‘beginner’.

‘Mijn pup in balans’ is dan wel geen hoogstaand meesterwerk, maar het biedt wel nuttige en praktische informatie die voor veel mensen heel belangrijk is. Zeker als men voor het eerst een pup in huis heeft.

 

 

 

 

 

 

 

 

Judith Zwaan
“Mijn pup in balans! Handboek voor de pup (eigenaar)”
€ 19,95
82 Blz.
Verkrijgbaar via de website www.hondeninbalans.nl

 

 
Comments Off

Posted in Book Reviews

 

“Van pup tot werk-, sport-, of politiehond” – Dick Staal

24 Apr

De naam van Dick Staal (1956) zal bij vele mensen die iets te maken hebben met politie- en/of speurhonden een belletje doen rinkelen. Staal is dan ook instructeur en geleider bij de Unit specialistische honden van de Dienst Levende Have Politie van het Korps Landelijke Politiediensten. In zijn eerste boekje ‘Jong geleerd, Oud gedaan’ beschreef hij al enkele bekende onderwerpen als de socialisatie en zindelijkheidstraining van de pup. In zijn nieuwste boek komen deze onderwerpen niet tot nauwelijks aan de orde. Eerder richt hij zich op de daadwerkelijke training van de pup, welke volgens hem al kan beginnen op een leeftijd van zeven weken. Staal put hierbij voornamelijk uit zijn eigen jarenlange ervaring met het fokken, opvoeden en trainen van pups.

Het boek “Van pup tot werk-, sport-, of politiehond” is in bepaalde kringen uitgegroeid tot een groot succes en is inmiddels zelfs in het Engels verkrijgbaar. Een goede reden om dit boek eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. Naast de titel staan er op de voorkant van het boek nog de teksten ‘ook toepasbaar bij volwassen honden’ en ‘de beste manier om uw hond te trainen!’ Mijn nieuwsgierigheid is in ieder geval gewekt, mede ingegeven door de vele fraaie kleurenfoto’s van Staal en één van zijn pups. Je ziet deze pup als het ware opgroeien naarmate het boek vordert.

Staal omschrijft zijn methode zelf als een combinatie van de moderne trainingsmethode “negeren/belonen” en de traditionele methode “belonen/straffen”. Er wordt niet nagelaten te benadrukken dat het gaat om een overwegend positieve methode die zo min mogelijk stress en onzekerheid bij de pup teweeg moet brengen. Het staat voor Staal echter buiten kijf dat het niet mogelijk is een onder alle omstandigheden luisterende hond te krijgen met een training die voor 100% positief is. Dat het belang van een betrouwbare hond erg groot is, zal voor de lezer duidelijk zijn; het gaat hier immers vooral om de training van (latere) politiehonden.Tijdens het aanleren van de oefeningen en de commando’s werkt Staal volgens de principes van twee fases: de ‘aanleerfase’ en de ‘uitbouwfase’. Er wordt hierbij rustig en opbouwend getraind met behulp van voer. Na deze fases volgt de zogenaamde ‘plichtfase’, waarin de pup leert dat het geleerde niet vrijblijvend is. Er worden nu bewust situaties opgezocht waarin de pup de fout in zou kunnen gaan en er wordt gewerkt met afleiding; ook in moeilijke situaties moet de hond doen wat er van hem verlangd wordt. Enkele oefeningen die aan bod komen zijn: apporteren, speuren, revieren, passieve melding en de opbouw van het pakwerk.

Het gebruik van correcties wordt niet geschuwd, al geeft Staal wel aan dat het gebruik van negatieve prikkels zoveel mogelijk vermeden moet worden. Tevens mogen correcties pas toegepast worden als men er zeker van is dat de pup de uit te voeren oefening helemaal onder de knie heeft. Volgens Staal staat het dan vast dat de pup het commando ‘willens en wetens’ negeert of verkeerd uitvoert. Over de juistheid van deze bewering en andere uitspraken die in het boek naar voren komen, valt zeker te twisten en het zal ongetwijfeld tot verhitte discussies leiden tussen mensen van de verschillende stromingen. Zo zal ook het gebruik van de elektronische correctieband velen tegen het hoofd zal stoten.

Staal’s taalgebruik is over het algemeen helder en rechtdoorzee. Hierbij wil ik wel opmerken dat ik het jammer vind dat hij aan het begin van het boek nergens goed uitlegt wat hij verstaat onder het ‘stevig corrigeren’ van de pup. Ik kan mij natuurlijk wel een voorstelling maken, zeker gezien het feit dat later de elektronische halsband ter sprake komt, maar het was wellicht handiger geweest om dit meteen duidelijk te maken.
“Van pup tot werk-, sport- of politiehond” is dus niet voor iedereen weggelegd. Zeker niet voor de mensen die gewoon een gezellige huis-, tuin- en keukenhond willen die af en toe best eens stout mag zijn. Het geeft echter wel eens een interessant kijkje in de keuken van een ander soort stroming binnen het werken met honden.

 Websites:
www.dickstaal.nl
www.dickstaal.com
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Dick Staal
Van pup tot werk-, sport-, of politiehond.
(Lessen van een politiehondentrainer)
127 blz.
Drukkerij van Esch, Zwolle
 
Comments Off

Posted in Book Reviews

 

“De Roedelmethode” (deel 2) – Arjen van Alphen en Francien Koeman

24 Apr

Arjen van Alphen en Francien Koeman zijn de oprichters van Hondenopvoedingsinstituut ‘De Roedel’. Aanvankelijk was dit instituut gevestigd in Utrecht maar inmiddels wonen Van Alphen en Koeman met hun roedel in het dorp Salmchateau in de Belgische provincie Luxemburg, vanwaaruit zij onder andere studieweekenden en workshops organiseren.

De eerste druk van deel één van “Honden trainen volgens de regels van de natuur” kwam reeds uit in 1998. Dit boek gaat voornamelijk over een natuurlijke wijze van opvoeden, gebaseerd op de dynamiek binnen een roedel. Geur- en lichaamstaal spelen hierbij een grote rol.

Sinds die tijd hebben Van Alphen en Koeman zeker niet stil gezeten en zijn zij onverminderd doorgegaan met hun observaties en onderzoeken. Het resultaat van hun inspanningen is het tweede deel van de methodiek die inmiddels bekend staat als de ‘Roedelmethode’. Met dit deel willen zij dieper ingegaan op zaken als het sociale leren en de manier(en) waarop de genetische aanleg van de hond zich ontwikkelt.

‘Honden trainen volgens de regels van de natuur’ is zeker geen standaard hondenboek. Onderwerpen als socialisatie, opvoeding en zindelijkheid komen weliswaar uitgebreid aan bod, maar wel in een heel ander ‘jasje’ dan de meeste mensen gewend zijn. Zoals gezegd, ligt de nadruk op gedrag wat de hond van nature in zich heeft. In wezen is een hond een zeer sociaal dier, maar het is niet per definitie logisch dat hij zich ook zo gedraagt. In dit kader wordt het het sociale leerproces, waarbij een pup leert uiting en betekenis te geven aan geur- en lichaamstaal, uitgebreid besproken. Dit proces begint op het moment dat de pup geboren wordt. De periode die de pup bij zijn moeder en zijn nestgenootjes doorbrengt, is dan ook van groot belang. Van Alphen en Koeman baseren zich bij de bespreking van het sociale leren en alles wat daarbij komt kijken veelal op de eigen ervaringen en observaties. Het is evident dat zij enorm veel kennis hebben opgedaan door het observeren van het individuele gedrag en de interactie tussen pups en moederhond in de nesten die zij zelf gefokt hebben. Daarnaast maken zij gebruik van enkele belangrijke en toonaangevende wetenschappelijke bronnen, iets wat de legitimiteit van hun onderzoeken alleen maar ten goede komt.

Toch lijken zij soms conclusies te trekken waarvan de aannames en argumenten niet goed onderbouwd zijn; er worden bijvoorbeeld slechts punten genoemd die een bepaalde redenering ondersteunen, terwijl de ‘andere’ kant onderbelicht blijft. De schrijvers hebben absoluut meer in hun mars en het is onnodig dat zij een dergelijke selectieve argumentatiewijze aanwenden.

Zeker in het begin van het boek is het nog een beetje lastig om echt vat te krijgen op de materie. Het is dan ook geen boek wat men in één ruk zal uitlezen. Dit is echter niet direct een nadelige kwalificatie; het mag hier en daar dan wat taai zijn, de stof zet wel aan tot nadenken! Sommige delen zijn het teruglezen en overdenken meer dan waard. Het boek is verder voorzien van honderden foto’s en enkele verduidelijkende schema’s achterin. Van beiden moet wel worden opgemerkt dat deze niet allemaal even correct of duidelijk zijn weergegeven.

Inhoudelijk zal niet iedereen het met het beschrevene eens zijn. Termen als ‘ranghoger, ‘ranglager’ en ‘alfa’ komen veelvuldig voor en het zal niemand ontgaan zijn dat er nogal wat discussie gaande is over de vraag of het gebruik van deze termen nog langer gerechtvaardigd is.

Desalniettemin staat er ontzettend veel nuttige en waardevolle informatie in voor iedereen die geïnteresseerd is in het hoe, waarom en waardoor van hondengedrag. De intrinsieke motivatie van de hond speelt een grote rol in zijn sociale gedrag en zijn communicatie met de eigenaar. Heel terecht wordt er hierbij gewezen op de gevaren van antropomorfisme; het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren.

Van Alphen en Koeman nemen de lezer middels een aardige metafoor aan de hand en leren hem zijn menselijke bril af te zetten en hondenschoenen aan te trekken; van het passen en het inlopen tot de eerste echte stapjes. Men leert als het ware op een andere manier naar zijn hond te kijken en met hem te communiceren op een ‘hondser’ niveau, waarbij, zoals eerder opgemerkt, geur- en lichaamstaal een zeer grote rol spelen.

De Roedelmethode is nog niet ‘af’ en er zal ongetwijfeld nog een derde deel verschijnen. Dat is tenminste wel te hopen, want het zou zonde zijn als de schrijvers de vele interessante uitgangspunten van deze methode niet (nog) verder uitbouwen. Een wat stevigere en iets meer solide wetenschappelijke onderbouwing is daarbij welkom.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Honden Trainen Volgens de Regels van de Natuur (met de Roedelmethode)
Deel 2
Arjen van Alphen en Francien Koeman
ISBN 9789038917870
Uitgeverij Elmar
ww.deroedel.com
 
Comments Off

Posted in Book Reviews

 

“Clickertraining”- Morton Egtvedt & Cecilie Koste

24 Apr

Het boek ‘Clickertraining. De vier geheimen van supertraining’ is al enige tijd op de markt. Dit betekent echter niet dat het geen aandacht meer verdient of niet meer actueel is, integendeel.

Het boek is voor het eerst uitgegeven in 2001 in Noorwegen (oorspronkelijke titel: ‘Klikkertrening for din hund’). De schrijvers, het echtpaar Morten Egtvedt en Cecilie Koste, staan in Scandinavië bekend als experts op het gebied van clickertraining bij honden. Zij zijn de hoofdinstructeurs van de Canis Clickertraining Academy. Deze hondenschool biedt in 30 steden in Noorwegen, Zweden en Denemarken cursussen aan waarbij uitsluitend gebruik gemaakt wordt van clickertraining. Tevens maken zij deel uit van de Clicker Expo Faculty van Karen Pryor (zie http://clickertraining.com/clickerexpo/).

Egtvedt en Koste hebben zelf de Engelse vertaling van hun boek verzorgd en via de Clicker Expo van 2009 kreeg deze vervolgens nog meer bekendheid. Hier is het uiteindelijk opgepikt door Renée Jonkers en Eric Bosch van DogAction (‘clickertraining voor opvoeding en sport’); zij hebben ervoor gezorgd dat het boek in het Nederlands vertaald werd. Volgens hen is dit het beste boek wat er tot nu toe is geschreven over clickertraining.

Na al deze positieve berichten wilde ik dit boek graag lezen en recenseren; zou het echt zo goed zijn als werd beweerd? Het uiterlijk van het boek gaf me in ieder geval een hele goede eerste indruk en sprak me direct aan. Het is een stevig gebonden boek met een harde kaft, duidelijk leesbare teksten en vele kleurenfoto’s.

Ook inhoudelijk is het boek erg aantrekkelijk. Door de vlotte, enthousiaste schrijfstijl, met hier en daar een flinke dosis humor, word je als er als het ware meteen ingetrokken. Hoewel enige affiniteit met het onderwerp het lezen wellicht wat zal vergemakkelijken, is dit zeker geen vereiste. Het boek is bestemd voor zowel beginners als gevorderden op het gebied van clickertraining.

Het is prettig dat de auteurs geen snelle oplossingen voor bijvoorbeeld probleemgedrag beloven, zoals vaak gebeurt in andere hondenboeken. Zij vergelijken clickertraining met het leren rijden in een raceauto; voor je ermee kan rijden, moet je eerst weten wat er onder de motorkap zit. En: oefening baart kunst! Clickertraining is niet het ultieme wondermiddel, maar wel een hele goede manier om op een fijne, positieve en vooral effectieve manier met je hond bezig te zijn.

In heldere taal, zonder belerend over te komen, wordt uitgelegd waarom de auteurs het trainen met de clicker verkiezen boven trainingsmethodes waarbij gebruik gemaakt wordt van correcties. Dit doen zij onder andere aan de hand van voorbeelden op het gebied van de werking van de hersenen. Er wordt echter nergens gebruik gemaakt van al te lastige of technische termen, iets wat de leesbaarheid van het boek alleen maar ten goede komt.

Het eerste gedeelte van het boek is vooral theoretisch, hoewel het hier zeker niet ontbreekt aan enkele verduidelijkende praktische voorbeelden. Zo komen er onder meer veelgestelde vragen en veel voorkomende problemen voorbij en wordt er verteld hoe je het beste trainings- en criteriaplannen op kan stellen (inclusief uitwerkingen). Tussendoor worden er handige samenvattingen en conclusies gegeven.

In het laatste hoofdstuk komen er 30 oefeningen aan bod waar je zelf mee aan de slag kan. Deze variëren van belangrijke vaardigheden als ‘oogcontact’ en ‘volgen’ tot leuke trucs als ‘de was doen’ en ‘de twist’. Elke oefening wordt stap voor stap uitgelegd en is voorzien van een overzichtelijk trainingsplan.

Na het lezen van ‘Clickertraining’ is het bijna onmogelijk niet geïnspireerd te zijn. Zoals op de achterkant van het boek te lezen is: “je zult waarschijnlijk nauwelijks kunnen wachten om naar buiten te gaan en te starten met de training”.

Maar wat zijn nu die ‘vier geheimen van supertraining’ waarover gesproken wordt in de titel? Die vraag is eigenlijk pas te beantwoorden als je het boek zelf hebt gelezen en dan zul je tevens begrijpen waarom deze vier zaken zo belangrijk zijn.

Zelfs al besluit je uiteindelijk niet aan de slag te gaan met je hond en de clicker, dan is het boek nog steeds de moeite van het lezen waard omdat het waardevolle inzichten geeft in de manieren waarop honden denken en leren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Clickertraining. De vier geheimen van supertraining.
Morten Egtvedt en Cecilie Koste
Vertaling: Renée Jonkers en Eric Bosch
€ 29,95 (excl. verzendkosten)
208 bladzijdes, full color, hardcover
ISBN 978-90-814568-1-4
Alleen verkrijgbaar via www.dogaction.nl
 
Comments Off

Posted in Book Reviews

 

Is mijn hond écht blij? De angst voor antropomorfisme.

08 Apr

Antropomorfisme, het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke dieren, wordt bij het wetenschappelijk onderzoek naar het gedrag, de emoties en het bewustzijn van het dier als een groot probleem gezien. We zouden dieren hierdoor menselijker maken dan ze daadwerkelijk zijn. Daarnaast staat objectiviteit hoog in het vaandel en het is nu eenmaal erg lastig objectieve uitspraken te doen over de innerlijke belevingswereld van dieren. Toch hoeft antropomorfisme lang niet zo´n complex probleem te zijn. Zolang er zorgvuldig mee wordt omgegaan, kan het juist dienen als een zeer nuttig hulpmiddel.

Een korte geschiedenis

De term is een samenvoeging van de Griekse woorden ánthrōpos (mens) en morphē  (uiterlijke vorm). Oorspronkelijk werd antropomorfisme beschreven als de neiging om menselijke gevoelens en uiterlijke kenmerken toe te schrijven aan elke levende of niet-levende entiteit, voornamelijk goden. Aardig om te vermelden is dat de negatieve betekenis die nu door veel wetenschappers aan de term wordt toegekend, zijn oorsprong vindt in de opvattingen van Xenophanes (570 v. Chr.). Het voorstellen van goden in menselijke vorm gaf volgens hem alleen maar problemen. Goden werden namelijk verondersteld perfecte wezens te zijn, het was denigrerend hen een menselijk uiterlijk en menselijke eigenschappen toe te dichten. Door het concept van een god aan antropomorfe termen te onderwerpen, ontstond er verwarring over welke karakteristieken een god zou moeten hebben. Tevens was het van onze kant wel erg arrogant te denken dat goden op mensen moesten lijken. Op deze manier kreeg antropomorfisme de negatieve bijklank die het vandaag de dag nog heeft en ging men het gebruik van antropomorfe taal vermijden.

Darwin

Het is voor ons als hondenliefhebbers haast onvoorstelbaar dat er nog steeds mensen zijn die vinden dat we niet kunnen zeggen dat een hond blij, verdrietig of boos is omdat dit menselijke emoties zijn.

Lange tijd werden dieren zelfs als een soort machines gezien, zonder enige vorm van bewustzijn of emoties. Met de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882) werd men echter gedwongen het innerlijke leven van dieren met andere ogen te bezien. Hij stelde dat wij geëvolueerd zijn uit de lagere diersoorten en die redenering volgend werd het erg lastig om bewustzijn of emoties bij die soorten te ontkennen. Zo werd niet alleen duidelijk dat dieren geen machines zijn, maar ook dat mensen dieren zijn. Zijn ideeën stuitten in die tijd echter op veel weerstand; mensen waren nog niet bereid aan te nemen dat zij verwant waren aan de apen. Ook was er veel kritiek op de wetenschappelijke methode die Darwin hanteerde; hij zou teveel gebruik maken van anekdotisch (subjectief) bewijsmateriaal en antropomorfe beschrijvingen. Zo zei hij bijvoorbeeld over honden dat zij in staat waren gevoelens als schaamte en trots te ervaren. Dit kon men in die tijd niet accepteren en er ontstond wederom behoefte aan een objectieve wetenschap met gecontroleerde experimenten.

Behaviorisme, opkomst en verval

Bewustzijn en emoties verdwenen gaandeweg weer helemaal naar de achtergrond en de aandacht werd met name gericht op observeerbaar gedrag. Deze stroming werd het ´behaviorisme´ genoemd. Volgens deze zienswijze zouden zowel mensen als dieren alleen reageren op bepaalde prikkels uit de omgeving. Ook een emotie is niets meer dan aangeleerd gedrag. Processen die zich van binnen afspelen werden beschouwd als ontoegankelijk en zaten opgesloten in de zogeheten ´black box´. Zo omzeilde men ook gelijk de problemen die antropomorfisme met zich meebracht. Het is lastig aan te geven wanneer het behaviorisme nu precies zijn aanzien verloor, maar het bleef tot in ieder geval de jaren ´50 van de vorige eeuw zeer invloedrijk.

Het was uiteindelijk de cognitieve revolutie die het definitieve einde van het behaviorisme betekende. Vanaf de jaren ´70 werd er steeds meer onderzoek gedaan naar bewustzijn en andere cognitieve processen bij dieren. Nog steeds werden hierbij beschrijvingen van de subjectieve beleving liever vermeden omdat dergelijk onderzoek onwetenschappelijk zou zijn. De laatste jaren is er echter een ommekeer merkbaar; steeds meer wetenschappers vinden dat er wel onderzoek gedaan kan worden naar de innerlijke belevingswereld van dieren, mits dat op een kritische en zorgvuldige wijze gebeurt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een recent onderzoek waaruit bleek dat honden een gevoel voor rechtvaardigheid hebben. Hoe past antropomorfisme nu in dit plaatje? De wetenschap vraagt immers nog steeds om een neutrale taal en objectieve resultaten. Laten we dit eens bekijken op het gebied van emoties bij honden.

Honden, emoties en antropomorfisme

Zoals gezegd is het bedreigende aan antropomorfisme vooral het subjectieve element wat ermee gepaard gaat. Subjectiviteit is echter een essentieel onderdeel van observatie; ieder observeert vanuit een bepaald perspectief, een eigen persoonlijke zienswijze. Het is onmogelijk onze menselijke bril af te zetten en op een objectieve manier naar de wereld te kijken. Een neutrale, geheel objectieve taal bestaat dus eigenlijk niet. En als we onze eigen taal niet kunnen gebruiken om iets te zeggen over wat er in onze honden omgaat, hoe kunnen we dan ooit bepalen welke emoties ze ervaren? We kunnen nu eenmaal niet in hun hoofd kruipen en we spreken geen ´honds´. Het doet geen afbreuk aan het perspectief van de hond door de emoties die zij zo overduidelijk ervaren te beschrijven in menselijke termen als  jaloezie, empathie, verdriet, liefde en blijdschap. Door middel van antropomorf taalgebruik maken we de emoties van onze honden juist meer toegankelijk. We kunnen hun gevoelens op die manier beter begrijpen en uitleggen. Als ik bijvoorbeeld met mijn eigen honden aan het spelen ben, zie ik de schittering in hun ogen, de kwispelende staarten, de open mond en ontspannen kaak. Ik zou dit zeker willen omschrijven als pure en oprechte blijdschap.

Dit betekent natuurlijk niet dat een hond emoties op exact dezelfde manier als mensen hoeft te ervaren. Al zijn er vele overeenkomsten, we mogen niet vergeten dat we met een andere diersoort te maken hebben. Daarom moeten we ook oppassen dat we honden niet te véél vermenselijken. In onze huidige cultuur zijn er vele voorbeelden te noemen waarbij de balans enigszins is doorgeslagen en honden als mensen, zij het wat kleiner en hariger, behandeld worden. Honden met gelakte nagels en een geverfde vacht, honden die als baby´s in modieuze tasjes worden meegedragen, je kan het zo gek niet bedenken.

Honden hoeven niet altijd hetzelfde leuk te vinden wat wij leuk vinden. Door hun gedrag goed te observeren en daar een beschrijving aan te koppelen, gebruikmakend van onze eigen ervaringen, kunnen we ons echter wel een voorstelling maken van wat zij in bepaalde situaties denken en voelen en daar rekening mee houden.

Samenvattend

Het is onvermijdelijk dat we het gedrag van de hond interpreteren vanuit onze eigen menselijke gevoelens, gedachtes en taal. Maar honden zijn geen mensen en het is heel belangrijk te proberen de dingen ook vanuit hun perspectief te zien en ons te verdiepen in hun fascinerende belevingswereld. Een zorgvuldig en kritisch gebruik van antropomorfisme kan daarbij gezien worden als een nuttig, nagenoeg onmisbaar hulpmiddel. Het is een manier om tot die belevingswereld door te dringen, een manier om uitdrukking te geven aan en een verklaring te geven voor datgene wat we waarnemen.

Ook bij het wetenschappelijk onderzoek naar emoties en bewustzijn bij dieren kan antropomorfisme als hulpmiddel gebruikt worden. Nauwkeurige, kritische en gedetailleerde antropomorfe beschrijvingen kunnen namelijk dienen als informatiebron voor het generen van hypotheses en voorspellingen. Zo kunnen wetenschappers, als zij er open voor staan, theorieën ontwikkelen omtrent de dierlijke belevingswereld en hebben we de mogelijkheid om waardevolle kennis op te doen. Daar  wordt zowel mens als dier toch blij van?

 

Verder lezen: R.W. Mitchell, N. Thompson & L. Miles (1997), Anthropomorphism, anecdote and animals: The emperor´s new clothes? Albany NY: Suny Press

 
Comments Off

Posted in Articles

 

Hond en Communicatie

08 Apr

Taal is een lastig onderwerp, zeker als het op dieren aankomt. Er wordt wel eens gezegd dat dieren geen taal hebben en ook niet kunnen communiceren op het hoge niveau waarop wij dat doen. Hoe zit dat nu precies met hondentaal?

Woordherkenning

Er zijn inderdaad grote verschillen in de manier waarop honden en mensen taal gebruiken en het mag duidelijk zijn dat zij niet over de zeer complexe vorm van taal beschikken die ons mensen zo uniek maakt. Toch komen er de laatste tijd steeds meer berichten naar buiten waaruit blijkt dat honden wel eens een groter gevoel voor taal zouden kunnen hebben dan gedacht werd.

Rico

In 2004 werd er bijvoorbeeld een artikel gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Science over een onderzoek met de Border Collie Rico. Deze hond kende de namen van 200 verschillende voorwerpen. Dit was hem eerder aangeleerd door zijn eigenaren. In het onderzoek werd gekeken of hij in staat was een onbekend woord aan een onbekend voorwerp te koppelen. Dit gebeurde door hem naar een andere kamer te sturen en hem een voorwerp te laten halen waarvan hij de naam nog niet eerder had gehoord. Zijn baas gaf dan bijvoorbeeld het commando ´haal de sok´. Wanneer hij de kamer binnenkwam, zag hij zeven bekende voorwerpen waarvan hij de naam wist en één onbekend object, in dit geval de sok. In zeven van de tien gevallen bracht hij terug waar om gevraagd was, een heel knap resultaat. Bij dit onderzoek werd er overigens wel goed op gelet dat Rico niet kon reageren op onbewuste non-verbale signalen van zijn baas.

Opvallend is ook dat Rico het nieuw geleerde woord in de meeste gevallen na een maand nog kende. Om een nieuw woord te leren, hoefde hij het dus maar één keer te horen! Dit wordt ook wel ´fast mapping´ genoemd; een strategie waarvan altijd gedacht werd dat alleen kinderen die gebruikten om taal te leren.

De uitkomsten suggereren dat honden gesproken taal wellicht beter begrijpen dan wij denken. Maar het is natuurlijk onmogelijk dat we ooit op ons eigen niveau een echt gesprek met ze zullen kunnen voeren. Honden beschikken gelukkig over vele andere communicatiemiddelen om ons en elkaar hun bedoelingen duidelijk te maken.

Communicatie via geluid

Honden gebruiken veel meer geluidssignalen dan wolven. Vooral het blaffen is hierbij opvallend omdat volwassen wolven dit nog maar zelden doen. Honden blaffen echter veel en vaak. Dit kan er op wijzen dat blaffen zich  misschien min of meer toevallig ontwikkeld heeft toen wolven honden werden. Het kan er ook mee te maken hebben dat zij in hun contact met mensen hebben geleerd dat zij aandacht krijgen als zij blaffen. (Daarom is het ook zo moeilijk ze te leren stil te zijn als zij dit gedrag eenmaal hebben ontwikkeld. Vaak wordt hierbij het geblaf namelijk toch onbedoeld beloond.)

Je vraagt je misschien af wat dan de betekenis is van blaffen of van andere geluiden die honden maken. In het boek The Modern Dog van Stanley Coren staat dat we hiervoor moeten  kijken, en luisteren, naar de hoogte, de duur en de frequentie van de geluiden.

Als eerste de hoogte. Lage geluiden, zoals grommen, duiden meestal op dreiging, boosheid en de mogelijkheid van agressie. De hond zegt hierbij eigenlijk ´blijf bij me vandaan´.

Hoge geluiden betekenen het tegenovergestelde; de hond vraagt hierbij als het ware toestemming om dichterbij te komen of maakt duidelijk dat het veilig is hem te benaderen.

De duur van de geluiden geeft aan in hoeverre de hond een bewuste keuze maakt over het signaal wat hij geeft en het gedrag wat daarop volgt. Dreigend gegrom van een hond die niet van plan is zijn positie op te geven en zeker is van zijn zaak, zal bijvoorbeeld laag en langgerekt klinken. Meerdere en kortere grommen achter elkaar zijn juist een teken van onzekerheid en soms ook angst.

Tot slot de frequentie, ofwel het aantal keren dat een geluid herhaald wordt. Dit zegt iets over het niveau van opwinding. Geluiden die vaak en in hoog tempo herhaald worden, duiden op hoge opwinding en urgentie, terwijl geluiden die minder vaak of helemaal niet herhaald worden, wijzen op een minimale opwinding. Als een hond bij het raam zit en één of twee korte blaffen geeft als hij iets ziet, vertoont dus nauwelijks interesse. Maar een hond die gelijk vreselijk begint te blaffen en dit meerdere keren per minuut herhaalt, vindt datgene wat zich buiten afspeelt heel belangrijk en ziet er misschien zelfs wel gevaar in. Dit is natuurlijk ook weer afhankelijk van de hoogte waarop hij blaft.

Een bepaald geluid kan dan ook het beste op alle drie de dimensies beoordeeld worden, willen we iets kunnen zeggen over de ware betekenis ervan.

Lichaamstaal

De belangrijkste manier waarop honden communiceren is via hun lichaamstaal. Deze taal is instinctief; ze worden ermee geboren. Door allerlei ervaringen tijdens het opgroeien, wordt de taal wel wat subtieler maar de ´basistaal´ ligt vast in de genen en wordt door alle honden op de wereld begrepen.

Al bij zeer jonge pups kunnen bepaalde signalen worden waargenomen zoals het trappelen met de pootjes om melk en het likken van de snuit, neus en lippen van de moeder. Later ontwikkelen zij spontaan nog andere sociale signalen. Hieronder vallen onder andere dominantiehandelingen en onderwerpingsgedrag.

In eerste instantie gaat dit allemaal nog op een speelse manier maar naarmate ze ouder worden, krijgen de signalen steeds meer een serieuze betekenis.

Vele verschillende signalen

Er hoeft nauwelijks twijfel te bestaan over welke bedoeling wordt overgebracht door een hond met een hoge staart, stramme houding, starende blik, opgezette haren en ontblote tanden. Sommige uitdrukkingen zijn echter meer subtiel en daardoor lastiger te interpreteren. Zo is kwispelen met de staart bijvoorbeeld lang niet altijd een teken van vriendelijkheid, zoals vaak wordt gedacht. Een stijf omhoog gehouden staart waarvan alleen het puntje kwispelt, is meestal een signaal van dreiging.

Een ander voorbeeld van subtiele doch duidelijke lichaamstaal is waar te nemen tijdens het spelen van honden. Tijdens het spelen is het belangrijk dat er een aantal sociale gedragsregels in acht worden genomen omdat honden het onderling eens moeten zijn dat ze gaan spelen; het is een vrijwillige activiteit. Daarnaast moeten zij elkaar ook zien duidelijk te maken dat er geen sprake is van kwade bedoelingen. Dit doen zij door het gebruik van verschillende spelsignalen, zoals de speelbuiging. Hierbij buigen zij het voorste deel van hun lijf met gestrekte poten omlaag. Door middel van de speelbuiging nodigen honden elkaar uit tot spel. Maar ook tijdens het spelen worden er vaak buigingen gemaakt, zoals bijvoorbeeld vlak voor of na een beet. Op deze manier benadrukken zij de speelintentie en geven zij aan dat de beet niet serieus bedoeld was. Nog een paar belangrijke spelsignalen zijn het verwisselen van rol en het doen alsof je gehandicapt bent. Dit laatste signaal wordt ook wel de spelremming genoemd; het zorgt ervoor dat het spel niet uit de hand kan lopen. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin een grotere, sterkere hond door de ander op de grond gehouden wordt, zichzelf laat ´bijten´ en opzettelijk met verminderde kracht terugvecht en terugbijt.

Via hun lichaamstaal maken honden elkaar dus van alles duidelijk. Ook wij kunnen hier ons voordeel mee doen door de vele signalen die honden ons geven goed te leren ´lezen´. De gezichtsuitdrukking en lichaamshouding van een hond zijn namelijk  de beste voorspellers van wat er op dat moment in hem omgaat en tot welk gedrag hij eventueel in staat is.  Als we bijvoorbeeld zien aankomen dat een hond op het punt staat een andere hond aan te vallen, kunnen we tijdig ingrijpen. Kennis van lichaamstaal kan dus een hoop problemen voorkomen.

Wat wij zeggen met ons lichaam

Honden letten niet alleen op elkaars lichaamstaal, ze letten ook op die van ons. Uit een onderzoek van de Amerikaanse hondengedragsdeskundige Patricia McConnell is gebleken dat zij zelfs meer op onze lichaamstaal letten dan op de dingen die we zeggen. De kleinste verandering in onze houding wordt door ze opgepikt. Vaak zijn wij ons echter helemaal niet bewust van de signalen die we met ons lichaam uitzenden. Dit zorgt dan ook wel eens voor enige miscommunicatie. Als we het één zeggen en met ons lichaam het ander doen, kunnen we onze honden onbewust tegenstrijdige signalen geven.

Door honden goed te observeren en bewuster te worden van de signalen die we met de houding van ons lichaam overbrengen, kunnen we echter een hoop leren. Het is bijvoorbeeld leuk eens te kijken wat er gebeurt als je uitsluitend via lichaamstaal probeert te communiceren met je hond.

Hondentaal, het blijft een zeer interessant onderwerp waar we nog lang over kunnen praten!

 

 
Comments Off

Posted in Articles

 

Jaloezie, empathie en schaamte. Hoe ervaren honden emoties?

08 Apr

Laten we om emoties bij honden toe te lichten beginnen met het verhaal van Kobuk en Tika, twee husky´s die al jaren elkaars partner waren en samen acht nestjes op de wereld hadden gezet. Tika was de rustigste van het stel, Kobuk de wildebras. Hij wrong zich er vaak tussen als hij vond dat Tika teveel werd aangehaald en als het tijd was voor een wandeling wilde hij perse als eerste door de deur gaan, ook als dit betekende dat hij Tika hiervoor omver moest lopen.

Op een dag verscheen er een knobbeltje op de poot van Tika dat almaar groter werd. Het bleek een kwaadaardige tumor te zijn. Het gedrag van Kobuk veranderde plotsklaps radicaal; hij werd erg stil en bleef constant in de buurt van Tika. Volgens de eigenaresse maakte Kobuk zich duidelijk grote zorgen. Uiteindelijk moest de poot geamputeerd worden. Daardoor kon Tika zeker in het begin nog maar erg moeilijk lopen. Kobuk bleef zeer voorzichtig met haar omgaan en gooide haar niet meer opzij als ze naar buiten gingen. Ook vond hij het prima als zij zonder hem op bed lag. Ongeveer twee weken na de operatie kwam Kobuk de eigenaresse midden in de nacht wakker maken. Dit deed hij normaal gesproken alleen als hij echt nodig naar buiten moest. Toen zij naar beneden ging om te kijken wat er aan de hand was, zag zij dat het helemaal niet goed ging met Tika waarna zij direct met haar naar de dierenarts reed. De dierenarts wist het leven van Tika te redden, maar zij was zeker gestorven als Kobuk de eigenaresse niet wakker had gemaakt.

Bovenstaand verhaal is slechts een voorbeeld van de vele verhalen die er te vertellen zijn over het gevoelsleven van honden. Hoe bruut Kobuk soms ook met Tika kon omgaan, toen zij ziek werd, kwam de ware aard van hun relatie naar boven. Als dierenliefhebbers en hondenbezitters zouden wij hoogstwaarschijnlijk zeggen dat hier sprake is van liefde en misschien ook wel empathie, ofwel inlevingsvermogen. Het is echter lang niet altijd zo geweest dat wij dergelijke emoties zo makkelijk aan dieren mochten toeschrijven en zelfs vandaag de dag is het een onderwerp dat nog veel stof doet opwaaien.

Een korte geschiedenis

Lange tijd werden dieren namelijk als een soort machines gezien, zonder enige vorm van bewustzijn of emoties. Met de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882) werd men echter gedwongen het innerlijke leven van dieren met andere ogen te bezien. Na lang en zeer nauwgezet onderzoek concludeerde hij dat de mens geëvolueerd is uit de lagere diersoorten. Dit hield automatisch in dat erg lastig werd om een vorm van bewustzijn of emoties bij die soorten te ontkennen. Zo werd niet alleen duidelijk dat dieren geen machines zijn, maar ook dat mensen dieren zijn. Hij zag honden bijvoorbeeld als speciale dieren die vergelijkbaar waren met de mens. Zij zouden menselijke gevoelens als schaamte en trots kunnen ervaren.

Weerstand

Zijn ideeën stuitten in die tijd echter op veel weerstand; mensen waren nog niet bereid aan te nemen dat zij verwant waren aan de apen. Ook was er veel kritiek op de wetenschappelijke methode die Darwin hanteerde. Wetenschap dient per definitie objectief (feitelijk/ waarneembaar) te zijn en men was van mening dat Darwin´s methode veel te subjectief (persoonlijk/ bevooroordeeld) was. Dit kon men in die tijd niet accepteren en er ontstond wederom behoefte aan objectief wetenschappelijk onderzoek met gecontroleerde experimenten. Zo verdwenen bewustzijn en emoties gaandeweg weer helemaal naar de achtergrond.

Niet observeerbaar

Er brak een periode aan waarin de wetenschap totaal geen aandacht besteedde aan gedachtes, emoties en bewustzijn, zowel bij mens als dier. Het werd als onwetenschappelijk beschouwd zaken te onderzoeken die niet direct observeerbaar waren. Daarnaast geloofde men eenvoudigweg niet dat dieren in staat waren emoties te ervaren, om nog maar niet te spreken over een bewustzijn. Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw kwam het onderzoek naar de dierlijke psychologie echter langzaam weer op gang en tegenwoordig staan zowel emoties als bewustzijn weer volop in de belangstelling. Dit heeft te maken met de sterk verbeterde onderzoeksmethoden maar ook met het feit dat dieren een steeds belangrijkere rol spelen binnen onze maatschappij.  Er heerst nog wel veel scepsis, maar steeds meer wetenschappers accepteren dat dieren een gevoelsleven hebben. Zij zijn zich er wel van bewust dat het heel lastig is die innerlijke wereld te onderzoeken maar vinden dat geen reden meer om het hele idee bij voorbaat al te verwerpen.

Verschillende emoties

Door de hernieuwde belangstelling krijgt de evolutietheorie van Charles Darwin ook eindelijk de aandacht die zij verdient. Darwin was voornamelijk geïnteresseerd in de manier waarop emoties worden uitgedrukt. Hij was van mening dat emotionele uitdrukkingen afstammen van gewoontes die in onze evolutionaire of individuele geschiedenis misschien ooit een belangrijke functie vervulden. Zo is huilen bijvoorbeeld een overblijfsel van schreeuwen in de kindertijd, terwijl dat op volwassen leeftijd grotendeels onderdrukt wordt. Volgens Darwin hebben emotionele uitdrukkingen dus primitieve eigenschappen en hebben we ze niet geheel onder controle. Ze duiden op onze dierlijke en kinderlijke oorsprong.

Primaire emoties

Hij onderscheidde zes universele kernemoties: blijdschap, verdriet, afkeer, angst, woede en verbazing. Dit worden ook wel de primaire emoties genoemd. Het zijn fundamentele, aangeboren emoties. Dieren kunnen bijvoorbeeld met een primaire angstreactie op een bepaald object reageren zonder dat dit object eerst herkend hoeft te worden. Deze primaire reacties zijn cruciaal voor de overleving van het dier. Secundaire emoties zoals empathie, jaloezie, vertrouwen of schaamte zijn meer complexe emoties waar men zich echt bewust van is en waar men over nadenkt. Hierbij zijn dan ook de hogere hersengebieden betrokken. Door bewust na te denken over emoties kunnen we in verschillende situaties beslissen wat de beste manier van handelen is.

Emoties bij honden

Hoe zit het nu met de emoties van honden? Tegenwoordig nemen wetenschappers over het algemeen wel aan dat zij in ieder geval in staat zijn de primaire emoties te ervaren. Voor hondenliefhebbers staat dit gegeven natuurlijk als een paal boven water. Wie zou er niet zeggen dat zijn hond blij is als hij bijvoorbeeld meegenomen wordt voor een fijne wandeling, of als hij lekker aan het spelen is? Ook ben ik ervan overtuigd dat zij vele andere emoties ervaren, waaronder ook de meer complexe emoties. Over dit laatste zijn de meningen echter sterk verdeeld; velen zijn van mening dat deze emoties alleen bij mensen kunnen voorkomen. Het probleem is dat het erg lastig is hier zorgvuldig en kritisch onderzoek te doen naar te doen. We kunnen nu eenmaal niet aan honden kunnen vragen wat er in ze omgaat en zij kunnen het ons niet vertellen. Toch worden er steeds meer methodes ontdekt  waarmee er wel, op verantwoorde wijze, onderzoek kan worden gedaan naar dit onderwerp. Er worden hiervoor vaak apen gebruikt, maar er is een groeiende interesse in het gedrag, de psyche en het emotionele leven van honden. Steeds vaker komen er hier dan ook nieuwsberichten over naar buiten.
Zelfbewustzijn

Onlangs is er bijvoorbeeld nog aangetoond dat honden over een rechtvaardigheidsgevoel beschikken en dat dit zich kan uiten in, bijvoorbeeld, jaloezie. Dit is een vrij revolutionair resultaat omdat er toch lang werd aangenomen dat alleen apen en mensen genoeg zelfbewustzijn hadden om deze emoties te ervaren. Het kan dan ook grote gevolgen hebben voor toekomstig onderzoek en de manier waarop er niet alleen naar honden maar ook naar andere dieren gekeken wordt. Ongetwijfeld zullen er meer bewijzen gevonden voor datgene wat veel hondenbezitters allang weten, namelijk dat honden zeer intelligente wezens zijn met een rijk gevoelsleven. We hoeven soms alleen maar naar ze te kijken om te weten hoe ze zich voelen. Natuurlijk hoeft dit niet te betekenen dat hun emoties identiek zijn met de onze; zij zullen blijdschap of jaloezie misschien op een hele andere manier ervaren dan wij dat doen. Ook is het aannemelijk dat hun emoties een wat eenvoudigere afspiegeling zijn van die van ons. Het is immers een vaststaand gegeven dat emoties zich bij de mens het meest ontwikkeld hebben. Maar eigenlijk is dit helemaal niet zo van belang; het feit is dat onze honden emoties ervaren. De verschillen die er bestaan zijn net zo belangrijk als de overeenkomsten. Het is aan ons om hier op de juiste wijze mee om te gaan; we moeten een manier vinden om de meest positieve emoties als blijdschap en plezier in ze naar boven te brengen. Niemand ziet zijn hond immers graag verdrietig of angstig. Door op een zo positief mogelijke manier met onze honden om te gaan en ze te steunen waar ze het moeilijk hebben, creëren we die speciale band die ervoor zorgt dat we zo stapelgek op ze zijn.

 
Comments Off

Posted in Articles